Trouwlezer

Trouwlezer

Als ik me voor moest stellen, wie ik ben, waar ik van hou, hoe ik in het leven sta, voegde ik er vaak aan toe: ik ben een Trouwlezer. Het was en is zo’n beetje mijn identiteit: wandelaar, taal, natuur, boeken, hond, theater, gelovig, ‘goed’ gereformeerd, maatschappelijk betrokken, Frankrijk, ja en Trouwlezer!

In het ouderlijk huis waar de Trouw in de bus viel en het abonnement op Trouw dat ik mee kreeg toen ik ging trouwen. Iedere morgen Trouw bij het ontbijt. Tientallen jaren lang. Mijn hele lange leven lang. Koffers met knipsels van columnisten, van Klei tot Bert Keizer, Pijlman, Elma Drayer, de cartoons van Dingeman, de interviews, de Verdieping, sport.

Vaak begon een gesprek met vrienden: heb jij vanmorgen ook gelezen in Trouw…

Een paar jaar geleden heb ik het abonnement op gezegd. Ik ergerde me steeds meer aan de in mijn ogen eenzijdige berichtgeving want in de keuze van de feiten die je meldt is impliciet duidelijk waar je staat zoals dat ook is door de keuze van de feiten, die je om wat voor reden dan ook, niet vermeldt. De duiding van het nieuws. Kritische vragen over bijvoorbeeld de klimaat verandering en alles wat te maken had met de corona werden niet serieus genomen. Tegengeluiden, je verdiepen in, onderzoeken wat, ‘de ander’, beweegt,  bedoelt, ik miste het. Woorden als fascisme, extreem rechts, anti democratisch, wappies, werden het hek waarachter twijfels en tegengeluiden verdwenen. Vooral de neerbuigendheid waarmee mensen met een andere mening, en ik dus ook, werden neergezet stoorde me bovenmate.

Nadat ik mijn abonnement had opgezegd werd ik gebeld door iemand van Trouw met de vraag waarom ik mijn abonnement had opgezegd. Toen ik hem mijn redenen omschreef vertelde hij dat hij die geluiden heel vaak hoorde. Die geluiden had ik niet aangetroffen in de krant.

Vorige week heeft Ephimenco, die ik op Facebook volg de krant verlaten. Wat heb ik genoten en wat geniet ik van zijn schrijven. Wat heb ik genoten van Trouw. Wat een heerlijke krant was het voor me. Al rommelend door de knipsels realiseer ik me dat Trouw me heel veel heeft gebracht.

Trouw verliet X. De kring is gesloten. De deuren zijn dicht. De wortels van Trouw zijn in die zin nog te herkennen in de grap over die ene kamer in de hemel waar je fluisterend langs moet lopen: ‘ssst daar zitten de gereformeerden, die denken dat ze de enigen zijn in de hemel, omdat zij denken dat zij het ware geloof hebben.’

pioenrozen

Wanneer heb je voor het laatst gehuild? De dame aan tafel hoefde niet lang na te denken. Muziek van Bach ontroerde haar vertelde ze. Ik vond het eigenlijk geen antwoord op de vraag. Iets kan je ontroeren, je kunt een traantje wegpinken maar is dat huilen?

Wanneer heb ik eigenlijk voor het laatst gehuild. Ik weet het niet precies maar het is niet lang geleden. Hartstochtelijk gesnikt. Ik weet het weer. Toen ik foto’s zag van vroeger. Hoe gelukkig we toen waren. En hoe dat voorbij is gegaan, verloren. Hoe droevig dat is. Hartstochtelijk gehuild. Het lucht op. Het doet goed. Ergens om huilen. Dat is iets anders dan ontroerd zijn. Dat ben ik regelmatig en vaak. Een geschenk van ouder worden. Iets in je borst voelen, je buik, een brok in de keel, een traantje.

Ik weet het nog, vorige week. Ik ging op de koffie bij de oudste dochter van mijn overleden zus en haalde een bloemetje op. Ik keek wat er was en zag ze ineens: donkerrode pioenrozen. Ik zag het voor me: de tuin voor het huis aan de Valkenburgseweg in Katwijk. Daar waar ik geboren ben en waar het leven goed was in het dorp, ons gezin met mijn oudste zus nog in huis. Ik moest even iets weg slikken en rekende de bloemen af. In de auto liet ik een traantje, maar ik moest opletten, het was druk op de weg.

Nu ik dit aan het schrijven ben moet ik eigenlijk weer een beetje huilen, zachtjes, van geluk. Bij de gedachten aan vroeger. En dat terwijl ik hier lekker zit te schrijven met de zon in mijn tuintje nadat ik voor het eerst sinds lange tijd weer gezwommen heb in de Regge. Vrij bewogen in het koele water, zingende vogeltjes boven mijn hoofd, blauwe vlinders in het riet.

Hou niet op te huilen, zachtjes, ingetogen of hartstochtelijk. In je eentje of met anderen. En troost mij niet. Wie zong dat ook weer.

zeldzaam juweel

Hemelvaartsdag 2026. Het is bijna 5 uur in de middag. De Intercity naar CS Amsterdam remt af. Buiten schijnt de zon boven de hoge gebouwen van Amsterdam Oost. Daar is het BIMhuis aan het IJ. Het water glinstert. Witte wolken in de blauwe lucht. Uit de geluidsinstallatie in de trein klinkt een klik. Goedemiddag beste reizigers. We rijden zo dadelijk Centraal Station Amsterdam binnen. Vergeet u niet uw bagage mee te nemen. En..

Het wordt stil in de bomvolle trein. Iedereen luistert. De conducteur neemt uitgebreid het woord. Hij bedankt allereerst de reizigers dat ze meegereisd hebben. Vervolgens geeft de conducteur de reizigers wijze en hartverwarmende woorden mee. Hij richt zich speciaal tot mensen voor wie het misschien niet zo makkelijk is vandaag. Hij raadt hen aan vooral van zichzelf te houden. ‘Namens mijn collega’s wens ik u een geweldige dag, net zo geweldig als uw aanwezigheid voor de mensen om u heen. We wensen u een zonnige dag met vrolijke gedachten. En vergeet de liefde niet, want een leven zonder liefde is als een landschap zonder zon.’

Inmiddels is de trein tot stilstand gekomen. Voor de deuren opengaan horen de reizigers de laatste woorden van de conducteur: ‘Als u maar niet vergeet hoe geweldig u bent, u bent een zeldzaam juweel in een beperkte oplage.

Op het perron gaan reizigers met elkaar in gesprek. Er wordt gelachen en duimpjes gaan de lucht in. Naast de trein staat de conducteur een paar oudere dames te woord die hem bedanken voor zijn ‘mooie’ woorden. Hij vertelt dat ze over hem kunnen lezen op internet als ze ‘De vrolijkste conducteur van Nederland’ aanklikken. Daar is te lezen dat 58-jarige NS conducteur Robbert Callias dit doet om de verruwing in de maatschappij tegen te gaan en ‘de wereld een beetje mooier te maken.’

heaven’s bright sun

In de Kleine Kapel in Nijverdal hangt een schilderij van kunstenares Annewil Jansen. Ik heb er veel naar gekeken de afgelopen jaren. Ik zie er altijd wat anders in. Tijdens de meditatieve stilte tijdens het avondgebed kijk ik of er ik er iets in zie wat te maken heeft met de tekst die we overdenken. En dat is vaak het geval.

Vorige week vroeg ik Annewil hoe het kunstwerk eigenlijk heet. ‘Heavens bright sun. Een zin uit het lied Be thou my vision. Een Ierse hymne uit de zesde eeuw van een Ierse dichter en monnik. Een zogenaamd Iorica, een beschermend gebed uit de tijd van Sint Patrick. De melodie is een Slane, die verwijst naar de heuvel van Slane in Ierland, de heuvel waar Sint Patrick het evangelie predikte.’

Annewil speelde het lied af in de versie van Audrey Assad. Ik herkende het lied meteen. Het is een avondlied. Het staat in het nieuwe Liedboek. Nummer 263. Dat weet ik uit mijn hoofd. Een jonge man, die een poosje de avondgebeden bezocht had er om gevraagd. Zijn vader was kort geleden overleden en op de begrafenis was dit lied gezongen. Het lied was voor hem een troost. Dat begreep ik goed, het is een mooi lied op een prachtige melodie met een troostende tekst: Wees Gij mijn toevlucht de komende nacht, de morgen die ik ondanks alles verwacht. Hoe kan ik gaan slapen, als Gij er niet zijt, die mij van het donker en wanhoop bevrijdt. We hebben het met elkaar gezongen.

In de Corona tijd stuurde ik het lied naar iemand die ging sterven. Ook voor hem was het een troost. Een troost geweest. Bij zijn begrafenis werd het lied gezongen gevolgd door een lange improvisatie op de melodie op de piano.

Dat ik al die tijd naar een schilderij heb gekeken dat verbonden is met het Ierse avondlied, dat me zo dierbaar is geworden.

Alles is met alles verbonden, niets is om niet.

4 mei 2026

De vlag staat al klaar. Vroeger mocht je hem vanaf zes uur in de avond ophangen. Maar dat is veranderd. Ik heb hem al een paar keer zien hangen vanmorgen. Het mag de hele dag. Ik hou me aan de oude regels. Om zes uur zal ik hem ophangen. En voor zonsondergang binnen halen. Ik zal vanavond om acht uur 2 minuten stil zijn.

Ik zal denken aan de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog die duurde van 1940 tot 1945. Ik zal denken aan de mensen, de vaders, de moeders, de kinderen, de opa’s en de oma’s, de familieleden, de vrienden, de buren, de bekenden en onbekenden, de militairen die vochten voor onze vrijheid, aan de nakomelingen van al die mensen die tot de dag van vandaag de gevolgen van die oorlog ervaren.

Het is goed te herdenken. Al 81 jaar lang. Het is verdrietig dat ‘we’ of ‘ze’ niet leren, ‘men’ nooit leert van de geschiedenis, waartoe ieder jaar bij het herdenken weer opgeroepen wordt. In tegendeel het lijkt of de ‘resten’ van oorlogen het zaad zijn voor de volgende. Dat oorlog een onuitroeibaar kwaad is in de wereld. En dat daarbij verschrikkelijke wreedheden schijnen te horen. Dat oorlog het slechtste in de mens naar boven haalt.

Blijft dat ik in een vrij land woon omdat anderen ten strijde trokken om Europa te bevrijden van de nazi’s. Bestaat er een rechtvaardige oorlog? Moet je alle agressie afwijzen? Bestaat er zo iets als fair play als het om oorlogen gaat? Zouden er geen mensen zijn die dolblij zouden worden als een andere mogendheid hen met geweld zou verlossen van een misdadig regime?

In de sport geeft de verliezer de winnaar na de wedstrijd een hand. Er is een spel gespeeld. Er is gewonnen en verloren. Men heeft zich aan de regels van het spel gehouden. Maar in oorlogen is er geen scheidsrechter, geen hogere macht. Oorlog is geen spel.

Het is moeilijk. Laten we maar zwijgen. Stil zijn. Met theoretische en filosofische gedachtewisselingen moeten we uitkijken zelf niet een klein oorlogje te voeren. Ik buig het hoofd. Ik leg me er bij neer. Ik weet het niet. Ik denk aan jou, aan jullie, vanavond.

kom vanavond met verhalen, hoe de oorlog is verdwenen, alle malen zal ik wenen( Leo Vroman , Vrede)

eenzame strijder

en net toen je was opgeveerd

toen er weer toekomst was

de horizon open

de hemel blauw

en de zon warm

was hij daar weer

de dikke boze man

met grote zwarte laarzen

ongenadig

onbarmhartig

onverbiddelijk

ik wou dat ik je kon helpen

maar dat kan ik niet

ik wou dat ik je kon troosten

maar dat wil je niet

ik wou dat ik dicht bij je kon komen

maar dat lukt me niet

je doet het alleen

liever alleen

dappere krijger

briefjes

hoe laat eten we ook weer?

gaat A ook mee?

vergeet je niet dat je me zou helpen met het invullen van de belasting?

ik sta al bij de ingang hoor!

ik ben geweest en ze was al aardig opgeknapt

het was fijn met je 😘

Appjes. Communiceren anno 2026. Heel handig. Voor afspraken, aardig, lief zijn voor elkaar, aan iets helpen herinneren, elkaar op de hoogte houden, adviezen, tips. Het is haast niet voor te stellen, een leven zonder mobiel, zonder appjes, chats, facetime, zonder de sociale media. Het schijnt dat er jongeren zijn die alleen maar communiceren via hun mobiel en nauwelijks in staat zijn live te communiceren of contact te maken.

Toch is het niet zo heel lang geleden dat we helemaal geen mobiel hadden. Toen maakten we mondeling afspraken, schreven we brieven en belden we met de vaste telefoon die aan de muur hing. We hoorden bij de bakker of op het plein de laatste nieuwtjes, luisterden naar het journaal en lazen in de krant het wereldnieuws.

Vorige week werd jongste zoon 50. Ik zocht naar foto’s om digitaal een kaart te laten maken met grappige gebeurtenissen (Zo geregeld. Binnen een dag ligt de kaart bij je in de brievenbus.)

Bij de foto’s vond ik een schoenendoos met briefjes. Op de eetbar bij de keuken lagen ze altijd. Briefjes. We hielden elkaar op de hoogte met briefjes. Meer nog dan foto’s geven zij een beeld van wie we waren, wat we deden, hoe we met elkaar omgingen. Het was een hele stapel. Wat me opviel was dat de opdrachten die we elkaar gaven, nog al dwingend waren, de moeder aan haar zonen maar ook andersom. We probeerden ook grappig te zijn naar elkaar en lief. Soms zat er een leuk tekeningetje bij. Maar meestal waren het haastig geschreven kattebelletjes op papiertjes die voorhanden waren, zelfs weeceepapier. ‘Liefs’ was toen nog niet uitgevonden. Hartjes heb ik ook niet gezien.

Op het verjaardagsfeestje mogen we geen ‘stukjes’ doen van de jarige. Ik weet niet of we ons daar aan gaan houden. In de schoenendoos is materiaal genoeg.

75 jaar Molukkers in Nederland

Het was in Tilburg. Op de christelijke lagere school aan de Langstraat. De enige niet katholieke lagere school. Meester Voorsluijs was ineens de klas binnengekomen. Naast hem stonden een paar donkergekleurde kinderen. Ik geloof dat ik nog nooit donkere kinderen of mensen gezien had. Meester vertelde iets over de kinderen, ik weet niet meer wat. Wel weet ik dat even later een van de kinderen naast mij kwam te zitten. Ik vond het niet fijn, een beetje eng. Het meisje rook zo anders en ze praatte anders. Tussen de middag als we overbleven en we onze etenstrommeltjes open maakten was het ergste. De lucht die uit haar bakje met rijst en en van alles kwam maakte me misselijk en maakte dat ik de boterhammen uit mijn trommeltje snel en met de adem in naar binnenwerkte.

Toen ik me er thuis over beklaagde, kreeg ik van mijn vader de wind van voren. Hij vertelde dat het Ambonezen waren en dat die mensen schandelijk behandeld waren. Ik moest vooral heel aardig en vriendelijk tegen haar zijn, want dat meisje woonde in een concentratiekamp. Dat woord brieste hij uit en zijn ogen spoten vuur. Ik wist niet wat een concentratiekamp was, of waar Vught lag.

Het kwam helemaal goed met Albertien en mij. We werden vriendinnetjes, ik wende aan de lucht van haar lunch en we giechelden veel samen. Ze sprak nooit over haar thuis, wel weet ik dat ze een keer ‘Soekarno soooo’ zei en ‘Juliana sooo.’ Bij Soekarno stak ze een duimpje omhoog en bij Juliana ging het duimpje omlaag. En ze schreef in mijn poëziealbum. Een heel mooie bladzij. Niet alleen maar plaatjes erbij maar allerlei kleurtjes en tekeningetjes. Ook een tekening van een palmboom. Mijn zus zei dat je aan die kleurige bladzijden goed kon zien dat ze ‘toch’ uit een ander land kwam.

Even plotseling als ze gekomen was, verdween ze ook. Op een dag waren er geen Ambonese kinderen op school meer. Er werden niet veel woorden aan vuil gemaakt.

Later in mijn leven kwamen er altijd Molukkers, want zo werden ze voortaan genoemd, langs, voorbij. Vooral positieve ervaringen. Aardig, vrolijk, warm en altijd beleefd. Creatief en gedreven. Kleurrijk. In de buurt, het dorp, op het werk op school. Ik moest altijd aan de woorden van mijn vader denken. Dat ze zo slecht behandeld waren. Vernederd. Ook toen de gijzelingen kwamen veranderde mijn beeld van hen niet. Tussen de papieren van mijn vader vond ik na zijn dood exemplaren van het blad Door De Eeuwen Trouw. Op internet lees ik dat het een leus was die werd gebruikt om de trouw van de KNIL militairen aan Nederland te benadrukken. De leus die vervolgens in 1950 de naam werd van de stichting die het opnam voor het lot van de Molukkers en opkwam voor de zelfbeschikking van de Molukkers en de Papoea’s in Indonesië. Veel oud militairen waren net als mijn vader lid van de stichting.

Deze week gaan we ook in Nijverdal 75 jaar Molukkers in Nederland herdenken en vieren. Ik zal er bij zijn. En ik zal denken aan Albertien Loupatty en al de andere Molukkers. Hoe ze ons land en ons dorp verrijkt hebben en onderdeel zijn van onze gemeenschap. En ik zal denken aan de woorden van mijn vader.

Paasvuur

Paasvuur, ik maakte er voor het eerst kennis mee toen ik in het oosten van het land kwam wonen. In Katwijk kennen ze het niet en ook in Brabant had ik het niet meegemaakt.

Toen de kinderen klein waren gingen we wel eens kijken. Maar echt enthousiast was ik er niet over. Het was vaak een koude en of natte bedoening op de eerste paasdag. En veel drukte. De dag erop stonk het tot in de hele omgeving. Toen ik er niet meer naar toe hoefde omdat de kinderen opgroeiden, sloeg ik het over. Meestal vergat ik het ook en was het de rooklucht die me er aan herinnerde dat er paasvuren waren geweest, ergens.

Sinds een paar jaar is er een discussie of paasvuren nog wel kunnen in verband met de vele stikstof die de lucht in gaat door de paasvuren. Vanaf dat moment was mijn interesse gewekt. Want als oude gebruiken moeten worden afgeschaft veer ik op. Wat vind ik er van? Waar sta ik als het over deze materie gaat?

In het tv programma Carrie op Vrijdag vertelde een paasvuur kenner dat het een eeuwenoud gebruik is, zelfs al van ver voor onze jaartelling. Dat het de overgang markeert van het donkere jaargetijde naar de lente, van het duister naar het licht. Hij vertelde ook iets wat ik niet wist. Dat alles wat achter ligt wordt verbrand en er ruimte komt voor een nieuw begin. Letterlijk maar ook figuurlijk. Hij nam altijd een stokje of stukje hout mee dat hij op eerste paasdag in het vuur gooide en dan dacht aan iets wat hij achter zich wilde laten, op wilde ruimen, verbranden om verder te kunnen gaan.

Sinds een paar jaar ga ik weer naar het paasvuur. Niet op eerste paasdag maar op de morgen van tweede paasdag. Want meestal smeult het vuur dan nog. Het paasvuur in Hellendoorn langs de Regge brandde zelfs nog vanmorgen. Het was een prachtige morgen. Ik heb een takje in het vuur gegooid en aan iets gedacht wat ik achter me wil laten.

Terwijl ik naar het vuur stond te kijken kwam er een mevrouw naast me staan. We praatten met elkaar over het paasvuur. Zij kwam uit de streek en had haar hele leven het paasvuur meegemaakt. Vroeger was het gewoon nog midden in het dorp. Zij ging ook niet meer op de avond. Ze wist niet dat het al zo’n oud gebruik was. Daar had ze nooit zo over nagedacht. Het hoorde er gewoon bij. We vroegen aan elkaar wat we hadden gedaan met pasen en wat we nog gingen doen met pasen. Zij ging brunchen met haar dochter. Ik vertelde dat ik al had gebruncht op eerste paasdag. Ze vertelde dat het wel lastig was omdat haar man nog niet niet zo lang geleden was overleden. ‘Maar ja je moet verder’.

We wisselden onze namen uit. Nee onze namen kwamen ons niet bekend voor. We wensten elkaar een fijne dag en zeiden dat het wel een mooie ontmoeting was. Dat was het zeker. Een mooi begin van de dag. Tweede paasdag.

kijk

De man aarzelde bij de vraag wat voor een mens Jezus geweest zou zijn in deze tijd. Hij kwam vertellen over een uitvoering van Jesus Christ Superstar in het dorp. Voor dat hij aan het woord kwam in de radiouitzending had hij even met een geluidsman staan praten over de documentaire over het leven van Johan Cruijff. Dat zat blijkbaar nog in zijn hoofd want hij antwoordde na een paar namen, ‘ja, het klinkt misschien gek, maar misschien Johan Cruijff wel?’

Ja het klinkt misschien gek maar hij is beslist niet de enige die in Johan Cruijff meer ziet dan een ‘weergaloos’ goede voetballer. In de christelijke krant het Nederlands Dagblad is een lang artikel aan hem gewijd. Journalist Veenhof noemt zijn manoeuvres ‘de choreografie van sportieve eeuwigheid.’ Maar in het artikel gaat hij vooral in op de invloed die Cruijff had en nog steeds heeft door zijn visie, zijn oprechtheid, zijn spiritualiteit, zijn onnavolgbare trant van redeneren, zijn betrokkenheid bij minderbedeelden, zijn liefde voor zijn vader, zijn trouw aan zijn gezin, zijn roots.

10 jaar na zijn dood zegt een jonge voetballer dat voor hem Johan Cruijff de grootste filosoof van Nederland is. De jonge man zit tegenover mij. ‘Waarom dan?’ ‘Alles wat hij zegt, zet je aan het denken’. ‘Zijn favoriete quote?’ ‘Hm, nee niet elk nadeel heb zijn voordeel’

: ‘Als je niet kijkt, zie je het niet.’

  • NPO documentaireserie Cruijff in 4 delen.