
Ze lagen in de linnenkast. Op de bovenste plank. Achter de lakens en de slopen. Het hagelwit, keurig gestreken beddegoed. We wisten het allemaal. Wij, de kinderen. De brieven van pa. We spraken er niet over. Als er naar gevraagd werd hoorden we dat we dat later wel zouden lezen. Pas na de dood van onze moeder hebben we ze kunnen lezen. Een stapeltje brieven in een grote witte envelop.
De originelen liggen in de dekenkist bij onze jongste broer met fotoboeken en de oorkondes die aan de wand hingen. De oudste broer en de zussen kregen kopieën. Bij mij liggen ze in het bureautje ‘van bij ons thuis’ in een bruine leren map. Ik heb ze gelezen en in de goede volgorde gelegd.
Bovenop ligt de afscheidsbrief van zijn ongeneeslijk zieke vader, onze opa, uit 1938, met als aanhef Geliefde Zoon, een grote zwierige G, eindigend met heilwenschen, je Vader
Dan volgen twee brieven uit 1939, lange intieme brieven van 4, 5 kantjes vol liefde. Dank voor de ontvangen brieven, blijkbaar was er regelmatige en uitgebreide briefwisseling‘ : Ook vandaag twee brieven van je gehad, daar was ik blij mee hoor’, lieve woordjes voor zijn lieveling, vragen naar de kinderen, ‘de koekjes’, tekeningetjes voor hen en hartjes, verslag van bezigheden en voortgang van de cursus voor bootsman. Groeten voor alle familieleden en bekenden en verlangen naar het weerzien, hopende je gauw weer in mijn armen te hebben.’
Een paar brieven uit april 1940, ook deze brieven ademen liefde uit maar vooral heimwee, en ongeduld naar het weerzien dat hopenlijk spoedig zal plaatsvinden. En dan een korte brief van 17 oktober 1940, Na maanden in een martelende onzekerheid te hebben gezeten eindelijk rust. Schat, ik ben zoo blij. Was er kapot van. Goddank. We zullen elkaar weerzien.’ Blijkbaar was er eindelijk weer een bericht uit Holland gekomen. De post liep via Amerika Box 45 California.
Dan wordt het stil, een paar Rode Kruis berichten, van mijn moeder aan pa met de hand geschreven, en een bericht van het Rode Kruis van 21 juni 1942 aan mijn moeder met de mededeling dat zij een keer in de veertien dagen een bericht mag sturen op een formulier: Voorts deel ik U mede dat mij nog geen bericht omtrent eventueele verliezen a/b van de Hr. Ms. Tromp heeft bereikt; U kunt er evenwel van verzekerd zijn, dat eventueel bericht aangaande J.A. de Bruin onverwijld te uwer kennis zal worden gebracht.
Mijn moeder en mijn vader verloren het contact. Leefden allebei in onzekerheid: leef je nog?, waar ben je?, hoe is het met je? Het laatste Rode Kruis bericht is uit 1943. Hoop en vertrouw op spoedig weerziens.
En dan een brief van mijn moeder van 7 mei 1945, net na de bevrijding geschreven. Onderaan ook een paar zinnetjes van Gilles en Zus. En ma: Die onzekerheid dat ik niet weet of je er nog bent maakt de feestvreugde wel minder.’
De hoop dat hij terug zal komen is er nog steeds: In Katwijk is ene Huig v Duim aangekomen uit Engeland en daar breng ik deze brief, ik ben benieuwd of hij nog iets van jullie schip weet, want wat heb ik om jou in angst gezeten, dan weer gezonken, dan weer niet. Als ik nu maar wist dat je er nog was.
Twee weken later zou pa de Bruine voor de deur staan. Pa zat al lang niet meer op de Tromp. Waar was hij dan wel geweest? Wat had hij al die tijd gedaan? En wat was er met hem gebeurd?
Vragen die niet zijn gesteld. Niet aan pa. Maar ook had ik onze moeder vragen willen stellen. Waren dit alle brieven? Hoe kreeg ze die? Waarom deze bewaard?
En waar is dat oorlogstrauma opgedaan?
De brieven ademen liefde en tederheid. Verlangen. Geloof. En hoop
‘Wees nooit ongerust over mij’
Wordt vervolgd