
In Amersfoort moest ik overstappen. Toen was het gedaan met de stilte. Ik kwam terecht tussen jonge mensen die net terug kwamen van een dansfeest. Ze hadden nog niet geslapen zo te horen. Met open ogen en oren heb ik het aanschouwd. De ludieke kleren, rare oortjes, kroontjes met lichtjes, haren rechtop omhoog of wild opzij in alle kleuren van de regenboog, bijzondere make-up, kleurig, bleek en zwart, gekke petjes, hoeden, panty’s met ongekende patronen. Naast mij lag iemand met opgetrokken benen te slapen, op de grond afgetrapte sneakers en een enorme plunjezak. Voor mij een jongen en meisje in gesprek. Ik heb er stiekem naar gekeken en geluisterd. Ik snapte er niets van. Ik hoorde woorden die ik nog nooit had gehoord. Af en toe gingen ze midden in de zin over in het Engels. Ik had graag aan iemand gevraagd waar ze geweest waren vannacht en hoe het daar toe ging, maar het lukte me niet contact te maken met de luidruchtige, vrolijke feestgangers vanaf mijn ‘dicht gebouwde’ plek en bij de volgende stopplaats moest ik er al uit.
Ik realiseerde me dat ik even geconfronteerd was geweest met een wereld waar ik geen idee van heb, echt helemaal niets van weet. Wat me opviel was dat ze erg in elkaar geïnteresseerd waren, druk praatten en veel moesten lachen. En wat waren ze creatief in hun kleding.
Ik was op reis naar een vriendin in een tehuis waarvan de naam eindigt op ‘hof’. Vroeger wandelden we veel samen. Dan zong zij tijdens de wandelingen psalmen en gezangen en liedjes van vroeger. Ik zong dan met haar mee want zij kende al die liederen uit haar hoofd, en ook nog alle coupletten. Nu liepen we voetje voor voetje achter de rollator een rondje om het huis door de kou en de wind. We bleven stil staan bij een bankje en keken naar de bomen, naar de plantjes en de bloemen. We hebben geprobeerd Berend Botje te zingen, dat ging. Bij ‘Amerika’ stak ze haar handen in de lucht.
In de huiskamer van het tehuis zaten een paar mensen om tafel. Ze keken stil voor zich uit en leken klaar te zitten voor het eten. Toen we binnen kwamen keek een enkeling op. Ik begroette hen en zei iets over het winterse weer. Ik wenste ze smakelijk eten. Niemand zei iets.