
Het was zomer 1959. We waren nog niet zo lang geleden verhuisd van Katwijk naar Tilburg. Het was warm, het bleef warm, het werd heet. Het was wennen. We verlangden terug naar Katwijk, naar de zee, naar wind. Gek werden we er van. Zo heet. Geen water in de buurt. De gordijnen bleven de hele dag dicht, want langzaam maar zeker werd het in huis steeds warmer. Heet. In de tuin waren nog geen hoge bomen rondom het pas gebouwde Protestants Militaire Tehuis. Een schaduwplekje achter het huis was er wel maar waar bleef de wind?
Tenslotte verhuisden we de eettafel en stoelen naar de kelder onder het huis. Een grote donkere diepe kelder, waar de tl buizen aan moesten om elkaar te zien. We aten er en speelden er. Uiteindelijk gingen we er zelfs slapen op matrassen. Tussen de kratten frisdrank en bier en de blikken koek en koffie.
Ik vond het niet fijn. Ik vond het eng. Het benauwde me. Ik verlangde heftig terug naar Katwijk. Daar was het nooit zo heet geweest. Daar hadden we een grote tuin met een groen grasveld, met bloemen en struiken en hoge bomen. Ik had daar nooit nagedacht over het weer of de temperatuur, of de windkracht.
Ik kan me niet herinneren dat het na die zomer ooit zo heet was in Tilburg. Ik ging later op vakantie naar landen waar het veel warmer moet zijn geweest. En in het jaar 1976 was het ook heet. Toen was ik ook net verhuisd en was ik weer moeder geworden. Op school was een tropenrooster ingevoerd.
Al een paar zomers op rij is het heet. Blijft het heet. Eng vind ik het al lang niet meer. Ik vind warmte wel fijn. Een zonnige dag liever dan een sombere. Het toverwoord bij hoge temperaturen, en eigenlijk bij alle veranderingen, is: aanpassen. Tempo omlaag en in de middag siësta. De schaduw op zoeken en het water.
Maar het mag wel regenen af en toe. Heel hard. Heel lang. Heel heel veel.
En dan weer een zonnetje.
Foto: de weersvoorspelling voor de rest van de week vanaf Buienradar











