goeie mensen

Het was jaren geleden dat ze hem gevraagd hadden. Een mevrouw van de kerk: Kees zou jij? Een mevrouw helpen die in de schulden zat. ‘Haar financiën niet op orde’, had de vrouw van de kerk gezegd.

Ach, Kees wou dat wel. Net gepensioneerd en hij was de beroerdste niet. Hij had er ook aardigheid in gekregen. En het was hem gelukt ook nog. Na ruim een jaar kon hij de vrouw zeggen dat het tijd was om het nou zelf te doen en dat hij alleen nog maar langs zou komen om een kopje koffie te drinken. Iedere keer dat hij dat deed overlaadde de vrouw Kees met dankbetuigingen en zei ze: ‘ Je bent een goed mens Kees, je bent vriendelijk en streng, en dat heb ik nodig, iedere keer als jij komt denk ik er weer aan om precies te zijn met mijn centjes.’ Af en toe belde ze Kees als er iets was wat ze niet snapte. Dat had Kees ook gezegd dat ze moest bellen als er iets was. Daarbij had Kees met zijn vinger in de lucht gezwaaid en streng gekeken vanachter zijn grote brillenglazen.

Vorige week had ze gebeld. Ze was uitgegleden in de straat en durfde geen boodschappen meer te doen. Zou Kees?

Op het keukenblad had het klaar gelegen: de tas, het boodschappenlijstje, de pinpas. Weer had ze hem op allerlei manieren bedankt: ‘Neem ook een bloemetje mee voor je vrouw Kees.’ Toen Kees het pinpasje in zijn jaszak stopte, keek hij haar aan. Hij boog voorover , kneep zijn ogen samen en legde zijn hand op haar schouder: ‘Misschien moet ik jou wel bedanken, dat je me zo vertrouwt dat je me zo maar je pinpasje meegeeft.’ Ze keken elkaar zwijgend aan. Kees knikte.