
We herkenden het direct. Het geborduurde tafelkleedje. Ze waren er in het rood, het groen, het bruin en in het blauw zoals het kleine kleedje voor ons in het gras. We hadden die tafelkleden van onze moeders of oma’s gekregen. Vierkant, rond, langwerpig, klein, groot, zelfs de grootte van een servet. Het kleedje in het gras was voor een klein vierkant tafeltje en uitermate geschikt voor onze picknick vandaag aan de Waddenzee.
Ik heb ze ook gehad, in alle variaties, net als mijn broers en zussen. We kregen ze na een bezoek van onze moeder aan de fancy fair of de braderie, of iets van de kerk. Dames van de bejaardenhuizen en verzorgingshuizen maakten ze en de opbrengst was voor een goed doel. Ze werden verkocht als broodjes van de bakker want je zag ze overal om je heen. Na een tweetal verhuizingen zijn ze uit mijn kasten verdwenen. Ik heb er zelfs niet eentje bewaard uit nostalgie. Ik gebruikte ze ook nauwelijks. Vind een tafelkleed sowieso niet zo handig. Vlekken die je er niet uitkrijgt en eerlijk gezegd waren deze wel een beetje tuttig. Bij mijn moeder lagen ze steevast op tafel bij de maaltijd. Kraakhelder en glad gestreken. En meestal de blauwe, dat was ook haar favoriet.
Een van de dames rond het kleedje, we waren met ons vieren, vertelde dat je aan het borduurwerk kon zien in welke fase van de ouderdom de dame was die het kleed gemaakt had. Waren het voornamelijk rijgsteken en stiksteken of kettingsteken dan kon het zijn dat het een dame was die niet meer zo behendig was. Zodra het borduurwerk ingewikkelder werd was de dame nog vaardig en handig. Ons kleedje had een rand met allemaal dezelfde steken maar wel heel regelmatig en ook precies.
Ik vroeg me af hoe zo’n kleedje er uit zou zien van mijn hand. Ik ben helemaal niet handig met naald en draad. ‘Jij kan niks’, zeiden mijn zussen altijd. Dat klopt, in het huishouden ben ik een onbenul. Ik kijk met jaloezie naar vrouwen en ja ook mannen die kunnen breien en haken en naaien, vrouwen die alles spic en span hebben in het huishouden, die kleren naaien en kunstwerken borduren. Ik ben er niet in opgevoed en opgeleid want ‘ik kon niks’ en vond het niet leuk. Ik weet niet of ik het niet leuk vond omdat ik het niet goed kon eigenlijk.
Wat ik wel goed kan is hard tegen de wind in fietsen of tegen de dijk op naar de zee. Het was een zware dobber geweest om dan eindelijk de zee te zien na een lange fietstocht. En om eerlijk te zijn, het viel me een beetje tegen. Ik zag de zee, ik rook de zee, maar ik hoorde haar niet. Ik kon niet even de zee voelen. Geen bruisende golven of golfjes over mijn blote voeten. Het was eb. Daar ver weg lag de zee als een blauwgrijs laken stil de zee te zijn. De ene zee is de andere niet.