
Hij glimlacht als het kaartje uit de zak van het colbertje op de grond valt. Het jasje heeft minstens een jaar in de garderobe gehangen. Het jasje gaat aan voor een bezoekje aan een oudere heer in de gemeente. Hij raapt het kaartje op en leest de lieve woorden van zijn toen nog kersverse echtgenote. Het was de eerste keer dat hij een moeilijk bezoek ging brengen aan een ernstig zieke dame. De nacht er voor had hij slecht geslapen. Zijn vrouw had midden in de nacht een glas melk met honing warm gemaakt en hem bemoedigend toegesproken. Bij zijn ontbijt lag het kaartje op zijn bord en ze had hem aangeraden het in zijn jaszak te doen en er aan te voelen als het moeilijk was. ‘Dan weet je dat ik aan je denk en je bent niet alleen he.’ Daarbij had ze omhoog gekeken. Hij had het kaartje in zijn zak gedaan en was met een zere buik op weg gegaan. Vanaf het moment dat hij binnengelaten werd verdween dat gevoel. De dame was voorzichtig naar een tafeltje voor de lange ramen met uitzicht op de tuin gelopen. Op de tafel een glazen theepot en twee kopjes en schoteltjes met bloemmotief. Of hij suiker in de thee wilde. Nadat ze de thee ingeschonken had viel ze zachtjes kreunend achterover in haar ‘gemakkelijke’ stoel. Ze had hem het schaaltje met chocolaatjes voorgehouden. Het waren paaseitjes en het was al lang geleden pasen geweest. Ze had direct de leiding genomen in het gesprek door hem van alles te vragen. Wie hij was, waar hij vandaan kwam, hoe hij de opleiding vond en tenslotte: ‘wat dacht je toen je zo net hier voor de deur stond, zo’n jonge vent bij een oude mevrouw op de thee?’ Hij had haar opgebiecht dat hij het wel spannend had gevonden maar speelde de vraag terug: ‘Hoe vond u het om zo’n jong broekie op bezoek te krijgen in plaats van de dominee?’ Ze had uitbundig gelachen en gezegd dat ze het heerlijke vond een jonge vent op bezoek, dat gebeurde haar niet vaak. Het was een openhartig en vrolijk gesprek geworden en het werd je en jij. Vrome woorden of bijbelteksten hoefde ze niet, en ‘nee’ een gebed ‘was niet het juiste moment.’ Dat was later wel gekomen een enkele keer en mooie woorden waren er veel gevallen. Van haar voor hem en van hem voor haar. De bezoekjes aan haar waren een welkome onderbreking geworden van zijn drukke bezigheden. Hij had er er naar uit gekeken, hij kwam er graag. Met pijn in het hart had hij afscheid van haar genomen toen hij een andere stageplek kreeg toegewezen. Af en toe een kaartje, maar daar was het bijgebleven. ‘Still going strong’ stond er op het laatste kaartje.
‘Wat heb je geleerd?’, had zijn docent gevraagd na zijn stage. ‘Dat je meer ontvangt dan je geeft’, was zijn antwoord geweest. De leraar had hem zwijgend aangekeken: ‘Je bent een mooie kerel Jakob, ik denk dat je wel een goeie dominee zou kunnen worden.’