Noaberschap

Op de terugweg zondagmiddag door het juichende Twentse land realiseer ik me dat in het gesprek met Lale Gul het woord ‘noaberschap’, het thema van het Lutterzand Literairfestival op zaterdag 14 en zondag 15 mei, niet gevallen is. Op zaterdag viel het woord, al of niet juist uitgesproken, en hoe spel je het eigenlijk, veelvuldig. De journalist Obbema hoorde ik het zeggen: ‘alle mensen verlangen er naar ergens bij te horen.’ De Iraanse schrijfster Sholeh Rezazadeh vertelde over de warme familiebanden in haar land: ‘mijn oma is nooit alleen, er is altijd een kind of kleinkind bij haar.’

Lale Gul komt uit een gemeenschap waar het naar elkaar omzien en voor elkaar zorgen vanzelfsprekend is. De hoofdpersoon Busra in het boek ‘Ik wil leven’ poetste en boende al van jongs af aan in het huisje van haar oma. Maar haar boek is één grote aanklacht tegen een gemeenschap waar de regels onverbiddelijk zijn, de geloofsleer leidend en de mannen dominant. De andere kant van die warme gemeenschap, waar niet het ‘ik’ voorop staat maar het ‘wij.’ De gevolgen voor de schrijfster liegen er niet om: uit de familie gevallen en dagelijks bedreigingen. Voortaan altijd een beveiliger in de buurt.

Haar verhaal staat niet op zichzelf. We kennen allemaal mensen die uit hun familie werden verstoten omdat ze anders waren of zelf hebben gebroken met hun familie omdat ze verstikten, niet vrij waren, omdat ze zich anders voelden, eenzaam op de plek waar ze zich thuis en geborgen zouden moeten weten. Breken met je nest, de omgeving waar toe je behoorde is een gevaarlijke onderneming, waarvoor je vaak een hoge prijs moet betalen.

In de geïndividualiseerde samenleving waarin wij leven proberen we een beetje naar de ander om te zien, ‘noaber’ te zijn: in familieverband, vrienden, buren, clubjes, de kerk, de muziekvereniging, de sport. En je mag zijn wie je bent. De regels zijn niet zo strak als vroeger: flexibel zijn en respectvol. En af en toe een moment van diepe verbondenheid ervaren met elkaar. Op een late zaterdagmiddag in mei op het gras bij boer Frans Zanderink in De Lutte waar we ademloos luisterden naar Manon Uphoff: vallen is als vliegen.

het kompas van goed en kwaad

Op een dag moet Kurt Gerron zich melden bij de hoogste baas, Obersturmfuhrer Rahm. Of hij een film wil maken over het leven in Theresienstad. Hij begrijpt dat het niet een film moet worden over de ontberingen in het getto. Nee, het is de bedoeling Theresienstadt af te beelden als een plaats van vrede en geluk. Een propaganda film met de vriendelijk lachende Herr Rahm als de architect van het kleine paradijs. Acteur en filmmaker Gerron weet dat weigeren transport naar Auschwitz zal betekenen, meewerken zelfverloochening en verraad aan zijn kunstenaarschap.

In de roman over dit waar gebeurde verhaal beschrijft Charles Lewinsky de worsteling met het dilemma van de hoofdpersoon. Gerron wikt en weegt, en begint toch aan de film, om het leven van hem en zijn vrouw te redden. Hij sust zijn geweten met het feit dat ook alle medewerkers en acteurs in de film verzekerd zullen zijn van vrijstelling van transport.

Historicus Hans Goedkoop sprak in de 4 mei lezing over ‘het puntgave kompas voor goed en kwaad.’ De worsteling van Gerron laat zien dat het lezen van het kompas niet zo eenvoudig is. Wat is goed? Wat is kwaad? Kun je dat precies zeggen, is dat altijd zo duidelijk? Zelfs achteraf kun je je afvragen wat zou nu de juiste beslissing zijn geweest? Geeft je innerlijke stem je de juiste richting aan?

‘Het komt er op aan het goede te doen’, gaf Goedkoop ons mee. Weet u het, weet jij het wat het is, het goede, het juiste, het eerlijke, het rechtvaardige? En. Is er eigenlijk wel een gezamenlijk kompas van wat is noord en wat is zuid als het gaat om goed en kwaad? Wat geeft het kompas aan in een chaotische wereld, in de kakefonie van meningen en oordelen? Je laten zien, je laten horen? Opkomen voor? Er van wegblijven? Het maar laten gebeuren? Maar een beetje op je eigen postzegel het beste er van maken? Wat is het puntgave kompas van goed en kwaad, waar kan ik dat vinden?

* Charles Lewinsky: Terugkeer Ongewenst, het deels waargebeurde, deels fictieve levensverhaal van de Joodse acteur, entertainer en regisseur Kurt Gerron, die in de jaren twintig en dertig in Berlijn grote triomfen vierde. In 1933 vlucht hij naar Nederland, waar hij aan Nederlandse speelfilms meewerkt. In 1943 wordt hij opgepakt samen met zijn vrouw Olga. Via Westerbork komt hij in Theresienstadt terecht. Met de bevrijding in zicht wordt hij van het filmproject afgehaald en alsnog samen met zijn vrouw en alle medewerkers aan de film naar Auschwitz gestuurd. Op 30 oktober 1944 wordt hij en zijn vrouw vermoord. Drie dagen later werd het vergassen definitief gestaakt.

*De film over Theresienstadt werd later gemonteerd en van muziek voorzien door Ivan Fric.

bijknippen

‘De trein staat stil in Almelo, trein moet wachten op werkzaamheden. Gaat wel even duren…

Appje op mijn telefoon. Ik sta met mijn auto voor het station in Enschede om mijn vriendin uit Hilversum op te pikken. We gaan een paar dagen oppassen op de hond en de kat van mijn zoon en vanuit zijn huis uitstapjes maken. Het weer zit mee. De zon straalt en met een vest aan kun je buiten lopen zonder jas. Ik besluit de auto een eindje verderop te parkeren waar het gratis parkeren is en vraag vriendin te appen als ze op weg is naar Enschede. Als ik een plekje voor de auto heb gevonden loop ik de stad in en geniet van de stad. Ik vind een koffietentje met een terras in de zon, en uit de wind, met goeie sterke koffie, en een lekker citroengebakje. Ik lees een krantje en kijk naar de voorbijgangers. Uit de boxen hoor ik Eagle van Abba. Wie maakt mij wat op deze stralende donderdag na Koningsdag!

Na een uur krijg ik weer een appje: ‘verstopping zit tussen H. en Enschede. Ik ga bus proberen. Die gaat via Hengelo naar CS Enschede’.

App maar als je op het station bent! app ik terug

Ik besluit om niet de stad in te gaan, ook niet terug naar huis maar even bij de kapsalon een eindje verderop naar binnen te wippen. Naast de Tattooshop en het Turkse restaurant zag ik op de heenweg een Dames en Herenkapsalon waar het niet druk was en de deur open stond. Even de vlossen uit mijn nek wegscheren en randjes bijknippen. Als ik binnenkom zijn op dit moment beide heren druk aan het knippen. Op mijn vraag of ik zo even kan worden ‘bij’geknipt, alleen mijn nek en bij de oren, hoor ik dat ik even moet wachten. Het ‘even’ is 20 minuten en net als ik overweeg om toch maar op te stappen, word ik uitgenodigd op de kappersstoel.

De Turkse kapper is geen Eus. Hij stelt één vraag: Moet het boven de oren. Ik wijs met mijn vinger aan: ‘ja zo precies boven de oren.’ Dan begint hij. Zwijgend. Geconcentreerd. Al binnen een paar seconden weet ik dat dit niet gaat worden wat ik bedoelde. Mijn haren worden alle kanten opgekamd en ik hoor alleen maar het knippen van de schaar. Plukjes haar vliegen langs me heen. Een razende tondeuze. Twintig minuten later verlaat ik met een jongenskop de kapsalon. 2 Jaar geprobeerd mijn haar een beetje op lengte te krijgen. In 20 minuten weggeknipt. Terwijl ik naar het station loop, ik heb net een appje gekregen dat vriendin op het station is, vraag ik me af wat dat nou is met mij en die aardige kapper: waarom heb ik me als een schaap laten scheren?, ben ik niet duidelijk geweest?, had ik moeten roepen stop?, waarom zo verlamd? En wat nu?

De dichter Rumi zegt, dat we als mens een herberg zijn; dat we alles moeten verwelkomen met een glimlach; dankbaar moeten zijn voor wie of wat er op ons afkomt: Een vreugde, een depressie, een benauwdheid, verwelkom ze allemaal en onthaal ze gastvrij. Misschien ruimt hij wel bij je op om plaats te maken voor extase. Dat geeft lucht, laat ik die onverwachte rigoureuze knipbeurt maar als een kans zien. ‘Lekker fris en makkelijk en ach het groeit wel weer aan.’

Op de trappen voor het station zit vriendin met haar rode koffertje naast zich op me te wachten. We omhelzen elkaar na 2 jaar: Fijn dat je er bent! We kijken elkaar aan. ‘Wat is je haar kort’, zegt ze als ze in de auto stapt. Ze fronst haar wenkbrauwen.

Jarig

Vandaag zijn ze jarig. Anna en Lola. Anna wordt 12, Lola 11. Ze krijgen vandaag het dagboek van Anne Frank.

Anne Frank kreeg op haar 13e verjaardag (12 juni 1942) een dagboek. Ze schrijft dan in haar dagboek: Ik zal hoop ik aan jou alles kunnen toevertrouwen, zoals ik het nog aan niemand gekund heb, en ik hoop dat je een grote steun voor me zult zijn.

Nog geen maand later zal Anne onderduiken in het Achterhuis, waar het schrijven in haar dagboek de belangrijkste afleiding en vluchtplaats zal worden voor haar, het jongste kind tussen volwassenen in een kleine ruimte. Het helpt haar de dagen door. Ze gaat schrijven over gebeurtenissen, wat ze voelt en wat ze denkt. Ze schrijft korte verhalen en begint een roman. Ze houdt een Mooie-Zinnenboek bij.

Op 28 september 1942 schrijft Anne in haar dagboek: Ik heb tot nu een grote steun aan je gehad, en ook aan Kitty, die ik nu geregeld schrijf. Deze manier om in mijn dagboek te schrijven vind ik veel fijner en nu kan ik het uur haast niet afwachten als ik tijd heb om in je te schrijven. Ik ben o zo blij dat ik je meegenomen heb!

Anne schrijft aan een denkbeeldige vriendin, Kitty, voor wie ze geen geheimen heeft, alles wat er gebeurt, alles wat er in haar omgaat deelt ze met Kitty. Wij, de lezers, wij werden haar Kitty. En we zijn met velen. Het dagboek van Anne Frank werd in meer dan 70 landen uitgegeven. Samen met voetballer Johan Cruijff en de kunstenaars Rembrandt en Van Gogh behoort ze tot de bekendste Nederlanders in de wereld.

Ik hoop dat mijn kleindochters het boek zullen gaan lezen. Desnoods steeds een klein stukje of een paar bladzijden. Ze zullen ontdekken dat ze dezelfde dingen meemaken en dat ze ook wel op haar lijken. Dat schrijven een hele fijne manier is om te vertellen en te ontleden wat er in je omgaat. Dat je niet oud hoeft te worden om wijs te zijn. Dat Anne een bijzonder meisje was, dat nooit de moed op gaf. Dat je verschillende kanten kunt hebben die soms irritant kunnen zijn. En hoe belangrijk het is dat je alles, echt alles kunt zeggen tegen iemand, een vriend, een buurvrouw, een juf, een collega of misschien wel je opa of je oma.

Ik weet precies hoe ik zou willen zijn, hoe ik ook ben… van binnen, maar helaas ik ben het enkel voor mezelf. En dat is waarom ik mezelf een gelukkige binnennatuur noem en andere mensen me een gelukkige buitennatuur vinden. Van binnen wijst de reine Anne me de weg, van buiten ben ik niets dan een uitgelaten geitje. ( Laatste bladzijde uit haar dagboek, 1 augustus 1944, aan Lieve Kitty van Je Anne M. Frank.)

* Anne Frank sterft van uitputting in Bergen Belsen februari 1945

mooiste liefdeszin

‘Ik wou dat je jezelf kon zien, met mijn ogen’, de mooiste liefdeszin die ik in mijn leven mocht horen*. Het maakte een onvergetelijke indruk. Ontroerde me. Het verwoordde hetgeen ik voelde. Alsof iemand me aangeraakt had op een plek die ik zelf wel vermoedde, maar waar ik nooit bij had kunnen komen; de ander wakker riep wat al mijn hele leven sluimerde in mij. Die ander die jou kan brengen waar jij zelf in je eentje niet kan komen. Dat is wat ware liefde is, de liefde is, denk ik. Als je verliefd bent kun je dat gevoel in al je vezels voelen: jij geeft me het gevoel dat ik besta, leef zoals ik bedoeld ben. Een thuiskomen.

In de mooiste liefdeszin* van Arthur Japin wordt min of meer hetzelfde gezegd met andere woorden. Ook Trijntje Oosterhuis zong het: Ken je mij, wie ben ik dan, weet jij mij beter dan ik. En dat lied is natuurlijk een moderne vertaling van Psalm 139: Dieper dan ik mijzelf ooit ken, kent Gij mij.

Gister op de familiedag sprak ik met mijn oudste neef. We hadden elkaar jaren niet gezien. We spraken over zijn overleden moeder, mijn oudste zus. “Toen ik u daarnet zag lopen moest ik aan mijn moeder denken. U lijkt zo op haar. Het gezicht. U loopt ook net zo, een beetje.. gebogen zo met uw hoofd”. Hij wilde krom zeggen, maar hij is een lieve neef, hij maakte er gebogen van. Ik rechtte onmiddellijk mijn rug, want ik wil niet krom lopen. Ik probeerde me voor te stellen wat hij had gezien. Wat hebben de ogen van mijn neef gezien? En hoe heeft hij daar naar gekeken?

Als je met liefde naar iemand kijkt is, zie je vooral wat mooi is en goed. Kun je met vertedering kijken naar iets wat minder geslaagd is in die persoon. Het kan zelfs een Schitterend Gebrek zijn. De titel van het boek van Arthur Japin waarin de mooiste liefdeszin uit de Nederlandse literatuur te vinden is. Volgens velen geen perfecte zin. “Er zijn zinnen die verrassender zijn en beter lopen”, aldus Trouw. Een schitterende gebrekkige zin.

* Onlangs ontdekte ik dat het de woorden waren van Diego Rivera, geliefde van Frida Kahlo.

*

Top Tien van mooiste liefdeszinnen uit de Nederlandse literatuur.

lentegroen

Het staat in geen enkele verhouding tot het echte leed in de wereld. Toch ben ik er knap chagrijnig van. Sterker: het bederft de vreugde die ik beleef aan de lente die in aantocht is. In aantocht in mijn tuin.

Het is mijn eigen schuld. Ik heb het zelf gedaan. Een aantal weken geleden, op een zonnige dag heb ik rigoureus de vijver in de achtertuin aangepakt. Met schop en schepnet de vijver ‘geschoond’. Waterplanten gekortwiekt en emmers grijze modder eruit geschept. Voldaan had ik gekeken naar het resultaat: laat de lente maar komen. Maar de lente kwam pas na een paar weken regen. En toen de zon dan eindelijk daar was schrok ik: het water was groen, gifgroen. Ik keek in een bord erwtensoep. Mijn heldere vijver, mijn kleine Regge in de achtertuin, waar, waterlelies bloeiden, de wolkenhemel in weerspiegeld werd, de wind haar golfjes maakte, is een doodse groene brij geworden. Ook de vissen laten zich niet meer zien.

Ik heb mijn nood geklaagd en adviezen gekregen: een emmertje water uit de Regge; zuurstofhoudende planten; een pomp; ‘geduld, het komt vanzelf weer goed’.

‘De hele vijver leeghalen’, ‘ wegdoen die vijver’, ‘beton storten’. Ik zit aan tafel met een groepje mannen, die vrijwilligen bij het Huis van Vriendschap. Ze zijn superhandig en van alle markten thuis. Zij zijn altijd vrolijk en ook mijn vijverleed bezien ze graag van de vrolijke kant. Behalve adviezen geven ze me ook verklaringen, waarom het water zo vies groen is: ik had de natuur haar gang moeten laten gaan: ‘je hebt het evenwicht verstoord, je had je er niet mee moeten bemoeien’, je had die kikkers er niet uit moeten halen’.

De jongste van het stel zegt niet zo veel, hij is wat bedachtzamer, hij zou wel een dichter kunnen zijn. Hij staat op en pakt zijn jas. Hij kijkt me vriendelijk aan en legt zijn hand op mijn schouder: “Je moet van je groene vijver gaan houden. Je moet groen water mooi gaan vinden”. Ik buig het hoofd. Ik zal mijn best doen.

verliezer

Ik ben een slechte winnaar. Ik stond met tennis een keer in sets met 2-0 voor en in de laatste set met 3-0. Ik verloor de partij met 5-3 in sets omdat ik niet door kon pakken. Ik verlamde met het zicht op een zo goed als zekere overwinning.

Winnen moet je kunnen. Verliezen ook. Niet tegen je verlies kunnen heet kinderachtig en onsportief. Ik vind dat onzin. Natuurlijk baal je als je verloren hebt en als vlak voor je neus de overwinning wordt weggekaapt.

Je moet het leren: verliezen. Of beter, je moet leren er mee om te gaan. Want maak je borst maar nat, wat ga je veel verliezen in het leven. En al lijkt het of er mensen zijn die altijd winnen, of, dat er nu eenmaal geboren winnaars zijn, ook topsporters verliezen over het algemeen meer dan ze winnen.

Vorige week won in de gemeente waar ik woon één partij met macht, één bleef min of meer gelijk, de andere vijf partijen verloren.

Opmerkelijk vond ik de openheid van de met name jonge verliezers: hoe teleurgesteld ze waren, hoe zuur het was, wat voor een kater, hoe het slikken was: “het valt niet mee.” Opvallend dat ze niet nalieten de winnaars hartelijk te feliciteren en succes te wensen, het juist wel nalieten om lelijke dingen te zeggen en niet met de vinger gingen wijzen. Ze eindigden zonder uitzondering met de belofte ‘na het likken van de wonden zich op een andere manier in te gaan zetten voor de inwoners’. ‘Als er deuren sluiten openen er vele nieuwe’, las ik. Ik ben het geloof in de politiek nog lang niet verloren. In tegendeel. Henrik Ibsen* zei het al: uit verlies wordt winst geboren.

* Ziel wees trouw en zie niet om, uit verlies wordt winst geboren.

Olga

Bang dat de oorlog ook hier komt, dat Russische legers ook ons land zullen binnenvallen ben ik niet. Op de één of andere manier voel ik geen angst daarvoor. Dat wil niet zeggen dat de oorlog me niet bezig houdt. Heel veel. Maar ik volg niet alle discussies, analyses en reportages over de oorlog. Het maakt me onrustig en moedeloos. Af en toe het laatste nieuws en met name berichten van journalisten ter plekke.

Zaterdagmiddag zag ik een reportage van Max EO Metterdaad. Ik zag hoe mannen en vrouwen over de grens kwamen aangelopen in Moldavië, hun kinderen in de arm of aan de hand of in de kinderwagen. Het sneeuwde een beetje, ze keken verdwaasd om zich heen: en nu? waar gaan we heen?, wat moeten we doen?

De Moldaviërs ontvangen de vluchtelingen hartelijk en warm. Goeie stevige bedden, warme maaltijden, een geriefelijk onderkomen.

Aan het woord kwam Olga: moeder van twee dochtertjes, haar man achtergebleven om mee te vechten. In aller haast was ze uit haar appartement gevlucht, met als enige bagage een koffer en twee boodschappentassen. Ze haalt een fotootje van haar onlangs overleden moeder tevoorschijn. Ze praat af en toe tegen de foto. Want er is niemand van haar familie die ze nog kan bereiken. Ze vertelt dat ze zich zorgen maakt of ze haar familieleden ooit nog wel terug zal zien, of ze ooit nog wel terug kan naar huis. Terwijl ze dat vertelt vallen er tranen. Haar oudste dochter slaat de armen beschermend om haar heen: ‘Het komt goed mama, ik hou van je.’

Ik moet er om huilen. Het beeld blijft me bij. De volgende morgen word ik er mee wakker.

Maar wat heeft Olga aan mijn bewogenheid. Aan mijn zorgen om haar. Ik doe mijn menselijke plicht van rechtvaardigheid: een bedrag overmaken, mijn bereidheid om mee te helpen kenbaar maken. Ik vouw mijn handen. Maar wat kan ik nou doen? ‘Kan ik iets voor je doen, kan ik iets voor je zijn?’

Ik wou dat ik een toverstokje had. Dan toverde ik Olga terug naar haar eenvoudige appartement samen met haar man en kinderen, haar aardige buren en lieve familie. Ik zou de zon laten schijnen, de bloemen laten bloeien en de vogels laten zingen. Samen met haar oudste dochter zou ze wandelen in het park met de hond aan de lijn. Haar man en jongste dochtertje zouden zwaaien van achter het raam. Er zou vrede zijn.

chrysanten

Morgen zijn de Russen vrij. Het is immers morgen 8 maart: Internationale Vrouwendag. Een dag die in Rusland massaal gevierd wordt. Een officiële feestdag, waarop de president de vrouwen toespreekt * ‘om ze te feliciteren met hun schoonheid en zorgzaamheid’.

In tegenstelling tot hier in het westen waar het op 8 maart vooral draait om de emancipatie en gelijke rechten voor de vrouwen, is het in Rusland (en ook in de Oekraïne) voornamelijk een commercieel feest waar bloemen en cadeautjes worden uitgewisseld. Bloemen voor je vrouw, je moeder, je buurvrouw en je collega. Appjes waarin de vrouwen onderling elkaar feliciteren met Vrouwendag en het begin van de lente wordt gevierd.

Nederlandse bloemenverkopers zitten met hun handen in het haar. Jaarlijks gaan er voor miljoenen bloemen naar het oosten van Europa rond deze tijd, maar dit jaar komen de bloemen het land niet in.

Het zijn vooral chrysanten die worden uitgedeeld aan elkaar. De bloem die staat voor geluk, vriendschap, gezondheid, eerlijkheid en een lang en gelukkig leven. Dat is mijn wens, nee het is een recht. Ieder mens heeft recht op een leven in vrede, met vriendschap en geluk. Iedere vrouw, iedere man, ieder kind.

* NOS 08-03-2021 Iris de Graaf: Vrouwendag in Rusland

een rat in het nauw

Vladimir en zijn vriendjes hadden een leuk spelletje ontdekt: op ratten jagen in het trappenhuis met een stok. Ratten genoeg in de sjofele flat in Leningrad. Ze rennen alle kanten op en weten niet hoe vlug ze weg moeten komen als de jongens met hun stokken ze achtervolgen. Een keer gebeurt er iets opmerkelijks. Als Vladimir een rat in een hoek heeft gedreven waar de rat met geen mogelijkheid uit kan komen en Vladimir weg wil lopen komt de angstige rat op hem af en vliegt hem naar de keel. De rollen zijn omgedraaid, de rat jaagt op de achtervolger. Vladimir weet ternauwernood te ontsnappen, maar zal dit moment nooit vergeten hoe hij als kind geconfronteerd werd met de woedende rat.

Dit verhaal uit de jeugd van Vladimir Poetin wordt regelmatig aangehaald ter verklaring van het gedrag van de Russische leider op dit moment. Hij voelt zich in het nauw gedreven en haalt uit.

Over de jeugd van Poetin is overigens niet zo veel bekend. Het heeft te maken met zijn banden met KGB en zijn eenvoudige achtergrond. Een strenge en tuchtvolle opvoeding zou hij later zeggen. Zijn vader raakte ernstig gewond in de Tweede Wereldoorlog. Zijn moeder, die alleen met haar kinderen in de stad achterbleef overleefde de belegering van Leningrad. De kleine Vladimir was de enige zoon die zou overleven, een zoon overleed kort na de geboorte, de andere stierf in de oorlog. Zijn moeder deed er alles aan haar kind te beschermen, kwam voor hem op als hij werd geplaagd of als het hem lastig werd gemaakt. Niemand moest het wagen haar kind te vernederen.

Dat hij later de grote onaantastbare leider van Rusland zou worden, omgeven door mensen die hem geen strobreed in de weg leggen, het hem niet lastig maken, jaknikkers, dat had zijn moeder vast nooit kunnen bedenken.

Hoe de oorlog in Oekraïne af zal gaan lopen, hoe daar uit te komen, hoe daar een eind aan te maken, het lijkt me goed het verhaal van de rat in het nauw in het achterhoofd te houden. Drijf de rat niet in het nauw, geef hem de kans weg te komen. Verneder hem niet, geef hem de kans zonder al te veel gezichtsverlies te ontsnappen. Niet vernederen…in waarde laten, anders planten we de zaadjes voor vervolgconflicten en escalaties. Ik bid de wereldleiders veel wijsheid toe. En ik bid voor het dappere Oekraïense volk en de dappere Russen die de straat zijn opgegaan om te demonstreren tegen deze brute oorlog. Houd vol, houd moed.

*Bron: HLN nieuws 2015 evenals de foto