
Hij was blij dat hij van school af ging. Het was niks voor hem. Hij vond het niet leuk. Iedere dag werd hij geconfronteerd met wat hij niet kon. Zodra de bel ging en hij naar buiten rende had hij zich vrij gevoeld. Aan zijn klasgenoten had het niet gelegen. ‘Je kan zo met je lachen’, zeiden ze vaak. Al voelde dat lachen om-hem en met-hem soms als uitlachen. Ook de meesters en juffen viel niks te verwijten: “Je hebt goed je best gedaan, je bent een fijne knul en je kan zo goed voetballen!”
Hij was gewoon dom. Waarom ‘wordt’ de ene keer met een ‘dee’ en de andere keer met ‘deetee’? Hoe het ook uitgelegd werd, hij snapte het niet, hij deed het altijd precies verkeerd, ook als hij dacht dat hij het toch snapte. Met rekenen precies hetzelfde. Sommetjes maken ging nog net maar die vraag sommen? Hij begreep het niet. Aan het eind van de basisschool had hij een toets moeten maken. De meester had hem medelijdend aangekeken en hij had nog wat aardige woorden gezegd toen hij de uitslag vertelde. Ok hij was nu eenmaal dom. Die medelijdende blik was het ergste geweest.
Niet dat het zijn leven had verpest. In tegendeel. Hij had extra zijn best gedaan om te laten zien wat hij wel kon. Een goeie baan, een fijn gezin, een dikke auto, een groot huis in een villawijk. Een aardige en handige buurman. En zaterdags voetballen met een paar ouwe maten en veel lachen. Af en toe hadden ze het over vroeger, dan lachten ze hem uit: ‘en wij maar zeggen dat je dom was en kijk meneer nou es!’
Dom zijn is niet erg, zeker als je om je eigen domheid en elkaars domheid kan lachen. En er is altijd wel iets waar je wel goed in bent immers. In dom zijn bijvoorbeeld of je van de domme houden. En je hoeft gelukkig niet van alles verstand te hebben.
Maar. Domheid als scheldwoord en als oordeel over mensen vind ik kwalijk: ergerlijk. Als je denkt dat jouw mening beter is dan die van een ander, als je vindt dat iedereen die er anders over denkt ‘nu eenmaal dom’ is, zou je eens in de spiegel moeten kijken of je eigenlijk zelf niet een beetje dom bent.