
Ieder jaar zijn het weer dezelfde omtrekkende bewegingen. ‘ Is mij niet gelukt hoor, een gedicht, niet erg hoop ik?’ ‘Dit jaar maar een keer afschaffen die gedichten?’ Ik trap er niet meer in. Want natuurlijk zijn er ook dit jaar weer gedichten. Gedichten waar met nieuwsgierigheid naar wordt uitgekeken. Die hardop worden voorgelezen. Waar ademloos naar geluisterd wordt. Die van commentaar worden voorzien bij het oplezen. En die een luid applaus krijgen aan het eind. De gedichten zitten vol waarschuwingen, adviezen en plagerijen, maar ook wijze levenslessen en woorden van dankbaarheid met aan het eind steevast liefdevolle groeten.
Het waren weer hele mooie gedichten. Op papier met plaatjes en via een linkje op je telefoon.
Vreemd als je er over nadenkt. Dat je als volwassen personen in de huid van een verzonnen figuur een brief schrijft aan elkaar. Samen liedjes gaat zingen voor een zogenaamde ‘Sinterklaas’ die van alles over jou weet. En dat je met zijn allen in die fantasie meegaat en meedoet. Speelt. Zoals vroeger. ‘Dan was jij … en ik schreef aan jou een brief.’ Gek eigenlijk. Maar vooral heel erg leuk.
Mijn oudste zoon begint al jaren zijn gedicht met precies dezelfde zin. Dat ik weer een jaartje ouder ben maar nog altijd even ‘fief.’ De zin erna eindigt op hartendief. Dan volgt een beschrijving van hoe hij mij het afgelopen jaar heeft waargenomen en hoe hij daar naar kijkt. Toen ik hem vroeg waarom hij altijd met dezelfde zin begint kreeg ik als antwoord dat het een test is. Zolang ik die eerste zin van zijn Sinterklaas gedicht ieder jaar nog herken, hoeft hij zich geen zorgen om mij te maken.