
Ze waren altijd samen. Als de bel ging stoven ze de school uit. Dan gingen ze rennen, voetballen, hutten bouwen of karren in elkaar zetten. Vrienden. Allebei anders. Heel anders zelfs maar echte vrienden. Toen ze na de lagere school allebei naar een andere school gingen veranderde dat niet. Na school, na het huiswerk, zochten ze elkaar op en gingen ze verder met timmeren, met bouwen, brommers in elkaar zetten en vissen.
Alles veranderde toen Piet verliefd werd. Jan kan het zich nog goed herinneren. Hoe de belangstelling van Piet verdween. Hoe hij ellenlange verhalen over het meisje aan moest horen. En hoe hij soms tevergeefs wachtte op Piet. ‘Oh sorry, maar..’ Hoe het contact langzaam maar zeker verwaterde. En hoe ze bij elkaar zaten en Jan voelde dat het weg was, voorbij was, nooit meer hetzelfde zou zijn. Hij voelde zich in de steek gelaten. Jaren later, toen Piet getrouwd was met een heel ander meisje en Jan met een lief aan zijn zij, gingen ze nog wel eens bij elkaar ‘op visite’. Dan praatten ze over de kinderen en hun werk en over de voetbal. Maar het was niet meer zo als vroeger. Dat was voorbij.
Toen Piet weduwnaar werd ging Jan er af en toe langs. Om een kopje koffie te drinken. Dan hadden ze het over vroeger. Hoe leuk ze het hadden en hoe mooi het was. Dat waren momenten dat het er weer was. Zoals het was. Ooit vroeger. Twee kameraden, gezworen kameraden.
Vandaag loopt Jan door een tehuis. De Berkenhof. Hij gaat op bezoek bij Piet. Hij moet door lange gangen en komt langs allerlei ruimtes met oude mensen. Deuren zwaaien open en gaan achter hem dicht. Voor Piet komt, moet Jan wachten in de ‘huiskamer’. Daar zitten mensen op de bank bij een heel groot tv-scherm. Het lijkt of ze alleen maar voor zich uit staren. Alsof ze niets zien, alsof ze niets horen. Piet komt binnen met een ‘begeleider.’ Hij knikt naar Jan. ‘Dag meneer.’
*Vriendschapsverdriet, noemde dichter Ellen Deckwitz het gevoel dat bij haar bovenkwam bij het gedicht van Hans Lodeizen

*Foto: La Pendule 1957 Robert Doisneau