mooiste liefdeszin

‘Ik wou dat je jezelf kon zien, met mijn ogen’, de mooiste liefdeszin die ik in mijn leven mocht horen*. Het maakte een onvergetelijke indruk. Ontroerde me. Het verwoordde hetgeen ik voelde. Alsof iemand me aangeraakt had op een plek die ik zelf wel vermoedde, maar waar ik nooit bij had kunnen komen; de ander wakker riep wat al mijn hele leven sluimerde in mij. Die ander die jou kan brengen waar jij zelf in je eentje niet kan komen. Dat is wat ware liefde is, de liefde is, denk ik. Als je verliefd bent kun je dat gevoel in al je vezels voelen: jij geeft me het gevoel dat ik besta, leef zoals ik bedoeld ben. Een thuiskomen.

In de mooiste liefdeszin* van Arthur Japin wordt min of meer hetzelfde gezegd met andere woorden. Ook Trijntje Oosterhuis zong het: Ken je mij, wie ben ik dan, weet jij mij beter dan ik. En dat lied is natuurlijk een moderne vertaling van Psalm 139: Dieper dan ik mijzelf ooit ken, kent Gij mij.

Gister op de familiedag sprak ik met mijn oudste neef. We hadden elkaar jaren niet gezien. We spraken over zijn overleden moeder, mijn oudste zus. “Toen ik u daarnet zag lopen moest ik aan mijn moeder denken. U lijkt zo op haar. Het gezicht. U loopt ook net zo, een beetje.. gebogen zo met uw hoofd”. Hij wilde krom zeggen, maar hij is een lieve neef, hij maakte er gebogen van. Ik rechtte onmiddellijk mijn rug, want ik wil niet krom lopen. Ik probeerde me voor te stellen wat hij had gezien. Wat hebben de ogen van mijn neef gezien? En hoe heeft hij daar naar gekeken?

Als je met liefde naar iemand kijkt is, zie je vooral wat mooi is en goed. Kun je met vertedering kijken naar iets wat minder geslaagd is in die persoon. Het kan zelfs een Schitterend Gebrek zijn. De titel van het boek van Arthur Japin waarin de mooiste liefdeszin uit de Nederlandse literatuur te vinden is. Volgens velen geen perfecte zin. “Er zijn zinnen die verrassender zijn en beter lopen”, aldus Trouw. Een schitterende gebrekkige zin.

* Onlangs ontdekte ik dat het de woorden waren van Diego Rivera, geliefde van Frida Kahlo.

*

Top Tien van mooiste liefdeszinnen uit de Nederlandse literatuur.

lentegroen

Het staat in geen enkele verhouding tot het echte leed in de wereld. Toch ben ik er knap chagrijnig van. Sterker: het bederft de vreugde die ik beleef aan de lente die in aantocht is. In aantocht in mijn tuin.

Het is mijn eigen schuld. Ik heb het zelf gedaan. Een aantal weken geleden, op een zonnige dag heb ik rigoureus de vijver in de achtertuin aangepakt. Met schop en schepnet de vijver ‘geschoond’. Waterplanten gekortwiekt en emmers grijze modder eruit geschept. Voldaan had ik gekeken naar het resultaat: laat de lente maar komen. Maar de lente kwam pas na een paar weken regen. En toen de zon dan eindelijk daar was schrok ik: het water was groen, gifgroen. Ik keek in een bord erwtensoep. Mijn heldere vijver, mijn kleine Regge in de achtertuin, waar, waterlelies bloeiden, de wolkenhemel in weerspiegeld werd, de wind haar golfjes maakte, is een doodse groene brij geworden. Ook de vissen laten zich niet meer zien.

Ik heb mijn nood geklaagd en adviezen gekregen: een emmertje water uit de Regge; zuurstofhoudende planten; een pomp; ‘geduld, het komt vanzelf weer goed’.

‘De hele vijver leeghalen’, ‘ wegdoen die vijver’, ‘beton storten’. Ik zit aan tafel met een groepje mannen, die vrijwilligen bij het Huis van Vriendschap. Ze zijn superhandig en van alle markten thuis. Zij zijn altijd vrolijk en ook mijn vijverleed bezien ze graag van de vrolijke kant. Behalve adviezen geven ze me ook verklaringen, waarom het water zo vies groen is: ik had de natuur haar gang moeten laten gaan: ‘je hebt het evenwicht verstoord, je had je er niet mee moeten bemoeien’, je had die kikkers er niet uit moeten halen’.

De jongste van het stel zegt niet zo veel, hij is wat bedachtzamer, hij zou wel een dichter kunnen zijn. Hij staat op en pakt zijn jas. Hij kijkt me vriendelijk aan en legt zijn hand op mijn schouder: “Je moet van je groene vijver gaan houden. Je moet groen water mooi gaan vinden”. Ik buig het hoofd. Ik zal mijn best doen.

verliezer

Ik ben een slechte winnaar. Ik stond met tennis een keer in sets met 2-0 voor en in de laatste set met 3-0. Ik verloor de partij met 5-3 in sets omdat ik niet door kon pakken. Ik verlamde met het zicht op een zo goed als zekere overwinning.

Winnen moet je kunnen. Verliezen ook. Niet tegen je verlies kunnen heet kinderachtig en onsportief. Ik vind dat onzin. Natuurlijk baal je als je verloren hebt en als vlak voor je neus de overwinning wordt weggekaapt.

Je moet het leren: verliezen. Of beter, je moet leren er mee om te gaan. Want maak je borst maar nat, wat ga je veel verliezen in het leven. En al lijkt het of er mensen zijn die altijd winnen, of, dat er nu eenmaal geboren winnaars zijn, ook topsporters verliezen over het algemeen meer dan ze winnen.

Vorige week won in de gemeente waar ik woon één partij met macht, één bleef min of meer gelijk, de andere vijf partijen verloren.

Opmerkelijk vond ik de openheid van de met name jonge verliezers: hoe teleurgesteld ze waren, hoe zuur het was, wat voor een kater, hoe het slikken was: “het valt niet mee.” Opvallend dat ze niet nalieten de winnaars hartelijk te feliciteren en succes te wensen, het juist wel nalieten om lelijke dingen te zeggen en niet met de vinger gingen wijzen. Ze eindigden zonder uitzondering met de belofte ‘na het likken van de wonden zich op een andere manier in te gaan zetten voor de inwoners’. ‘Als er deuren sluiten openen er vele nieuwe’, las ik. Ik ben het geloof in de politiek nog lang niet verloren. In tegendeel. Henrik Ibsen* zei het al: uit verlies wordt winst geboren.

* Ziel wees trouw en zie niet om, uit verlies wordt winst geboren.

Olga

Bang dat de oorlog ook hier komt, dat Russische legers ook ons land zullen binnenvallen ben ik niet. Op de één of andere manier voel ik geen angst daarvoor. Dat wil niet zeggen dat de oorlog me niet bezig houdt. Heel veel. Maar ik volg niet alle discussies, analyses en reportages over de oorlog. Het maakt me onrustig en moedeloos. Af en toe het laatste nieuws en met name berichten van journalisten ter plekke.

Zaterdagmiddag zag ik een reportage van Max EO Metterdaad. Ik zag hoe mannen en vrouwen over de grens kwamen aangelopen in Moldavië, hun kinderen in de arm of aan de hand of in de kinderwagen. Het sneeuwde een beetje, ze keken verdwaasd om zich heen: en nu? waar gaan we heen?, wat moeten we doen?

De Moldaviërs ontvangen de vluchtelingen hartelijk en warm. Goeie stevige bedden, warme maaltijden, een geriefelijk onderkomen.

Aan het woord kwam Olga: moeder van twee dochtertjes, haar man achtergebleven om mee te vechten. In aller haast was ze uit haar appartement gevlucht, met als enige bagage een koffer en twee boodschappentassen. Ze haalt een fotootje van haar onlangs overleden moeder tevoorschijn. Ze praat af en toe tegen de foto. Want er is niemand van haar familie die ze nog kan bereiken. Ze vertelt dat ze zich zorgen maakt of ze haar familieleden ooit nog wel terug zal zien, of ze ooit nog wel terug kan naar huis. Terwijl ze dat vertelt vallen er tranen. Haar oudste dochter slaat de armen beschermend om haar heen: ‘Het komt goed mama, ik hou van je.’

Ik moet er om huilen. Het beeld blijft me bij. De volgende morgen word ik er mee wakker.

Maar wat heeft Olga aan mijn bewogenheid. Aan mijn zorgen om haar. Ik doe mijn menselijke plicht van rechtvaardigheid: een bedrag overmaken, mijn bereidheid om mee te helpen kenbaar maken. Ik vouw mijn handen. Maar wat kan ik nou doen? ‘Kan ik iets voor je doen, kan ik iets voor je zijn?’

Ik wou dat ik een toverstokje had. Dan toverde ik Olga terug naar haar eenvoudige appartement samen met haar man en kinderen, haar aardige buren en lieve familie. Ik zou de zon laten schijnen, de bloemen laten bloeien en de vogels laten zingen. Samen met haar oudste dochter zou ze wandelen in het park met de hond aan de lijn. Haar man en jongste dochtertje zouden zwaaien van achter het raam. Er zou vrede zijn.

chrysanten

Morgen zijn de Russen vrij. Het is immers morgen 8 maart: Internationale Vrouwendag. Een dag die in Rusland massaal gevierd wordt. Een officiële feestdag, waarop de president de vrouwen toespreekt * ‘om ze te feliciteren met hun schoonheid en zorgzaamheid’.

In tegenstelling tot hier in het westen waar het op 8 maart vooral draait om de emancipatie en gelijke rechten voor de vrouwen, is het in Rusland (en ook in de Oekraïne) voornamelijk een commercieel feest waar bloemen en cadeautjes worden uitgewisseld. Bloemen voor je vrouw, je moeder, je buurvrouw en je collega. Appjes waarin de vrouwen onderling elkaar feliciteren met Vrouwendag en het begin van de lente wordt gevierd.

Nederlandse bloemenverkopers zitten met hun handen in het haar. Jaarlijks gaan er voor miljoenen bloemen naar het oosten van Europa rond deze tijd, maar dit jaar komen de bloemen het land niet in.

Het zijn vooral chrysanten die worden uitgedeeld aan elkaar. De bloem die staat voor geluk, vriendschap, gezondheid, eerlijkheid en een lang en gelukkig leven. Dat is mijn wens, nee het is een recht. Ieder mens heeft recht op een leven in vrede, met vriendschap en geluk. Iedere vrouw, iedere man, ieder kind.

* NOS 08-03-2021 Iris de Graaf: Vrouwendag in Rusland

een rat in het nauw

Vladimir en zijn vriendjes hadden een leuk spelletje ontdekt: op ratten jagen in het trappenhuis met een stok. Ratten genoeg in de sjofele flat in Leningrad. Ze rennen alle kanten op en weten niet hoe vlug ze weg moeten komen als de jongens met hun stokken ze achtervolgen. Een keer gebeurt er iets opmerkelijks. Als Vladimir een rat in een hoek heeft gedreven waar de rat met geen mogelijkheid uit kan komen en Vladimir weg wil lopen komt de angstige rat op hem af en vliegt hem naar de keel. De rollen zijn omgedraaid, de rat jaagt op de achtervolger. Vladimir weet ternauwernood te ontsnappen, maar zal dit moment nooit vergeten hoe hij als kind geconfronteerd werd met de woedende rat.

Dit verhaal uit de jeugd van Vladimir Poetin wordt regelmatig aangehaald ter verklaring van het gedrag van de Russische leider op dit moment. Hij voelt zich in het nauw gedreven en haalt uit.

Over de jeugd van Poetin is overigens niet zo veel bekend. Het heeft te maken met zijn banden met KGB en zijn eenvoudige achtergrond. Een strenge en tuchtvolle opvoeding zou hij later zeggen. Zijn vader raakte ernstig gewond in de Tweede Wereldoorlog. Zijn moeder, die alleen met haar kinderen in de stad achterbleef overleefde de belegering van Leningrad. De kleine Vladimir was de enige zoon die zou overleven, een zoon overleed kort na de geboorte, de andere stierf in de oorlog. Zijn moeder deed er alles aan haar kind te beschermen, kwam voor hem op als hij werd geplaagd of als het hem lastig werd gemaakt. Niemand moest het wagen haar kind te vernederen.

Dat hij later de grote onaantastbare leider van Rusland zou worden, omgeven door mensen die hem geen strobreed in de weg leggen, het hem niet lastig maken, jaknikkers, dat had zijn moeder vast nooit kunnen bedenken.

Hoe de oorlog in Oekraïne af zal gaan lopen, hoe daar uit te komen, hoe daar een eind aan te maken, het lijkt me goed het verhaal van de rat in het nauw in het achterhoofd te houden. Drijf de rat niet in het nauw, geef hem de kans weg te komen. Verneder hem niet, geef hem de kans zonder al te veel gezichtsverlies te ontsnappen. Niet vernederen…in waarde laten, anders planten we de zaadjes voor vervolgconflicten en escalaties. Ik bid de wereldleiders veel wijsheid toe. En ik bid voor het dappere Oekraïense volk en de dappere Russen die de straat zijn opgegaan om te demonstreren tegen deze brute oorlog. Houd vol, houd moed.

*Bron: HLN nieuws 2015 evenals de foto

na de storm

En nu is het stil. Aan de overkant staat een ladder tegen het huis. Een eindje verderop is iemand aan het vegen. De storm heeft huisgehouden vannacht. Het nieuwe huis kraakte en kreunde. De wind beukte en bonkte, jaagde en joelde, dreigde en dreunde.

En nu is het stil. Een weldadige rust in de straten en op het pad tussen de weilanden. De lucht ruikt fris. Helder. Schoon. Het gras groen. Tussen de wolken verschijnen kleine streepjes blauw, fel helblauw. In de langgerekte plassen trekt de wind kleine golfjes, als ribbeltjes, rimpeltjes. In het bos overal takken en takjes en omgewaaide bomen.

Een reus is met een bezem door de natuur gegaan. Heeft alles doen beven en buigen. Er is weggeblazen, schoongewaaid, opgeruimd. En nu is het stil.

Het bos veert zachtjes overeind na het geweld van de storm. Na de voorjaarsschoonmaak komt de lente. Hoor! Vogels! Overal.

praat erover

De Stichting Ideële Reclame voert op dit moment een campagne ‘De Dood. Praat erover, Niet er overheen.’ Het verbaasde mij enigszins. Ik heb juist de indruk dat er in mijn lange leven nog nooit zo open over de dood wordt gesproken als nu. Gisteren nog: als de Nederlandse shorttracksters geïnterviewd worden na hun magistrale gouden race gaat het al heel gauw over hun in 2020 overleden ploeggenote Lara van Ruyven. In de sport is het allang geen uitzondering: op bijzondere momenten is de overleden vader, moeder, opa, oma, vriend of vriendin erbij. Het wordt hardop uitgesproken. Ook in de wereld om mij heen wordt openlijk over de dood gesproken. Afgelopen zaterdag tijdens het klootschieten bij het passeren van de begraafplaats vertellen we elkaar zonder terughoudendheid wat er met ons na onze dood gebeuren moet.

Ik schrijf er zelf regelmatig over. De sterfdag van die of die. Er bij stil staan doe ik graag. Vind ik mooi. Even er aan denken en dat uitspreken. Het delen. De dood als een onmiskenbaar onderdeel van het leven. Niet iets om bang voor te zijn. Hij, of zij, komt een keer. En al diegenen die er niet meer zijn draag je voor altijd met je mee, zitten in je.

Nee ik snap de bedoeling van de campagne van Sire niet goed. Ik denk eerder kan het een onsje minder, je kunt er ook teveel over praten. Iedere keer de vragen van sportverslaggevers na de race: en je moest natuurlijk denken aan.. Vissen naar de traan. De dames shorttracksters trapten er niet in. Heel professioneel reageerden ze op de interviewer. Hun antwoord gaven ze toen ze op het podium stonden voor de bloemenceremonie. De handen de lucht in, de blik om hoog en lachen. Er is geen protocol, hoe te reageren als iemand wordt geconfronteerd met een overlijden. Een liefdevolle vraag. Warme aandacht. Soms is een gebaar genoeg. Of een blik. Een klopje op de rug. Of. Niks zeggen. Met elkaar zwijgen bij de grote stille dood.

Toon

Dit weekend werd in Sittard een onbekend Engelstalig liedje van Toon Hermans ten gehore gebracht. In het Vlaamse Hoegaarden werd een gedicht van Toon Hermans de winnaar van de Poëzieweek aldaar.

De gedichtjes van Toon zijn populair bij verdriet, ziekte, begrafenissen en afscheid. En steeds meer.

Het lijkt een soort rehabilitatie als dichter van de man die ooit als eerste een one man show hield. Immens populair met zijn theatershows maar als dichter niet serieus genomen. Versjes, liedjes, maar gedichten? ‘Leuk voor de mensen, maar geen kunst!’ Literatuur kenners haalden hun neus op voor de “versjes” van Toon.

In 1979 kreeg ik voor mijn verjaardag het boekje ‘Fluiten naar de overkant’, een bundel met tweehonderd gedichtjes en verhalen van de hand van Toon. Het boekje kwam in de boekenkast terecht, maar niet op de plank van de gedichtenbundels. Gisteravond heb ik er nog eens in gelezen. Gek genoeg kwamen de meeste versjes me niet onbekend voor. Ik had ze blijkbaar toch ergens opgeslagen. En wat zijn ze verrassend actueel. Er zitten juweeltjes tussen. De gedichten verwoorden herkenbare gevoelens. Toon heeft een goede toon voor troost, verdriet, vreugde, eenzaamheid, natuur, leven en dood. Een milde beschouwer is hij met lichte verzachtende spot. Je zou hem een Limburgse Finkers kunnen noemen.

Melissa Vanherberghen uit Hoegaarden heeft het goed begrepen, het gedicht Het bos, van Toon eigenhandig op een schoolbord geschreven in het dorp. Daar mee kleur je de dag; maak je het dorp een beetje mooier. En eer je een groot dichter, kunstenaar: Toon Hermans.

Het bos

Ik ken de warmte van het bos en ook de kilte, het wild gewoel van storm en wind en ook de stilte Ik loop er graag en telkens voel ik dat de geuren van plant en boom en blad mijn grijze dagen kleuren

de parel

‘Nee, het gaat niet door.’ Zijn reactie op mijn ‘en?’ Een paar maanden geleden had hij mij enthousiast verteld over zijn nieuwe toekomst in Zuid Afrika samen met vrouw en kinderen. Een mooie hostel in een prachtig natuurgebied dat ze samen gingen runnen. Zijn ogen hadden geglommen en hij had niet opgehouden te vertellen. Toen ik naar huis reed ontdekte ik dat ik helemaal vergeten was nog te vragen mijn banden op te pompen.

En nu ging het dus niet door. Zijn vrouw vooral had het niet aangedurfd. Te ver van de familie, te onzeker. Hij vertelde het alsof hij zich moest verontschuldigen, een beetje beschaamd. ‘Het was mijn droom, maar ik heb me er bij neergelegd, het is niet anders’. Een diepe zucht terwijl hij mijn fiets in de kettingen hangt en omhoog draait. ‘Je moet de parel teruggooien in de zee’ zeg ik. Hij lacht en vraagt me wat ik precies bedoel. Ik vertel hem over het verhaal van de Mexicaanse visser Kino en Juana die de prachtige parel die ze gevonden hebben in de zee aan het eind van het verhaal teruggooien in de zee omdat het hun rustige en vredige bestaan heeft omver geworpen. Hij knikt, hij weet precies welk verhaal ik bedoel, hij heeft bij mij in de klas gezeten waar ik dit verhaal vertelde en hij herinnerde er mij wel eens aan dat hij die verhalen van toen nooit vergeten is.

We praten nog even over het prachtige verhaal van John Steinbeck en over mijn meer dan 50 jaar oude Gazelle met de bijzondere versnelling. ‘Een pareltje van een fiets mevrouw, nooit weg doen.’ Hij lacht al weer.

*De parel is één van de mooiste verhalen van de schrijver John Steinbeck. Het gaat over de visser Kino en zijn vrouw Juana en zoontje Coyotito die een rustig en gelukkig bestaan leiden aan de rand van de oceaan. Op een dag vindt Kino een heel ongewoon grote en mooie parel. Dat betekent rijkdom maar ook het einde van hun vredige bestaan. Allerlei ongure types azen op zijn bijzondere parel, hun leven staat op de kop, ze moeten zelfs vluchten als er geprobeerd wordt de parel te stelen, met de tragische dood van hun kind als gevolg. Gedesillusioneerd keren Kino en Juana terug naar hun dorp. Daar aangekomen werpt Kino de parel terug in de zee ‘met alle kracht die in hem was.’ ‘Een lied van menselijke hebzucht’. ‘Een eenvoudig verhaal van algemene menselijkheid.’ (Uit de tekst op de omslag van De Salamander 38)