gelukkig

‘Ja wat is gelukkig.’ Mijn antwoord op haar vraag. Ergens op een terras aan de Grote Straat in Nijverdal op een zonnige dinsdagmorgen.

We hadden elkaar een paar jaar niet gezien: de Corona. Ze was voorzichtig aan komen lopen met een stok, maar van dichtbij zag ze er opvallend goed uit voor haar bijna 80 jaar. Een gladde huid, zacht golvend zilvergrijs haar en een heldere open blik. We hadden elkaar bestookt met vragen en daar was ook de vraag of we gelukkig waren.

Ik vertelde haar dat ik een week geleden een moment had gehad van compleet geluk. Ik was zachtjes het bed uitgekropen, had een broek en sandalen aangeschoten. Had voorzichtig de deur van ons appartementje aan de Tramstraat in Katwijk opengedaan. Mijn vriendin nog rustig en diep slapend achter latend. Door de Koningin Wilhelminastraat naar de boulevard gelopen en het strand opgegaan. De sandalen in de hand genomen en met blote voeten door het zachte zand naar de zee. Daar aan de rand van de zee werd ik overspoeld door een diep gevoel van geluk. De frisse lucht, het zachte ruisen van de golven, de zon, het milde licht, de kleuren, de hoge blauwe lucht boven een vlakke zee, de wijdte, de verte. Een moment van: mooier is er niet, mooier zal het nooit worden; een verlangen om op te gaan, te verdwijnen in dit moment.’ “Ik moest huilen, lieve zachte tranen”,

‘Dat geluk was een een top moment, daar kun je niet altijd zijn, dat kun je ook niet opzoeken. Verder denk ik dat ik redelijk tevreden ben met mijn leven. Ik mag niet klagen. Al is het af en toe hard werken en tobben. In een bedding van tevredenheid open staan voor het geluk dat zo maar aan kan komen waaien.’

‘Schaars zijn de momenten, en ook nog goed verborgen, zoeken heeft dus nauwelijks zin, maar vinden wel. De kunst is zo te leven dat het je overkomt, af en toe.’ Ze citeerde het gedicht Kunst van Martin Bril en ik kon het samen met haar hard op zeggen. We lachten en constateerden dat dit moment misschien wel zo’n moment was. Op een terras aan de Grote Straat in Nijverdal. Op een zonnige dinsdagmorgen.

Foto: Katwijk, 16 juni 2022 07.05 uur

no reply.ns

Soms droom ik dat ik ergens ben en de weg naar huis niet kan vinden. Ik zoek en dwaal, kom er niet uit. Ik word dan angstig wakker en moet dan nog even bijkomen van het gevoel van paniek. Het lijkt me het ergste wat me zou kunnen overkomen bij het ouder worden: dat ik ergens terecht kom waar ik niet wil zijn en waar ik niet weet uit te komen.

Vorige week maakte ik een reis met de trein naar mijn geboorteplaats. Een paar dagen naar zee in een gezellig appartementje van Steeds aan Zee aan de Tramstraat in Katwijk. Ik had besloten toch maar weer eens met de trein te gaan. Wel zo makkelijk en comfortabel. Bij het uitchecken ontdekte ik dat er iets mis was met de afrekening van de reis. De 40% korting was niet geëffectueerd. Er begon een langdurige dwaaltocht naar hoe dat kon. Uren op mijn mobieltje. Tot ik door mijn vriendin tot de orde geroepen werd. “Stop er mee, laat iemand je helpen, kom naar zee!”

Een dag later opnieuw de zoektocht ondernomen. Dezelfde problemen: Een chatsessie die plotseling afgebroken wordt, een pagina waar helaas iets misgegaan is (probeert u het later nog een keer), een knoppenmenu waar jouw specifieke probleem niet tussen zit. “Mailen!” “Bel ze!” Ik krijg adviezen, die ik zelf al uitentreuren had geprobeerd. Mijn neef die op het terras van Het Strand zorgvuldig zijn slibtongetje oppeuzelt, kijkt me glimlachend aan: “Vergeet het maar tante, u denkt dat u met een mens communiceert, maar u hebt te maken met een computer. Als die er niet uit komt heb je pech. Bij de NS zit geen persoon aan de telefoon.”

Ik hou het even voor gezien. Heeft de bibliotheek niet een speciaal spreekuur voor reizen met het openbaar vervoer? Ik heb daar voorheen nogal lacherig over gedaan. Ik zoek het op: Iedere 1e woensdag van de maand inloopspreekuur in de ZINiN Bibliotheek. Ik kan er terecht met al mijn vragen over het Openbaar Vervoer. Het staat genoteerd op de kalender.

de gordel van smaragd in Denekamp

Wie ben je, wat verwacht je en wat hoop je door te geven als je hier weer vertrekt zondag? Het zijn de vragen van zuster Christella aan het begin van onze teamdagen in het klooster van de zusters Franciscanessen in Denekamp. Ook de andere zusters doen mee met het ‘rondje‘. Tegenover ons zitten een afgestudeerd theologe, twee leraressen en een vroedvrouw. Christella de leidster van de nonnen presenteert zich als ‘van de administratie.’ Zij, de zusters, verlieten hun vaderland Indonesië om ergens in het oosten van Nederland te gaan dienen zoals de oudere medezusters verzorgen en het aanbieden van retraites en een gastvrij onderkomen. In Coronatijd, toen er geen gasten kwamen knapten ze met elkaar eigenhandig het meubilair op. Hun dag bestaat uit het volgen van de getijden gebeden en het verrichten van hun taak, die heel vaak bestaat uit eenvoudige klusjes: nederig werk. ‘De eerste maanden hier in Nederland mocht ik niks doen, alleen maar de taal leren en het huishouden’, verzucht één van de zusters. Niet meer het werk doen waar je voor bent opgeleid, ver weg van je familie, je land, in een klooster tussen de landerijen in een koud land met mensen die je niet kunt verstaan.

Ik dacht aan de tijd dat zendelingen en missionarissen de Blijde Boodschap gingen brengen in verre landen zoals Indonesië en realiseerde me dat nu het omgekeerde was gebeurd. De zusters houden er wel een geheel andere manier van het geloof uitdragen op na dan onze gedreven voorouders indertijd. Het woord God heb ik tijdens het verblijf nauwelijks gehoord buiten de vieringen om. Wel heb ik gezien hoe geliefd en gewaardeerd en gekend de zusters zijn in het klooster en hun omgeving. Tijdens een fietstochtje door het schone Twentse land worden ze begroet door iedere voorbijganger en het verschijnen van hun wapperende habijt en kap levert onveranderlijk een blij gezicht op. Als we langs een camping fietsen vertelt een zuster dat ze daar onlangs op bezoek zijn geweest met de uitnodiging om een keer te komen eten en eventueel een rondleiding mee te maken. Er werd enthousiast gebruik van gemaakt en met name van het vraaggesprek achteraf, waar men alles, echt alles mocht vragen zoals: of ze echt helemaal niks verdienden, of ze toestemming moesten hebben om naar de dokter te gaan, of nieuwe schoenen aan te schaffen; of ze hun familie niet misten; of ze het niet jammer vonden dat ze geen moeder konden worden; of ze wel eens verlangden naar de liefde van een partner; of ze wel gelukkig waren.

Zuster Christella vertelde dat het leven in het klooster heel mooi is maar ook heel zwaar: ‘ Iedere dag moet je opnieuw beginnen, maar, kun je ook opnieuw beginnen. Je moet het laten zien, niet te veel praten en vooral niet proberen te overtuigen. Gewoon zijn wie je bent.’

Het is zaterdag avond. Op het grasveld achter de kerk speelt het team uit Nijverdal tegen het team van de zusters: Kubbs een soort kegelspel. Natuurlijk winnen de zusters. Ze zijn fanatiek en spelen vals als het ze uitkomt. Ze lachen en gieren en moedigen elkaar aan. Het zijn net jonge honden, kalveren in de wei. Ze high-fiven als ze gewonnen hebben en maken een ronde dans in het groene gras.

Als ik aan het eind van ons verblijf de vragen van zuster Christella zou moeten beantwoorden zou ik willen zeggen: ik heb met bewondering naar jullie gekeken, hoe jullie hier in dat sterk geseculariseerde Nederland laat zien hoe je sober en eenvoudig kunt leven, ‘zelfloos’ kunt zijn, blijmoedig en vrolijk aanwezig. Wat toewijding en aandacht vermag. Hoe je zonder te preken geluk en liefde kunt geven. En misschien wel een glimp van God kan laten zien. En dat jullie kunnen zingen als nachtegalen. Dat ga ik doorgeven. In mijn Wiske!

Dank je wel Christella, Klarina, Virgine, Reinalda, Mariela en Augustine! Het was fijn bij jullie te zijn. Pax et Bonum. Vrede en alle goeds.

Team Kleine Kapel Nijverdal is het pioniersteam van PG Nijverdal dat vorm geeft aan De Kleine Kapel aan de Noetselerweg, een plek van stilte, vrede en rust.

Gordel van smaragd, bijnaam van Indonesië. De schrijver Multatuli noemde Indonesië de gordel van smaragd, omdat het land vergelijkbaar is met een parelsnoer van ontelbare kleine eilandjes. Samen vormen ze een schitterend geheel van oude cultuur en overweldigend natuurschoon. ( Wikipedia)

Het Franciscushuis in Denekamp is het gastverblijf van het klooster in Denekamp.

Pax et Bonum: de vredegroet van Franciscus, die hij iedereen die hij tegenkwam toewenste.

Foto: Het team van de zusters bij het spel Kubbs.

worden wie je wilt zijn

Op de site van de plaatselijke scholengemeenschap wordt vermeld dat dit de school is ‘waar je mag zijn wie je bent’, dat je hier mag ‘worden wie je wilt zijn’.

De schrijver Edouard Louis deed het: worden wie hij wilde zijn. Geboren in een armoedig, kansarm gezin in Noord Frankrijk, deed hij er alles aan niet zo te worden als zijn ouders. Op de middelbare school in Amiens, onder de hoede van een meisje en haar familie uit een hogere klasse oefende hij te worden zo als zij: een welopgevoede jongeman uit de hogere klasse. Hij kleedde zich als zij, ging zo spreken, nam hun manieren over, las hun boeken. Minitieus bestudeerde hij de mensen om hem heen. Een middag lang oefende hij met zijn welgestelde vriendin te eten met mes en vork, hoe te snijden, hoe het stukje brood aan de vork te prikken, hoe het naar je mond te brengen, hoe te kauwen en te slikken, hoe mes en vork terug te leggen op je bord. De hele dag was hij geconcentreerd bezig te zijn zoals zij en alle sporen van zijn armoedige en verfoeilijke jeugd uit te wissen. Hij veranderde zelfs zijn naam.

Het is hem gelukt: hij heeft ook de elite op de middelbare school in Amiens achter zich gelaten, is naar Parijs gegaan en heeft het ver geschopt: hij verkeert in de hoogste kringen van Frankrijk, is een gevierd schrijver en volgens de achterflap van zijn laatste boek ‘één van de belangrijkste en toonaangevende schrijvers van zijn generatie.’

Weet je wie je bent? Wie je ten diepste bent? Kun je worden wie je wilt zijn? Er wordt wat af geopereerd om te worden wie je wilt zijn, en we mediteren en piekeren wat af om er achter te komen wie we nou echt zijn.

Ik zag een vrouw in het zorgcentrum haar bord aflikken en dacht aan de eetgewoonten in ons gezin vroeger. We prakten ons eten met een vork en husselden alles door elkaar, we aten met de lepel en als het erg lekker was likten we ons bord af, vaak zetten we ons bord onder de tafel voor de hond om de laatste restjes schoon te likken. Toen ik ouder werd leerden mijn grote zussen hoe de tafel te dekken en hoe netjes te eten. In het begin vond ik het eten niet eens lekker met groenten, vlees en aardappelen apart. De lelijke Katwijkse ei, die klinkt als aai heb ik op de kweekschool afgeleerd bij de spraakleraar, ‘hen en hun’ weet ik hoe dat moet en het verschil tussen kennen en kunnen had ik snel onder de knie.

Hoe ver moet je gaan met je zelf veranderen en kan dat eigenlijk wel? Moet dat eigenlijk wel? Jezelf zijn wat is dat eigenlijk?

Edouard Louis schrijft in zijn boek over zijn leven nu, als gevierd auteur, behorend bij de klasse, waar hij zo graag bij wilde horen, maar uiteindelijk nooit echt ‘één van’ werd: Ik heb geen heimwee naar de armoede, maar wel naar de tijd dat mijn grootste droom was een brommer te hebben, net als de andere jongens, om naar de McDonalds te kunnen gaan. Naar de tijd dat mijn moeder haar schouders ophaalde en zei Wat een rot leven hebben we toch.

Foto: Edouard Louis op de achterflap van het boek: Veranderen methode. Edouard Louis(1992) werd geboren in Noord Frankrijk als Eddy Bellegueulle.

ploggen na het feest

De moeders hadden zich de longen uit het lijf gefeest op Dauwpop. Ze waren nog ‘brak’ na de Nacht van Nijverdal. Maar zaterdagmorgen hadden ze al vroeg hun kinderen uit bed getrommeld. ‘Kom op, er uit, we gaan ploggen’. Tussen de biertjes door hadden de moeders de dag ervoor met elkaar afgesproken weer regelmatig te gaan ploggen en voortaan de kinderen mee te nemen.

Ploggen is een samentrekking van het woord joggen en plocka, wat verzamelen betekent. Al ploggend ruim je alles wat je tegenkomt direct op. Het is in korte tijd razend populair geworden. In onze gemeente zie je het overal. Langs de Regge, in het bos, langs de fietspaden: mensen met een plastic zak en een grijpertje in de hand. Er worden foto’s van geplaatst op de social media. Vooral om mensen aan te sporen hun rotzooi op te ruimen, maar ook om mensen aan te moedigen hetzelfde te doen, mee te doen met onze omgeving schoon en opgeruimd te houden.

De jonge moeders hadden in het water een moeder gans met jonge gansjes gezien, zwemmend tussen allemaal plastic. De harde wind van de afgelopen tijd had veel bouwafval, met name plastic, het water ingeblazen. Daar, op het industrieterrein, zouden ze beginnen en gelijk zaterdagmorgen.

In anderhalf uur verzamelden ze 8 vuilniszakken vol afval.

En zo mooi is het geworden, foto maandagmiddag

de juf van de zondagsschool

Met kerst kreeg je een sinaasappel, een kerstkransje en een boekje. Dat kan ik me nog goed herinneren. Maar verder weet ik niet veel meer van de zondagsschool die ik als kind toch iedere zondag bezocht moet hebben. Dat was het gebruik in de 50er jaren in de protestantse kerken: na de reguliere kerkdienst gingen de kinderen naar de zondagsschool in een zaaltje achter de kerk. Daar vertelde een juf of een meester een bijbelverhaal in eenvoudige taal, daar werden kinderliedjes gezongen en geen psalmen. Ik denk dat ik het in tegenstelling tot de meeste kinderen helemaal niet erg vond om naar de kerk te gaan. In tegendeel, ik vond het een van de mooiste uren van de week. Dicht tegen mijn vader aan op de bank een beetje voor in de kerk, altijd dezelfde bank, naar de glas-in-loodramen kijken, luisteren naar het orgel en kijken naar de mensen, mijn hand in de hand van mijn vader in zijn frisse gladgestreken hagelwitte overhemd. Ik denk dat ik net zo lief naar huis was gegaan na de kerkdienst in plaats van naar de zondagsschool. Lekker thuis luisteren naar de gesprekken over de preek bij de geur van koffie met zelfgebakken cake van mijn moeder.

De zondagsscholen verdwenen, er kwam de kindernevendienst voor in de plaats: voor de preek, die over de hoofden van de kinderen heen ging, verlaten de kinderen de grote kerkzaal, waar ze in een zaaltje naar een verhaal luisteren, of tekeningen maken, iets creatiefs doen of wat dan maar ook. Het was een groot succes: ouders konden rustig de preek volgen, hoefden niet tijdens de preek hun kinderen in het gareel te houden en de kinderen gingen graag mee met hun ouders naar de kerk omdat het zo leuk was in de kindernevendienst.

Anno 2022 zitten de kerken niet meer vol, is het aantal kinderen soms op één hand te tellen en is er slechts één kindernevendienst in de gebouwen van de protestantse kerkelijke gemeenschap in Nijverdal. Daarom werd gister afscheid genomen van vier dames die verantwoordelijk waren voor de kindernevendiensten in het andere gebouw. Één van de dames was meer dan 50 jaar actief geweest; begonnen als zondagsschooljuf in de 70er jaren, later in de kindernevendienst. Een andere dame bijna 40 jaar! In de feestelijke dienst ter gelegenheid van de intrede van een predikant werd het extra feestelijk toen de dames in de bloemetjes werden gezet. De bomvolle kerkzaal klapte langdurig. Het werd een staande ovatie.

Op de reünie van mijn school, vroeg iemand wie er nog naar de kerk ging. Ik was de enige die de hand op stak. Naast mij zat mijn vriend M, met wie ik regelmatig contact heb. Hij is een verklaard godshater, om over de kerk maar te zwijgen. Hij heeft sowieso weinig goeds over zijn jeugd te vertellen. School was ook een plaag, behalve, en nu steekt hij zijn wijsvinger in de lucht: ‘de zondagsschool dat vond ik prachtig daar was een juf, die was aardig en lief, ze kon heel mooi vertellen, nee de juf van de zondagsschool..’, hij maakt zijn zin niet af, hij zucht. Zijn gezicht wordt zacht.

Foto, Anja Wevers, 22-5-2022, Het Centrum Nijverdal, van links naar rechts: Marga Reimink, 40 jaar, Dianne Reimert, 15 jaar, Jorien Bakhuis, 32 jaar en Henny van Eijzeren, die meer dan 50 jaar actief was.

Noaberschap

Op de terugweg zondagmiddag door het juichende Twentse land realiseer ik me dat in het gesprek met Lale Gul het woord ‘noaberschap’, het thema van het Lutterzand Literairfestival op zaterdag 14 en zondag 15 mei, niet gevallen is. Op zaterdag viel het woord, al of niet juist uitgesproken, en hoe spel je het eigenlijk, veelvuldig. De journalist Obbema hoorde ik het zeggen: ‘alle mensen verlangen er naar ergens bij te horen.’ De Iraanse schrijfster Sholeh Rezazadeh vertelde over de warme familiebanden in haar land: ‘mijn oma is nooit alleen, er is altijd een kind of kleinkind bij haar.’

Lale Gul komt uit een gemeenschap waar het naar elkaar omzien en voor elkaar zorgen vanzelfsprekend is. De hoofdpersoon Busra in het boek ‘Ik wil leven’ poetste en boende al van jongs af aan in het huisje van haar oma. Maar haar boek is één grote aanklacht tegen een gemeenschap waar de regels onverbiddelijk zijn, de geloofsleer leidend en de mannen dominant. De andere kant van die warme gemeenschap, waar niet het ‘ik’ voorop staat maar het ‘wij.’ De gevolgen voor de schrijfster liegen er niet om: uit de familie gevallen en dagelijks bedreigingen. Voortaan altijd een beveiliger in de buurt.

Haar verhaal staat niet op zichzelf. We kennen allemaal mensen die uit hun familie werden verstoten omdat ze anders waren of zelf hebben gebroken met hun familie omdat ze verstikten, niet vrij waren, omdat ze zich anders voelden, eenzaam op de plek waar ze zich thuis en geborgen zouden moeten weten. Breken met je nest, de omgeving waar toe je behoorde is een gevaarlijke onderneming, waarvoor je vaak een hoge prijs moet betalen.

In de geïndividualiseerde samenleving waarin wij leven proberen we een beetje naar de ander om te zien, ‘noaber’ te zijn: in familieverband, vrienden, buren, clubjes, de kerk, de muziekvereniging, de sport. En je mag zijn wie je bent. De regels zijn niet zo strak als vroeger: flexibel zijn en respectvol. En af en toe een moment van diepe verbondenheid ervaren met elkaar. Op een late zaterdagmiddag in mei op het gras bij boer Frans Zanderink in De Lutte waar we ademloos luisterden naar Manon Uphoff: vallen is als vliegen.

het kompas van goed en kwaad

Op een dag moet Kurt Gerron zich melden bij de hoogste baas, Obersturmfuhrer Rahm. Of hij een film wil maken over het leven in Theresienstad. Hij begrijpt dat het niet een film moet worden over de ontberingen in het getto. Nee, het is de bedoeling Theresienstadt af te beelden als een plaats van vrede en geluk. Een propaganda film met de vriendelijk lachende Herr Rahm als de architect van het kleine paradijs. Acteur en filmmaker Gerron weet dat weigeren transport naar Auschwitz zal betekenen, meewerken zelfverloochening en verraad aan zijn kunstenaarschap.

In de roman over dit waar gebeurde verhaal beschrijft Charles Lewinsky de worsteling met het dilemma van de hoofdpersoon. Gerron wikt en weegt, en begint toch aan de film, om het leven van hem en zijn vrouw te redden. Hij sust zijn geweten met het feit dat ook alle medewerkers en acteurs in de film verzekerd zullen zijn van vrijstelling van transport.

Historicus Hans Goedkoop sprak in de 4 mei lezing over ‘het puntgave kompas voor goed en kwaad.’ De worsteling van Gerron laat zien dat het lezen van het kompas niet zo eenvoudig is. Wat is goed? Wat is kwaad? Kun je dat precies zeggen, is dat altijd zo duidelijk? Zelfs achteraf kun je je afvragen wat zou nu de juiste beslissing zijn geweest? Geeft je innerlijke stem je de juiste richting aan?

‘Het komt er op aan het goede te doen’, gaf Goedkoop ons mee. Weet u het, weet jij het wat het is, het goede, het juiste, het eerlijke, het rechtvaardige? En. Is er eigenlijk wel een gezamenlijk kompas van wat is noord en wat is zuid als het gaat om goed en kwaad? Wat geeft het kompas aan in een chaotische wereld, in de kakefonie van meningen en oordelen? Je laten zien, je laten horen? Opkomen voor? Er van wegblijven? Het maar laten gebeuren? Maar een beetje op je eigen postzegel het beste er van maken? Wat is het puntgave kompas van goed en kwaad, waar kan ik dat vinden?

* Charles Lewinsky: Terugkeer Ongewenst, het deels waargebeurde, deels fictieve levensverhaal van de Joodse acteur, entertainer en regisseur Kurt Gerron, die in de jaren twintig en dertig in Berlijn grote triomfen vierde. In 1933 vlucht hij naar Nederland, waar hij aan Nederlandse speelfilms meewerkt. In 1943 wordt hij opgepakt samen met zijn vrouw Olga. Via Westerbork komt hij in Theresienstadt terecht. Met de bevrijding in zicht wordt hij van het filmproject afgehaald en alsnog samen met zijn vrouw en alle medewerkers aan de film naar Auschwitz gestuurd. Op 30 oktober 1944 wordt hij en zijn vrouw vermoord. Drie dagen later werd het vergassen definitief gestaakt.

*De film over Theresienstadt werd later gemonteerd en van muziek voorzien door Ivan Fric.

bijknippen

‘De trein staat stil in Almelo, trein moet wachten op werkzaamheden. Gaat wel even duren…

Appje op mijn telefoon. Ik sta met mijn auto voor het station in Enschede om mijn vriendin uit Hilversum op te pikken. We gaan een paar dagen oppassen op de hond en de kat van mijn zoon en vanuit zijn huis uitstapjes maken. Het weer zit mee. De zon straalt en met een vest aan kun je buiten lopen zonder jas. Ik besluit de auto een eindje verderop te parkeren waar het gratis parkeren is en vraag vriendin te appen als ze op weg is naar Enschede. Als ik een plekje voor de auto heb gevonden loop ik de stad in en geniet van de stad. Ik vind een koffietentje met een terras in de zon, en uit de wind, met goeie sterke koffie, en een lekker citroengebakje. Ik lees een krantje en kijk naar de voorbijgangers. Uit de boxen hoor ik Eagle van Abba. Wie maakt mij wat op deze stralende donderdag na Koningsdag!

Na een uur krijg ik weer een appje: ‘verstopping zit tussen H. en Enschede. Ik ga bus proberen. Die gaat via Hengelo naar CS Enschede’.

App maar als je op het station bent! app ik terug

Ik besluit om niet de stad in te gaan, ook niet terug naar huis maar even bij de kapsalon een eindje verderop naar binnen te wippen. Naast de Tattooshop en het Turkse restaurant zag ik op de heenweg een Dames en Herenkapsalon waar het niet druk was en de deur open stond. Even de vlossen uit mijn nek wegscheren en randjes bijknippen. Als ik binnenkom zijn op dit moment beide heren druk aan het knippen. Op mijn vraag of ik zo even kan worden ‘bij’geknipt, alleen mijn nek en bij de oren, hoor ik dat ik even moet wachten. Het ‘even’ is 20 minuten en net als ik overweeg om toch maar op te stappen, word ik uitgenodigd op de kappersstoel.

De Turkse kapper is geen Eus. Hij stelt één vraag: Moet het boven de oren. Ik wijs met mijn vinger aan: ‘ja zo precies boven de oren.’ Dan begint hij. Zwijgend. Geconcentreerd. Al binnen een paar seconden weet ik dat dit niet gaat worden wat ik bedoelde. Mijn haren worden alle kanten opgekamd en ik hoor alleen maar het knippen van de schaar. Plukjes haar vliegen langs me heen. Een razende tondeuze. Twintig minuten later verlaat ik met een jongenskop de kapsalon. 2 Jaar geprobeerd mijn haar een beetje op lengte te krijgen. In 20 minuten weggeknipt. Terwijl ik naar het station loop, ik heb net een appje gekregen dat vriendin op het station is, vraag ik me af wat dat nou is met mij en die aardige kapper: waarom heb ik me als een schaap laten scheren?, ben ik niet duidelijk geweest?, had ik moeten roepen stop?, waarom zo verlamd? En wat nu?

De dichter Rumi zegt, dat we als mens een herberg zijn; dat we alles moeten verwelkomen met een glimlach; dankbaar moeten zijn voor wie of wat er op ons afkomt: Een vreugde, een depressie, een benauwdheid, verwelkom ze allemaal en onthaal ze gastvrij. Misschien ruimt hij wel bij je op om plaats te maken voor extase. Dat geeft lucht, laat ik die onverwachte rigoureuze knipbeurt maar als een kans zien. ‘Lekker fris en makkelijk en ach het groeit wel weer aan.’

Op de trappen voor het station zit vriendin met haar rode koffertje naast zich op me te wachten. We omhelzen elkaar na 2 jaar: Fijn dat je er bent! We kijken elkaar aan. ‘Wat is je haar kort’, zegt ze als ze in de auto stapt. Ze fronst haar wenkbrauwen.

Jarig

Vandaag zijn ze jarig. Anna en Lola. Anna wordt 12, Lola 11. Ze krijgen vandaag het dagboek van Anne Frank.

Anne Frank kreeg op haar 13e verjaardag (12 juni 1942) een dagboek. Ze schrijft dan in haar dagboek: Ik zal hoop ik aan jou alles kunnen toevertrouwen, zoals ik het nog aan niemand gekund heb, en ik hoop dat je een grote steun voor me zult zijn.

Nog geen maand later zal Anne onderduiken in het Achterhuis, waar het schrijven in haar dagboek de belangrijkste afleiding en vluchtplaats zal worden voor haar, het jongste kind tussen volwassenen in een kleine ruimte. Het helpt haar de dagen door. Ze gaat schrijven over gebeurtenissen, wat ze voelt en wat ze denkt. Ze schrijft korte verhalen en begint een roman. Ze houdt een Mooie-Zinnenboek bij.

Op 28 september 1942 schrijft Anne in haar dagboek: Ik heb tot nu een grote steun aan je gehad, en ook aan Kitty, die ik nu geregeld schrijf. Deze manier om in mijn dagboek te schrijven vind ik veel fijner en nu kan ik het uur haast niet afwachten als ik tijd heb om in je te schrijven. Ik ben o zo blij dat ik je meegenomen heb!

Anne schrijft aan een denkbeeldige vriendin, Kitty, voor wie ze geen geheimen heeft, alles wat er gebeurt, alles wat er in haar omgaat deelt ze met Kitty. Wij, de lezers, wij werden haar Kitty. En we zijn met velen. Het dagboek van Anne Frank werd in meer dan 70 landen uitgegeven. Samen met voetballer Johan Cruijff en de kunstenaars Rembrandt en Van Gogh behoort ze tot de bekendste Nederlanders in de wereld.

Ik hoop dat mijn kleindochters het boek zullen gaan lezen. Desnoods steeds een klein stukje of een paar bladzijden. Ze zullen ontdekken dat ze dezelfde dingen meemaken en dat ze ook wel op haar lijken. Dat schrijven een hele fijne manier is om te vertellen en te ontleden wat er in je omgaat. Dat je niet oud hoeft te worden om wijs te zijn. Dat Anne een bijzonder meisje was, dat nooit de moed op gaf. Dat je verschillende kanten kunt hebben die soms irritant kunnen zijn. En hoe belangrijk het is dat je alles, echt alles kunt zeggen tegen iemand, een vriend, een buurvrouw, een juf, een collega of misschien wel je opa of je oma.

Ik weet precies hoe ik zou willen zijn, hoe ik ook ben… van binnen, maar helaas ik ben het enkel voor mezelf. En dat is waarom ik mezelf een gelukkige binnennatuur noem en andere mensen me een gelukkige buitennatuur vinden. Van binnen wijst de reine Anne me de weg, van buiten ben ik niets dan een uitgelaten geitje. ( Laatste bladzijde uit haar dagboek, 1 augustus 1944, aan Lieve Kitty van Je Anne M. Frank.)

* Anne Frank sterft van uitputting in Bergen Belsen februari 1945