
Het was in Tilburg. Op de christelijke lagere school aan de Langstraat. De enige niet katholieke lagere school. Meester Voorsluijs was ineens de klas binnengekomen. Naast hem stonden een paar donkergekleurde kinderen. Ik geloof dat ik nog nooit donkere kinderen of mensen gezien had. Meester vertelde iets over de kinderen, ik weet niet meer wat. Wel weet ik dat even later een van de kinderen naast mij kwam te zitten. Ik vond het niet fijn, een beetje eng. Het meisje rook zo anders en ze praatte anders. Tussen de middag als we overbleven en we onze etenstrommeltjes open maakten was het ergste. De lucht die uit haar bakje met rijst en en van alles kwam maakte me misselijk en maakte dat ik de boterhammen uit mijn trommeltje snel en met de adem in naar binnenwerkte.
Toen ik me er thuis over beklaagde, kreeg ik van mijn vader de wind van voren. Hij vertelde dat het Ambonezen waren en dat die mensen schandelijk behandeld waren. Ik moest vooral heel aardig en vriendelijk tegen haar zijn, want dat meisje woonde in een concentratiekamp. Dat woord brieste hij uit en zijn ogen spoten vuur. Ik wist niet wat een concentratiekamp was, of waar Vught lag.
Het kwam helemaal goed met Albertien en mij. We werden vriendinnetjes, ik wende aan de lucht van haar lunch en we giechelden veel samen. Ze sprak nooit over haar thuis, wel weet ik dat ze een keer ‘Soekarno soooo’ zei en ‘Juliana sooo.’ Bij Soekarno stak ze een duimpje omhoog en bij Juliana ging het duimpje omlaag. En ze schreef in mijn poëziealbum. Een heel mooie bladzij. Niet alleen maar plaatjes erbij maar allerlei kleurtjes en tekeningetjes. Ook een tekening van een palmboom. Mijn zus zei dat je aan die kleurige bladzijden goed kon zien dat ze ‘toch’ uit een ander land kwam.
Even plotseling als ze gekomen was, verdween ze ook. Op een dag waren er geen Ambonese kinderen op school meer. Er werden niet veel woorden aan vuil gemaakt.
Later in mijn leven kwamen er altijd Molukkers, want zo werden ze voortaan genoemd, langs, voorbij. Vooral positieve ervaringen. Aardig, vrolijk, warm en altijd beleefd. Creatief en gedreven. Kleurrijk. In de buurt, het dorp, op het werk op school. Ik moest altijd aan de woorden van mijn vader denken. Dat ze zo slecht behandeld waren. Vernederd. Ook toen de gijzelingen kwamen veranderde mijn beeld van hen niet. Tussen de papieren van mijn vader vond ik na zijn dood exemplaren van het blad Door De Eeuwen Trouw. Op internet lees ik dat het een leus was die werd gebruikt om de trouw van de KNIL militairen aan Nederland te benadrukken. De leus die vervolgens in 1950 de naam werd van de stichting die het opnam voor het lot van de Molukkers en opkwam voor de zelfbeschikking van de Molukkers en de Papoea’s in Indonesië. Veel oud militairen waren net als mijn vader lid van de stichting.
Deze week gaan we ook in Nijverdal 75 jaar Molukkers in Nederland herdenken en vieren. Ik zal er bij zijn. En ik zal denken aan Albertien Loupatty en al de andere Molukkers. Hoe ze ons land en ons dorp verrijkt hebben en onderdeel zijn van onze gemeenschap. En ik zal denken aan de woorden van mijn vader.