
‘Papa, papa!’, roept het jongetje. Op de Middellandse Zee dreigt een schip met honderden vluchtelingen aan boord te kapseizen. Een boot van Amnesty International rukt uit met sloepen en reddingsvesten. Een reddingswerker geeft via een megafoon instructies. De mensen moeten de oranje reddingsvesten aandoen en goed luisteren: ‘We gaan jullie allemaal veilig aan land brengen, maar jullie moeten de instructies volgen.’
Eén voor één worden de vluchtelingen overgeheveld vanaf de gammele boot in de sloepen. Één van de eersten is een jongetje. Hij schreeuwt het uit, hij wil niet gescheiden worden van zijn vader: ‘papa, papa!’ Op de boot wordt geschreeuwd, geroepen, geduwd. Een half uur later vaart de eerste sloep naar de kust terug, propvol met enkele tientallen vluchtelingen aan boord. De gammele boot met de achtergebleven vluchtelingen in de verte. In doodse stilte zitten de mensen tegen elkaar aan. Ook het jongetje is stil.
‘Als kind was ik heel bang’, zegt de bijna honderdjarige vrouw. Het is het antwoord op de vraag van de dokter die aan haar bed zit. Nee bang om dood te gaan is ze niet. Ook nu ze weet dat de dood heel dicht bij lijkt te komen. Ja ze had graag honderd geworden, maar als het niet zo is, is het goed. ‘Ik heb een mooi leven gehad. Nee bang? Ja soms kan ik niet slapen en dan kan ik me zorgen maken om mijn kleinkinderen en achterkleinkinderen. Dat ze niet uitglijden op de fiets, of gepest worden. Dat ze gelukkig worden, hun werk houden. Dat ze geen gevaarlijke dingen doen. Ja dan ben ik wel bang. Dat ze geen oorlog hoeven mee te maken, of een natuurramp. Gek hè? Vanmorgen werd ik wakker en toen zag ik een blauw zwaailicht in de verte en toen dacht ik gelijk het zal toch niet voor één van mijn kleinkinderen of achterkleinkinderen zijn?’ ‘En toen was het voor u’, lacht de arts. ‘Maar ik stuur de ambulance weer weg, u blijft gewoon thuis.’