klap in het gezicht

Onze dominee begon er de preek mee. De klap van de Duitse judoka coach. Het werd niet door de buitenwereld gewaardeerd dat judoka Martyne Trajdos, zijn pupil, voor aanvang van de wedstrijd door elkaar werd geschud en een klap in haar gezicht kreeg. Er kwam een heleboel commentaar op. Het leverde de coach een ‘ernstige officiële waarschuwing’ op. Martyne reageerde dat ze niets begreep van de ophef (het filmpje met de klap ging de hele wereld rond) :”Dat doen we altijd zo. Het is de manier om mij wakker te houden, mij scherp te houden”.

Het lijkt mij een rare manier: het is een klap die je aan ziet komen. Dat is wat anders dan de klap in je gezicht, waar we het over hebben in de uitdrukking: “Het was een klap in mijn gezicht’. Dat gaat over een klap die je niet had verwacht.

Onze predikant houdt er ook niet van: ‘door elkaar schudden’ en ‘klap in het gezicht’ als methode om het kerkvolk wakker te schudden of scherp te houden. Donderpreken zijn uit de tijd en worden beslist niet meer gepikt door de geëmancipeerde gelovigen.

Toch: soms werkt een onverwachte ‘klap’, beter dan genuanceerde waarschuwingen en voorzichtige adviezen. Van iemand die het goede met je voorheeft. Dat wel.

goed voor je bloed

Wat is het een heerlijke zomer. Iedere morgen kan ik op blote voeten de tuin in. Het eerste bakje koffie op het terras met de zon op mijn blote benen. Ik kijk dan naar mijn tuintje, waar alles groen is; alles groeit en bloeit. Ik zit dan voor me uit te kijken. En luister naar de vogels. Kijk naar de vlinders, de bijen, de mussen, de mezen, de bloemen, de struiken, de planten. Door de broeierige warmte en de regen af en toe is de tuin mooier dan ooit.

Maar ik heb ook nog een voortuin. Ook een tuin-tje. Die is het allermooist. Telkens als ik er langs kom blijf ik even stilstaan om te kijken: een compositie van paars, roze, oranje en wit.

Als ik zo aan het tutten ben over mijn tuintje moet ik denken aan mijn moeder. Toen ze ouder werd kon ze zo trots en blij zijn met haar enorme hortensia’s in roze en rood.

Dat was anders toen we klein waren. Toen was de tuin de plek waar het eten vandaan kwam. En dat was heel veel werk. Voor hadden we gras met rondom pioenrozen, donkerrood, en hortensia’s in allerlei kleuren. Achter was een enorme moestuin. Daar kwam op het vlees na onze dagelijkse maaltijd vandaan. In de zomer sla, boontjes, bietjes, andijvie, postelein, tomaten, komkommer, peultjes, worteltjes, en alle aardappelen. In de winter spruitjes, koolraap, rode kool, groene kool. Ook het fruit kwam uit de tuin: appels en peren in het najaar. In de zomer: aardbeien, kruisbessen, zwarte bessen en rode bessen. De rode bessen waren bewerkelijk: na het plukken en wassen, rissen met een vork en prakken, vervolgens laten weken in suiker. En dan als een sausje over de yogurt of pudding. Over warme pudding dat vond ik het lekkerst.

Mijn moeder was er zelf ook gek op, want ze maakte het vaak als toetje. Ze zei er altijd bij: “ eet maar lekker op, rode besjes zijn goed voor je bloed”.

Rode besjes, aalbessen, ik haal ze nu ook af en toe. In een plastic doosje. Ik prak ze niet, doe er geen suiker bij. Doe ze over de kwark of de yogurt. Ze zijn supergezond lees ik op het etiket: rijk aan vezelstoffen en vitamine C en caloriearm. En! nog altijd niet te versmaden, heerlijk zijn ze. Ze zijn de zomer, de zon.

een goede vader

Dit gedicht van Bertus Aafjes stond op het bureau van Peter R de Vries. Jeroen Pauw las het voor in de speciale uitzending ter nagedachtenis aan de vermoorde journalist. Het typeert de man die in de eerste plaats herinnerd wilde worden als een goede vader. Ik zie er een gebalde vuist bij, een verbeten strijder. Zo wilde hij zijn. Zo wilde hij gezien worden. Oprecht zijn; rechtvaardig, standvastig, trouw.

In een interview met Annemiek Schrijver van 20 jaar geleden vertelt hij waar die strijdbaarheid vandaan komt. Als kind al verzette hij zich tegen gezag, dingen die van boven af opgelegd worden. Als hij het vertelt zie je de afkeer en strijdlust in zijn ogen, zijn mond. Bijna hautain. Het geloof van zijn ouders zwoer hij af. Zijn vader had heel wat met hem te stellen. Een strenge, harde vader die in het verzet had gezeten. Een vader die mensen had geliquideerd, iets waar hij zijn hele leven last van had, maar nooit over sprak.

Peter vertelt in het interview dat hij zich altijd verdiepte in de achtergronden van de dader. “Hoe meer je weet van iemand die een misstap begaat, hoe meer je er van begrijpt”.

Dat gebeurt ook als je de Vries hoort praten over het nest waar hij uit komt. Je ziet hem voor je: het opstandige kind tegen alles wat gezag is en tegelijkertijd de sfeer uit zijn omgeving van het goede doen, opkomen voor de zwakke, recht en rechtvaardigheid. Een rechte rug hebben. Afkeer van onoprechtheid. Niet bang zijn. Niet meelopen. Durven apart te staan. Trouw zijn.

Als we Peter R willen gedenken zouden we dat gedicht van Aafjes maar eens moeten lezen af en toe.

* Foto op omslag boek van Mick van Wely, De R van Rebel over Peter R de Vries

* De Verwondering van zondag 18 juli 2021, een compilatie van een interview uit 2001

* Bertus Aafjes, gedicht Muurbloem uit bundel Het gevecht met de muze 1940

dag school

Deze week nam de conciërge afscheid van school. Geen uitgebreide receptie voor de vrouw die van zoveel afscheidsbijeenkomsten en recepties een waardevol en onvergetelijk moment wist te maken: sfeervol de ruimte ingericht, verse bloemetjes op de tafels, vers gebak, lekkere hapjes.

Vriendelijk, vrolijk, belangstellend. Een luisterend oor. Oog voor. Een begrijpende blik. Onvermoeibaar. Zorgvuldig. Allesgezien en aanallesgedacht: alcoholvrij voor x, vegetarisch voor y. Piekfijn, tip top alles voor elkaar. Een verzoener, bijelkaarbrenger. Aanpakken. Nietzeuren. De juiste vrouw op de juiste plaats in het team van de conciërges. Conciërges: Het hart van de school worden ze vaak genoemd.

Je vond het wel goed zo. Zonder al te veel poeha en poespas de school uit lopen. “Oh nee, geen interview in de krant”.

“Je bent maar klein, maar je maakt een groot verschil”, zegt de jongen tegen de mol in het boek van Charles Mackery

En zo is het. Zo was het. Dankjewel! Voor alles. Het was goed. Het ga je goed.

we mogen weer

De klokken luiden op deze zonnige zondagmorgen. “Ga je naar de kerk?”, vraagt mijn buurman als ik de deur uit loop. Ja, maar niet naar de kerk waarvan de klokken zo uitbundig luiden, die zijn van de Rooms Katholieke kerk in het centrum van het dorp. Ik ga naar de Regenboog. Ja zo heet mijn kerk en dat past vandaag wel erg goed. Al heeft die naam niets met LHTB te maken maar met het verhaal van een watervloed die grote delen van de aarde onder water zette en die ten einde was toen een veelkleurige regenboog aan de hemel verscheen.

In de Regenboog wordt een jongetje gedoopt. Luca. Zijn vader is een man die van oorsprong uit de Oekraïne komt. Als jonge jongen werd hij geadopteerd. Hij was zwak van gezondheid en fragiel. Er is heel wat afgebeden voor hem. Maar nu staat hij daar gezond en wel naast zijn vrouw. Een modern kapsel, glanzend zwarte haren. Zijn zoontje in de armen. Het jongetje heeft een wit overhemdje aan met een zwart vlinderstrikje. In de kerk zitten overal verspreid familieleden en vrienden. En achter het orgel zit Jan, de pleegvader van Roman, de opa van Luca.

Jan is een betrokken medemens, die samen met anderen veel heeft gedaan voor kansarme kinderen, jongeren, bejaarden en zieken in de Oekraïne*. Jan kan ook aardig schrijven. In het plat bij voorkeur. Maar bovenal kan Jan fantastisch orgelspelen. Als Jan speelt krijg je zin om te dansen. Soms moet je huilen. Af en toe zou je willen klappen of roepen: bravo Jan!, dankjewel Jan!

In de ingehouden, ontroerende dienst wordt de kleine Luca ten doop gehouden. Er klinken oude en nieuwe liederen, mooie teksten. Een preek over zoeken. Over zoeken naar water. Over een buitengesloten vrouw bij een waterput. Mooie woorden. En het orgel: De hemel komt naar beneden.

Als we naar buiten gaan lopen we allemaal langs de doopouders en feliciteren hen. Buiten straalt de zon.

* Stichting Choe, Christelijke Hulp Oost Europa

nomade

“Boetje! Jij bent het! Wat is er met je gebeurd? Je bent toch niet in de Heer of zo?” Ik wist niet wat ik zag. Boetje, de dichter, de superslimme denker, prater. Maar ook de zwerver, de zuiper, de slapjanus, die zo zielig, zo slachtofferig kon doen na het zoveelste glaasje. Die op den duur alleen nog maar dronken was. Ik had het op een gegeven moment helemaal met hem gehad. De deur van de kast met de jeneverfles ging niet meer voor hem open, en uiteindelijk ook de voordeur niet meer. Ik had er geen zin meer in. Het was genoeg. Het was op. Als ik hem ergens tegenkwam draaide ik me om. Ik meed hem. Nog één keer kreeg ik de volle laag van hem midden in de supermarkt. Dat ik schijnheilig was en me vroom voordeed met mijn Christelijke smoel. Ik was opgelucht toen ik hoorde dat hij verhuisd was naar de stad.

En nu liepen we gelijktijdig de bioscoop uit in Enschede de hitte tegemoet op het plein. Boetje in een gladgestreken roze overhemd, een schone linnen broek, hagelwitte sneakers. Ik kreeg het beeld van een Jehovah getuige voor me. “Zullen we?” Even later zaten we op het terras van café Het Bolwerk, heerlijk in de schaduw, aan de rand van de Oude Markt. Maar de jeneverfles kwam niet op tafel. Boetje was schoon, stond droog. “Nee ook niet ééntje, voor mij is alcohol voor altijd taboe. Nooit meer”. Hij sloeg zijn ogen neer toen hij dat zei.

Hij vertelde. Dat hij zijn leven totaal om had gegooid, toen hij naar Enschede was verhuisd. Hij had zich aangesloten bij de AA, waar hij een lieve vriend had ontmoet met wie hij niet samenwoonde, ‘oh, nee dat niet’, maar met wie hij het heel goed had; die rust en evenwicht had gebracht in zijn leven. Door hem was hij geïnteresseerd geraakt in Oosterse culturen en religies. Ik reageerde terughoudend en herinnerde me hoe hij in het verleden had afgegeven op mijn religie en op alles wat geloven was in het algemeen. Ik zuchtte. Ik besloot mijn scepsis en mijn oordeel op zij te zetten en te luisteren. Dat had ik net nog in die mooie film over nomaden gezien en gehoord.

“Wat brengt het jou”, was zo’n vraag uit het verleden, de vraag die ik nu aan hem stelde. Hij barstte los, hield niet op met vertellen. Hij vond het ook wel iets voor mij. Voor ik het wist zat hij op zijn mobieltje een tarotkaart te trekken. Aarzelend gaf ik hem mijn geboortedatum, tijd, dagdeel. Vooruit.

Boetje ‘legde’ mijn kaart en vertelde. Ik ging een prachtige tijd tegemoet. Een tijd van licht, van zon. Hij zag mij bovenop een paard, de handen los, een paard zonder teugels, een glanzend paard in een tuin met een muur er omheen. De tuin was vol bloemen in allerlei kleuren, groene planten en bomen, een ruisende beek.

“Boetje, dat is het paradijs!” We keken elkaar aan. Ik moest iets wegslikken. Ik had enorme zin om toch een borrel te bestellen. Maar we deden het niet. We zeiden niet veel meer. Ik moest naar de trein. Boetje omhelsde me: “See you down the road, lieve nomade”. “Ja!, ergens in een mooie tuin vol bloemen bovenop een paard zonder teugels in een veilige omgeving!” “See you lieve Boetje”.

Film: Nomadland van Chloe Zhao over nomaden in Amerika

dagprijzer

Anne van der Meiden vertaalde de bijbel in het Twents. Hij stond op om 6 uur in de morgen en begon te vertalen aan de tafel die klaar stond. Dezelfde tafel, dezelfde stoel, alle schrijfgerei op dezelfde plek. Mocht niemand aankomen. Schrijven. Dag in dag uit. 16 Jaar lang. Tussen zes en negen uur in de morgen werd de klus geklaard. Zijn levenswerk. “Discipline en orde daar kun je niet zonder.”

Ik zie hem voor me. Aan zijn schrijftafel in zijn huis aan de Es in Nijverdal. Een riante woning aan de rand van de Noetselerberg met een prachtig uitzicht.

Behalve schrijver ook een prater. Een lezing met Anne van der Meiden, een kerkdienst dat was bij voorbaat een kraker. De afgelopen dagen heb ik interviews met hem gelezen en bekeken en het viel me weer op op hoe onderhoudend de man kan praten. Je hangt aan zijn lippen. Hij relativeert en verzacht alles wat rauw is. Uitgesproken is hij over fundamentalisme. Fanatiek uitdragen dat jij de waarheid in pacht hebt was er voor hem niet bij. Denk je dat jouw manier van geloven de enige is? Nee! Als vrijzinnig predikant was hij daarom niet in elke protestantse kerk welkom. Je kunt niet alles relativeren als het om geloofszaken gaat.

Ik mocht hem eens introduceren bij een bijeenkomst van de ouderenbond hier ter plaatse. De grote zaal was bomvol, er moesten stoelen bijgehaald worden. Hij maakte mij complimenten over mijn inleiding. Ik was gevleid, complimenten van zo’n kopstuk krijg je niet iedere dag. Hij vertelde en de zaal zat op het puntje van de stoel. Ademloos werd er geluisterd. En gelachen! Laaiend enthousiast verlieten de mensen de zaal.

Op vragen over geloofszaken was hij niet ingegaan. Gelukkig. Heel wijs. “Wat je ook gelooft, laat het er wezen”. “Al die verschillende manieren van geloven. Ik zie het als een vaas met allemaal verschillende bloemen die samen een prachtig boeket vormen voor onze lieve Heer daarboven”. Ik zag de vaas voor me. Het was lente net als nu. Prachtig weer. De zon scheen uitbundig. Een grote kan met een veldboeket van grassen, korenaren, klaprozen, korenbloemen en wilde margrieten.

Dat hij mag rusten in vrede daar boven of waar dan ook. Ik denk dat het een mooie plaats is, waar de zon schijnt, het gras groen, waar korenbloemen bloeien en klaprozen en wilde margrieten.

groen en blauw

“Je moet weer eens groen en blauw gaan dragen, net als vroeger” , adviseerde een vriendin mij. Er zat verdekte kritiek in op de zwarte broek en de zwarte trui, die ik droeg, had ik de indruk. Groen en blauw, het is waar, het is een prachtige combinatie. Ik hou er van.

Dit weekend was het lente, de zon scheen, het was warm. Ik verliet mijn kamer met veel groen en blauw. Naar buiten: wandelen, fietsen, eten in het gras langs de Regge. Een feest. Een traktatie van groenen en blauwen.

Groen staat voor vernieuwing, natuur. Groen geeft energie en leven. Blauw is de kleur van de hemel. Het symboliseert vertrouwen, loyaliteit, wijsheid, geloof, waarheid. Blauw geeft rust en vrede.

Ik praat regelmatig met een oude man die het moeilijk heeft in het leven. Hij vindt het leven een worsteling en is nog altijd onzeker of hij wel de moeite waard is. Er zijn momenten dat ik me zorgen om hem maak. Hij zegt hele mooie en wijze dingen. Hij heeft een speciaal plaatsje in mijn hart. Ik zou willen dat hij zelf zag hoe mooi en bijzonder hij was.

Hij probeert na al weer een vervelende ervaring voorzichtig zijn leven op te pakken en is bezig zijn huisje wat gezelliger te maken. Zaterdagavond kreeg ik een appje van hem. Hij stuurde een foto van een plant met lange groene bladeren op een kleedje in de vensterbank. Een effen blauw kleedje. Koningsblauw. “Het gaat goed met je”, dacht ik.

sleutels kwijt

Onze jarige koningin is regelmatig haar sleutels kwijt. En haar portemonnaie. Informatie uit een documentaire over de jarige Maxima.

Ik weet niet wanneer het begonnen is. Kwijt zijn. Je sleutels, je portemonnaie, je bril, je mobieltje. Leeftijd? Te druk?

Je moet naar de winkel, en je kunt nergens je portemonnaie vinden. “Wanneer had ik hem nou voor het laatst? Gister? Welke jas? Het regende, waar hangt mijn regenjas?”

Naar het werk. “Heb mijn bril nog niet op! Waarom ligt hij niet waar hij altijd ligt? Kijken, zoeken. In de badcel, bij de tv, op de bank? Waar??? Pfff op de piano. Racend de deur uit. Heb ik mijn mobieltje wel bij me. Even voelen in mijn tas. Nee niet in mijn tas. Toch terug naar huis. Nergens te vinden. Toch nog eens goed voelen in mijn jas, in mijn tas. Ja hoor, zit toch in mijn tas. Hoe laat is het. Racen. Op de fiets. Heb ik de deur… “

Er gaat veel tijd in zitten in het zoeken van je sleutels, je portemonnaie, je mobieltje, je bril. Of je boodschappenbriefje. Of je mondkapje. “Op een vaste plek leggen”, is het advies. Makkelijker gezegd dan gedaan. Je zult maar heel nodig naar de weecee moeten als je boodschappen hebt gedaan. Laatst belde iemand bij mij aan om te vertellen dat mijn sleutels aan de buitenkant van de deur zaten.

Ik kan nog wel even doorgaan. En u, jij, zult het wel aan kunnen vullen. We zijn blijkbaar in goed gezelschap. En wel van koningin Maxima. Ik heb een foto gezocht van haar met sleutels, of een portemonnaie, maar ik kon hem niet vinden. Allemaal foto’s van mooie Max in prachtige jurken en pakken. Ze stapt in of uit een auto die voor haar opengehouden wordt. Af en toe een tasje, maar die zijn zo plat dat ik me daar geen sleutelbos of portemonnaie in kan voorstellen. Zou ze vaak sleutels nodig hebben trouwens, of een portemonnaie?

Foto: ZKH Willem Alexander

een groene kaart

Mooi! Goed gescheiden! Ja dat kan. Ja daar ben ik trots op. Ik moet lachen als ik de sticker op mijn PMD-bak aantref.

Goed gescheiden. Mijn PMD-bak is in orde. De gemeente Hellendoorn heeft vorig jaar een forse boete moeten betalen aan het afvalverwerkingsbedrijf. In de oranje bakken zat behalve plastic, metaal, blik en drankpakken, allerlei afval wat er niet in thuishoort zoals etensresten, luiers, textiel, elektrische apparaten en piepschuim. De gemeente wil het probleem nu goed aanpakken. Voorlichtingscampagnes wat in welke bak moet hebben niet het gewenste effect gehad. Deze week worden bij het legen van de oranje bakken de bakken eerst gecontroleerd en ontvang je als inwoner een rode, een oranje of een groene kaart. Rood betekent dat je bak niet wordt geleegd (op de kaart is te lezen wat er in de bak is aangetroffen). Ook een oranje kaart betekent dat je het niet goed hebt gedaan, maar voor deze keer krijg je nog het voordeel van de twijfel. Ik kreeg een groene kaart. Ik had het goed gedaan.

Ik ben een voorstander van scheiden achteraf. Ik heb het onze burgemeester gevraagd. Er zijn gemeentes in Nederland waar het vuil in één bak gaat en in het afvalbedrijf gescheiden wordt. Haar reactie was dat hier in de omgeving zo’n bedrijf (nog) niet is en dat ook veel duurder is.

Afval. Ik leef bescheiden, sober. Ik wil bijdragen aan een schoon milieu. De bak voor het restafval is bijna leeg. De groenbak halfvol. De blauwe bak voor papier eveneens. Maar de oranje PMD-bak is altijd zo goed als vol. Dat is het probleem. We produceren met elkaar veel te veel afval. Met name verpakkingsmaterialen. We leven in een weggooi economie. We schaffen te veel aan. En wat aangeschaft is zit ingepakt en hoe.

Kunnen we terug? Minder verpakkingsmateriaal? Of nog beter: minder kopen, minder shoppen, minder consumeren, minder hebben? Eenvoudiger leven?