
In het Leo ten Brinke parkje voor mijn huis is een vlindertuin aangelegd. Het hele jaar staat er een kleurig bordje waarop je leest dat hier een vlindertuin is en dat het verboden is die te betreden. Binnenkort zullen de eerste bloemen gaan bloeien en niet lang daarna zal de vlindertuin in volle bloei staan. Dan wordt de vlindertuin een veelkleurig boeket van bloemen. Een prachtig gezicht.
In de loop van het jaar, als het zomer wordt, verdwijnt de veelkleurigheid. Er zijn een aantal bloemen die het lang volhouden, maar de tijd dat de vlindertuin een lust voor het oog is, is relatief kort. Het grootste deel van het jaar ligt de tuin er wat rommelig bij. Tegen de herfst zijn er nog een paar laatbloeiers maar dat is het.
Vanmorgen viel mijn oog op een ‘hokje’ midden in de tuin bij een struik. Toen ik goed keek zag ik nog een ‘hokje’ achter dezelfde struik. Ik zag gelijk kabouters voor me: een kaboutermannetje met een kruiwagentje in zijn tuintje en het kaboutervrouwtje in de deuropening met over haar dikke buik een veelkleurig schortje.
Naast me kwam een jonge vrouw staan die haar hond aan het uitlaten was. Zij haalde me uit mijn fantasieën. Ze vertelde dat het een egelhuisje was. Ik vroeg haar waarom er voor egels huisjes geplaatst worden. Ter bescherming, zei ze. Maar waarom? Egels hebben zichzelf toch altijd uitstekend gered, vroeg ik. Ze hield haar telefoon voor mijn neus. Ze had het razendsnel opgezocht op AI: Egelhuisjes worden geplaatst om egels een veilige, droge en beschutte plek te bieden om te schuilen, te slapen en te overwinteren. Door verstedelijking en opgeruimde tuinen vinden egels minder natuurlijke netstplekken las ze hardop. Ik hield mijn scepcis maar wilde de vrouw niet haar enthousiasme ontnemen. Leuk he, zei ze. Ze vertelde dat ze zelf ook zo’n huisje in haar tuin had. En dat dat zo gaaf is. En dat je ze geen melk moet geven maar water. En dat dat geritsel in de tuin zo mooi is. En dat ze hoopte dat er een keer jonge egeltjes zouden komen.
Ik ga weer verder, zei ik. Ik ga genieten van de lente. Van alle bloemetjes die te voorschijn komen. Jij ook? Haar gezicht betrok. ‘Ja ik geniet nu maar ik zie er tegenop. Straks ontploffen alle bomen. Ik heb hooikoorts en ben dan een hele periode gewoon doodziek.’ ‘Nee niets helpt.’
Daar had ik niet bij stilgestaan. Dat de lente niet voor iedereen een feest is. Niet voor deze jonge vrouw die zo van egeltjes houdt. Ze leek me zo’n vrolijk mens. Ik wilde iets opbeurends zeggen. Ik kon niets bedenken. Toen ik thuis was wist ik het wel. Ik had moeten zeggen dat ik hoopte dat ze jonge egeltjes in haar tuin kreeg. Als ik haar weer zie zal ik dat zeggen.











