literaire pubquiz

We waren moe. We wisten niks. De oudste van ons wist heel veel, maar was het meeste vergeten.

Toch verlieten we goedgemutst tegen elf uur de Smidse in Nijverdal. We hadden het gezellig gehad en hadden genoten van de knap in elkaar gezette literaire pubquiz in vijf ronden. En. We hadden het niet eens slecht gedaan. Natuurlijk konden we niet op tegen de teams uit de bibliotheek- en mediatheekwereld en de docenten Nederlands, maar daarna stonden wij toch knap op de vierde plaats. Wij, het boekenclubje.

Als je een boek leest ben je nooit alleen wordt gezegd. Daarmee wordt niet bedoeld dat je niet met elkaar een boek kunt lezen. Want dat is ontzettend leuk. Gezamenlijk een boek lezen en daarna er met elkaar over praten geeft een extra dimensie aan lezen. Het vergt enige discipline om niet in discussie te gaan of een boek mooi, goed of interessant is. Ieder boek, ook een naar, een vervelend boek kan een boeiend en leerzaam gesprek opleveren. Een gesprek over een boek vanuit verschillende perspectieven kan een heel ander inzicht opleveren over het boek en je zelfs aanzetten om het boek nog eens te lezen.

Morgen gaan we met het boekenclubje De Gebroeders Karamazov lezen. Een pil van meer dan duizend bladzijden. Als het niet op het lijstje van ons clubje was ingebracht had ik het niet gelezen. En het was af en toe heel hard werken. Maar ik ben blij het gelezen te hebben en verheug me op de bespreking morgen. Ik wil maar zeggen: Als je van lezen houdt: word lid van een boekenclub, er zijn er veel. Informeer op internet of in de bibliotheek of zet er zelf een op. En doe dan met je clubje mee aan de pubquiz in maart ieder jaar georganiseerd door de sectie taal van ZINiN in de gemeente Hellendoorn: Een feestje.

Blijft dat ik nog steeds niet begrijp dat ik donderdagavond niet kon komen op het pseudoniem van Geert van Oorschot, die Twee Vorstinnen en een Vorst schreef. Notabene een van de boeken die niet naar de boekenmarkt verdween na de verhuizingen. Het staat in de witte kast op de plank met mijn lievelingsboeken: Peskens. Naar de oude anarchist Jef Peskens uit de jeugd van Geert van Oorschot in Vlissingen. Ja! Peskens!

K. Bouter

‘Wat is er met K? Hij staat daar al een hele tijd in zijn tuintje. Onbeweeglijk. Af en toe schudt hij langzaam zijn hoofd en zucht hij diep. En heeft hij iets in zijn hand?’ ‘Mevrouw Spin weet u het?’ ‘Nee, ja ik heb het gezien, ik weet het ook niet. Het lijkt of hij verdrietig is, ik heb het meneer Eenkhoorn gevraagd, die had het ook al opgemerkt die dacht ook dat hij verdrietig was.’ ‘Wat vinden jullie? Moeten we iets doen?’ ‘Laten we meneer Eenkhoorn vragen om wat nootjes te brengen.’ ‘Ik ga bloempjes plukken.’ ‘Ja en we vragen mevrouw en meneer Merel om heel mooi voor hem te zingen.’ ‘ Ja dat is een goed idee, laten we dat doen, dat zal hem opfleuren.’ ‘En we vragen of het kleine vlindermeisje voor hem wil dansen in de zon!’ ‘Ja dat gaan we doen!’

Iedere zaterdagmorgen, trekt een clubje mensen uit de straat er op uit om met elkaar kloot te schieten. Een route van 6,5 kilometer, voor het grootste gedeelte door de bossen. Het groepje wordt verdeeld in twee teams. Het gaat er om in zo min mogelijk worpen die 6,5 kilometer af te leggen. Hoewel we vooral klootschieten om de gezelligheid, enige rivaliteit is er ook zeker. We hebben allemaal ons eigen bal, rood of geel, zwaar of minder zwaar, want in de ballen zit lood. En dat is handig, want het gebeurt regelmatig dat we moeten zoeken naar een bal in de bladeren langs het pad. Soms vinden we ondanks al het zoeken de bal niet. Dan rijdt iemand op de fiets na de wandeling met een metaaldetector naar de plaats waar de bal ongeveer moet zijn gevallen en dat wordt de bal altijd gevonden, soms op een heel andere plek, maar ook op de plek waar we echt alles meenden te hebben bekeken.

Zo waren we zaterdag de bal van J kwijt. En bij het zoeken naar de bal zagen we het. Een groen poppetje. Een kaboutertje. Op een houtje vastgemaakt, stevig en diep gestoken in de grond. Een hekje gemaakt van takjes en tiewraps. En! Een briefje met naam en adres. ‘Fam. K. Bouter Vierhuizenweg 1.’ We moeten vaker langs de fam K. Bouter gelopen zijn en nu viel het oog er op. We vroegen ons af hoe het daar gekomen was. Welk verhaal er achter zat. Een speurtocht? Een creatief kind?

Ik moest denken aan aan wat ik ooit las op een winkelruit in Leiden. Look closely, the beautiful may be small. (Kijk goed, de schoonheid kan in iets kleins zitten). J maakte de foto. En W het verhaaltje.

jongen of meisje

Hoe zou je leven er uit zien als je als jongetje was geboren. We mochten er even over nadenken. Het was tijdens de Internationale Vrouwendag 8 maart 2025. In Nijverdal in eet- en werkcafe Kleurrijk waar ruim honderd vrouwen met elkaar de dag uitbundig vierden.

Anna van veertien vertelde dat ze heel blij was dat ze als vrouw was geboren. Maar als jongen had ze veel minder tijd voor de spiegel gestaan en was ze minder bezig geweest met haar uiterlijk en haar kleding. Wel dacht ze dat het als vrouw ingewikkelder is in het leven. Ze meende dat het voor jongens allemaal veel eenvoudiger is. ‘Ze worden ook zo anders benaderd.’

Ik moest er inderdaad wel ‘even over nadenken.’ En de afgelopen dagen heb ik dat ook nog gedaan. Een leuke vraag. Ook ik ben blij dat ik als vrouw ben geboren. Ja zeker. Al was ik altijd een jongensachtig meisje, ik was ook een echt poppenmoedertje en wat kon ik blij zijn met een mooi jurkje. Maar dat getob over ‘wat zal ik aantrekken’, ‘hoe zie ik er uit’ had ik graag ingeruild voor een broek, overhemd, jasje dasje, mooie leren schoenen, haren navy cut: klaar. Ja en ik denk dat ik dan om bepaalde eigenschappen andere reacties had gekregen dan ‘wat ben je toch fel en direct.’ En zouden er mannen zijn die denken laat ik maar niks meer zeggen anders denken ze daar heb je hem weer? Ik had zeker een andere baan gehad als ik een jongen was geweest: ‘schooljuffrouw’ was het hoogste voor een meisje dat goed kon leren volgens de meester. Wat had ik graag een universitaire studie met het daarbij behorende studentenleven gevolgd. Gesprekken over de laatste mode en gerechten in de keuken ruil ik graag in voor een pittige discussie over politiek. Ik praat graag met mannen. Verjaardagsvisites met een mannen- en vrouwentafel verfoei ik.

En toch.. Wat ben ik blij dat ik ben wie ik ik ben, die ik ben. Wat ben ik gelukkig met het leven dat ik geleefd heb en het leven dat ik nu nog ieder dag leef. Het had niet anders hoeven zijn dankzij het overvloedige lief en ondanks het overvloedige leed dat er was. Misschien had ik liever getrouwd geweest met een vrouw. Maar dan had ik geen kinderen en kleinkinderen gehad. En als er iets is wat mijn leven kleurrijk maakt zijn zij dat wel.

‘Laat je angsten achterwege, sta op en ga schijnen in het leven’, had Miriam, de spreker over de Vrouw van de Toekomst gezegd. Dat hebben we gedaan. In het verleden en op zaterdag 8 maart overal in de wereld. En vandaag en morgen in Nederland, in Afrika, in Irak, in Syrië, op de Filippijnen, in Rusland, in de Oekraïne, in Amerika, in China, in Zuid Korea, in Noord Korea, in Israel, in Ghaza, in Afghanistan, overal.

En in Enschede. Want daar woont dat meisje, die jonge vrouw: de Mens van de Toekomst: Anna.

Foto: Katwijk aan de Rijn 1955, moeder Clazien de Bruine met haar twee jongste kinderen, Willie en Hans.

Lees verder

feest, maar niet voor Frenske,

Niemand begreep het. Hadden ze zo’n groot feest gehad. Was iedereen zo blij geweest en vrolijk. Moest midden in de nacht de brandweer uitrukken om een brand te blussen.

Het was in de zestiger jaren. In een klein Brabants dorpje. Het was de maandag van carnaval. De dag van de grote optocht. Iedere straat met een wagen voor de optocht. Wagens van het koor en de verenigingen. Het hele dorp was er: in de optocht of aan de kant van de weg. Iedereen was verkleed: heel uitbundig of gewoon in een boerenkiel. De zon had geschenen, de fanfare gespeeld. Er was gedanst, gelachen, gezongen en bier gedronken, heel veel bier.

Toen de zon achter de horizon was verdwenen en de lantaarns gingen branden waren de mensen teruggekeerd naar huis. De straten leeg op een enkele late feestganger na. De kerkklok had twaalf geslagen. Toen waren daar ineens vlammen. Op een weiland aan de rand van het dorp waar een drietal praalwagens stonden gestald stond een van de wagens in lichterlaaie. Notabene de wagen van de Steenstraat, de winnaar. De wagen brandde in minder dan geen tijd helemaal op en op het nippertje wist de brandweer te voorkomen dat ook de andere wagens in de brand zouden vliegen.

Niemand begreep het toen enkele dagen later Marie uit de Steenstraat bij de politie opbiechtte dat zij het was geweest die de wagen in de brand had gestoken. Iedereen was stomverbaasd. Marie ? Waarom? Onze eigen wagen waar jezelf zo hard aan hebt meegewerkt samen met jouw Frenske?

Marie was zich bewust dat ze het niet had moeten doen, dat ze stom was geweest, dat ze niet wist wat er in haar gevaren was. Stom, stom stom. Ze had er vreselijke veel spijt van. Op de vraag van de agent wat er nou was gebeurd vertelde ze het volgende:

Frenske had het hele jaar iedere week keihard meegewerkt aan het maken van de wagen. Iedere woensdagmiddag ging hij naar de boerderij van boer Sjaak van Don om mee te helpen. Samen met de andere kinderen van de straat. Hij vond het prachtig. De hele week leefde hij toe naar de woensdagmiddag. Toen er rond kerst werd verteld dat er zeven kinderen op de wagen mochten zitten en hij begreep dat hij daar niet bij was, was hij heel teleurgesteld. Hij is nog een keer naar boer Sjaak geweest om te vragen of hij niet in plaats van Jan zou kunnen, omdat die tegen hem had gezegd dat hij er misschien niet zou zijn op de maandag van de carnaval Boer Sjaak beloofde dat hij dan aan Frenske zou denken, daar kon hij op rekenen: ‘Dan ben jij de man Frenske!’ De zondag voor de optocht bij het oefenen bleek dat Jan er inderdaad niet was en Frenske was stomverbaasd toen hij niet zijn naam als vervanger van Jan hoorde. Huilend was hij thuis gekomen en moeder Marie was net zo boos en verdrietig: hij had het toch beloofd! Frenske was toch naar de laatste werkzaamheden voor de optocht gegaan in zijn boerenkieletje en warempel er was nog een kind niet op komen dagen, maar nogmaals hoorde Frenske niet zijn naam. Peer in zijn mooie leeuwenkostuum mocht op de wagen.

‘Ja en toen wonnen ze en toen zag ik mijn menneke daar staan op het weiland met zijn witte gezichtje, helemaal alleen en iedereen juichte en lachte en niemand zag hem staan. Ik zag heel veel lachende en vrolijke gezichten en ik zag alleen maar hem. En dat deed zo vreselijk zeer. We zijn naar huis gegaan en we hebben niet veel gezegd. ‘Het is niet eerlijk mama.’ zei hij alleen nog. Toen ik hem naar bed had gebracht en zijn boerenkiel in de wasmand gegooid werd ik boos. Ik werd steeds bozer. Ik werd woedend, ik werd razend en toen…’

‘Weet u, ge lijdt als mens liever zelf dan dat ge uw kind ziet lijden.

  • Een ‘ongeveer’ waar gebeurd verhaal uit de zestiger jaren in Brabant. Naar aanleiding van een berichtje in de krant.

het land waar het leven goed is

In het jaar 1771 zonk het schip Vrouw Maria in de Oostzee voor de kust van Finland. Aan boord 27 schilderijen voor tsarina Catharina de Grote van Rusland waaronder kunstwerken van Gerard Dou, Paulus Potter, Gabriel Metsu, Adriaen van Ostade en Philips Wouwerman.

In het tv programma De Gezonken Meesters brengen creatievelingen en professionele kunstenaars zes uitzendingen lang een van de gezonken kunstwerken tot leven.

Vorige week was Marian Torenbeek uit Hellendoorn de winnaar van de creatievelingen in de uitzending waarin de schilder Philips Wouwerman centraal stond. Wouwerman was in zijn tijd een beroemd landschapsschilder, bekender dan Rembrandt, hij verdiende een goed inkomen. Niemand kon zo goed paarden schilderen als hij. Op bijna al zijn werken komt een wit paard voor. Het is een goede aandachtstrekker, als vanzelf wordt je oog het schilderij ingetrokken naar het witte paard.

In het kunstwerk van glazenier Marian staat het paard ook nog eens op een licht vlak. Daar gebeurt het. De smid is bezig met de hoeven van het paard. Een visser op het water. De waardin brengt een vermoeide reiziger een glas rode wijn. Spelende honden, rondscharrelende kippen. Een poepende hond. Cavia’s. Een man op zijn gemakkie op de grond rondkijkend. Een moeder wijst haar kind op iets. De visser? Zijn papa? Een watermolen. Vogels in hun vlucht. In de verte een golvend landschap en bergen en daar achter de zee? Een plekje waar je wel zou willen zijn. Een land waar je wel zou willen wonen. Een plek die je ieder mens, ieder kind, ieder dier zou toewensen.

Dat Marian met haar glaskunstwerk gewonnen heeft en nu in het Scheepvaartmuseum in Amsterdam hangt, snap ik helemaal. Ons eigen witte paard uit Hellendoorn!

  • Witte paarden of schimmels staan voor moed en wilskracht, zij streven naar het hogere. Zij staan voor heiligheid. Witte paarden dragen helden: Sinterklaas, de prins op het witte paard. In de bijbel is het witte paard in de Apocalyps het paard van de overwinning.
  • In 1999 werd het scheepswrak van Vrouw Maria ontdekt door Rauno Koivusaari. Uit onderzoeken blijkt dat een gedeelte van het schip nog in goede staat verkeert. Het is de bedoeling dat het schip wordt geborgen en tentoongesteld.

voorjaarsvakantie

Het was rustig op de weg. Een enkele auto. Een paar fietsers. Een jongen met een hond aan een lange lijn. Op de parkeerplaats een man in een busje met draaiende motor, wachtend op het moment dat zijn ramen ijsvrij zijn. Deur wagenwijd open. Onderhand druk bezig met zijn mobiel.

Op het Broezepad, het pad achter de tennisbanen langs de Regge, kan gelopen worden. Maandenlang was het onbegaanbaar vanwege de door en door natte bodem. Vandaag is het pad droog. De moerassige stukken zijn bevroren. Vogels fluiten en ganzen scheren over de rivier. Eenden trekken strepen in het water. En daar komt een reiger aan geklapperd.

Het werd tijd dat de zon zich weer liet zien. En niet eventjes of alleen in de vroege morgen. Nee de hele dag. De hele week misschien wel? Als dat zou kunnen? Het is voorjaar immers? Voorjaarsvakantie.

Foto: Regge bij de Wilgenweard, (links het Broezepad), 17-02-2025 09.00 uur.

guur

Bladeren ritselen over het terras. De ijverige huisvrouw heeft gister alle bladeren verwijderd, maar vanmorgen zijn ze er al weer. Ze dansen op de wind. De dorre bladeren maken een onnavolgbaar geluid op de tegels. Vandaag gaat de ijverige huisvrouw niet vegen. Ze kijkt van achter het glas naar buiten of er misschien tussen de wolken een glimpje van de zon te ontdekken valt. In het weerbericht op de radio wordt gemeld dat het weer de komende dagen ‘guur’ zal zijn. Dat betekent binnen blijven, de kachel hoog en onder een dekentje met een boek.

Ze had de huisarts hoopvol aangekeken. Tevergeefs. De griep duurt en duurt en als je denkt dat hij over is komt hij gewoon weer op volle kracht terug. Na de corona is de weerbaarheid aangetast volgens de dokter. Drankjes, poeders en pillen, veel drinken en uitzieken. Op de vraag wat nou eigenlijk uitzieken is had hij zijn handen in de lucht geheven. Beetje rustig aan doen. Binnen blijven, kachel hoog en onder een dekentje met een boek.

In de wachtkamer had een man gezeten, die van de leestafel de Donald Duck had gepakt. Hij had ze vanaf 1958 zei hij. Een hoge stapel bij hem op zolder. Hij las ze nog regelmatig en hij had ontdekt dat er af en toe hetzelfde verhaal in stond.

De ijverige huisvrouw ging kijken waar ze ook weer de oude ‘Asterix en Obelisken’ had bewaard. Ze kon ze niet vinden. Waarschijnlijk toch opgeruimd. Weggedaan. Ja ijver is een goede eigenschap maar heeft ook nadelen.

nooit meer…. Jan Ebeltjes

Het kan geen toeval zijn. Uitgerekend vorige week schreef ik in mijn Wiske over een organist die een kind redde. En wat doe jij?, stond er boven het stukje. Jan Ebeltjes deed heel veel, hij redde niet alleen het jongetje Roman. Als foundingfather van Stichting Choe, was hij de helper, de steun en toeverlaat van talloze jongeren en kinderen uit Oost Europa. ‘Inspirator’, ‘redder’, ‘herder’, ‘meester’, ‘vader’ noemen ze hem.

Het kan geen toeval zijn dat de samensteller van de Nieuwsbrief van de PG Nijverdal van zondag jongstleden uitgerekend de vermelding van de organist vergeten was.

Het kan geen toeval zijn dat ik ‘toch maar‘ voor naar de kerk gaan koos in plaats van een ochtendwandeling in de natuur op deze wonderschone morgen.

Er zijn mensen die zeggen de kerkdienst niet nodig te hebben om God te ontmoeten. Sterker nog: vaak juist helemaal niet: Ik ervaar God eerder in de natuur, of in mensen. In de kerk vind ik hem niet.

Ik ben een trouwe kerkganger. Ik ontmoet daar lang niet altijd God maar ik ervaar daar ‘wat je God zou kunnen noemen’ zeker wel. Er zijn aardige en vriendelijke medegelovigen, we hebben inspirerende predikanten en mooie gebouwen. In de Regenboog, waar ik meestal kerk, zijn fraaie glas-in-lood ramen en is een monumentaal orgel, een Mense Ruiterorgel. Met goede organisten. En Jan. Jan Ebeltjes.

Niets kon mij zo raken als het subtiele spel van Jan Ebeltjes. Vrolijkheid, opgetogenheid als er iets te vieren, te juichen viel. Je kreeg de neiging om mee te bewegen, te dansen. Melancholische muziek als het passend was bij de tekst van een lied of de woorden van de dominee. Ingehouden als het moest, dan weer sprankelend, of uitbundig. De handen van Jan toverden schoonheid de kerk in. Altijd passend bij de sfeer van de dienst. Ja als er iemand was die God de kerk in bracht was Jan het voor mij. Ontroerend en blijmakend. Ik heb vaak in stilte voor hem geapplaudisseerd.

Lieve Jan, je bent er niet meer, gister in de kerkdienst hoorden we van je plotselinge overlijden. Er ging een golf van ontzetting door de kerk en ik kan je zeggen dat het lang geleden is dat ik zo hartstochtelijk heb moeten huilen. Een kostbaar leven, een gouden schat: voor altijd voorbij. Dank je wel Jan Ebeltjes voor wat je hebt gedaan voor je medemens. Dank je wel voor wat je ons gegeven hebt met je prachtige muziek. Dank voor wie je was. Duizend maal dank. Voor alles…..

  • Stichting Choe biedt sinds 1994 hulp aan ouderloze kinderen en jongeren in Oekraïne.
  • Foto boven: De thuiskomst van de verloren zoon, bewerkt. (Zie Wiske 27 januari 2025 ‘ en wat doe jij.’) Niet Opa Jan en Roman, maar een engel die Jan ophaalt om naar huis te gaan.
  • Foto’s hieronder: Interview met Jan Ebeltjes uit 2009 in het boekje ‘Bidden aan de voet van de berg.’ Jan overleed plotseling jongstleden zaterdag 1 februari 2025. Hij was 63 jaar.

en wat doe jij

Met gemengde gevoelens ging ik. Naar Kampen, waar in de kerk Open Hof sinds enkele maanden een gezin uit Oezbekistan verblijft dat met uitzetting wordt bedreigd. Zolang er kerkdiensten worden gehouden, kan de politie de vader, moeder en vier kinderen niet uitzetten. Daarom worden in de kerkzaal dag en nacht erediensten gehouden door predikanten, pastores en vrijwilligers uit het hele land.

In 2019 had ik geen moment getwijfeld toen in Den Haag een dergelijke actie werd gehouden voor een Armeens gezin. Midden in de nacht waren we er met een klein groepje naar toe gegaan. Het had indruk gemaakt. Een hele aparte sfeer zo in het donker. En we hadden ook het gevoel dat we iets hadden bereikt. Er kwam een kinderpardon en er werd beloofd de procedures aan te pakken, er moest zo snel mogelijk duidelijk worden of men mocht blijven of niet. En de bevoegdheid om een uitzondering te maken zou niet langer bij de minister komen te liggen. Daar had het kerkasiel aan bijgedragen. De politiek was wakker geschud.

Kabinet Rutte Vier besloot op de valreep nogmaals tot een kinderpardon aan het eind van haar periode in 2024 omdat het met de procedures nog steeds helemaal mis ging en er werd besloten dat de bevoegdheid om uitzonderingen te maken voortaan bij het hoofd van de IND (Immigratie- en Naturalisatiedienst) zou liggen.

Hoe kon het dus dat dit gezin bij de twee kinderpardons niet in aanmerking kwam? De eerste keer omdat ze nog te kort in Nederland waren, maar de tweede keer? Ik lees dat Oezbekistan een veilig land is, maar niet voor Christenen hoor ik, maar waarom oordeelde de rechter dan zo hardvochtig? In Nederland hebben we toch rechtvaardige rechters? En waarom dit gezin, terwijl er zoveel andere gezinnen in Emmen zitten in dezelfde situatie?

Het zittende kabinet zou totaal geen oren hebben voor de nood van deze mensen hoorde ik om mij heen. Het gevoel dat het vooral een actie tegen kabinet Schoof en minister Faber is, zat mij niet lekker want dat er in dit land mensen jaren en jaren lang in een asielprocedure zitten kun je het kabinet dat een paar maanden aan het roer zit niet verwijten. En dan: het hoofd IND bepaalt, niet de minister.

Ik ben toch gegaan. Om te kijken, te zien of mijn twijfels weggenomen zouden worden. Want als mens van goede wille moet je openstaan voor datgene waar je het niet mee eens bent en onderzoeken waar de gevoelens van weerstand vandaan komen.

Het was een mooie middag, een prachtige viering met mooie liederen. De predikant kwam uit Nijverdal, de organist uit ‘het westen’, de bezoekers uit Almelo, Vriezenveen, Doetinchem, Wierden en Nijverdal. De enthousiaste vrijwilligers van de kerk gaven ons koffie en thee. Áan het einde van een gang verbleef het gezin. We hebben hen niet gezien, dat vond ik jammer al snap ik dat ze niet 24 uur aanwezig kunnen zijn bij de diensten die nu al twee maanden lang voortgaan.

Op de terugreis vertelde een van de medepassagiers uit Wierden hoe ze jaren geleden had meegewerkt aan een actie voor een kind uit een weeshuis in de Oekraïne. Het kind verbleef hier in een pleeggezin en was ernstig ziek. Een hele dure operatie zou hem kunnen redden. Met een klein clubje mensen gingen ze op pad om het geld bij elkaar te sprokkelen. In minder dan geen tijd lukte het: 80.000 gulden. Ik wist precies wie ze bedoelde. De jongen is nu een jongeman, hij woont tegenover mij, hij heeft een vrolijke vrouw en twee schattige zoontjes. De man die hem uit dat weeshuis ophaalde ken ik ook. Het is onze organist. Die twee jongetjes noemen hem opa Jan.

Ik had een paar foto’s in de kerk gemaakt. En mijn oog was gevallen op de prent aan de muur van een oude man met een stok en een jonge man naast hem waar hij de arm om heen slaat. Ik kan de tekst eronder niet meer lezen. Het zal wel een bijbelverhaal zijn. Ik noem het opa Jan en Roman.

Mijn twijfel is niet weg, maar aan de andere kant: ieder mens dat je redt is er eentje. Zoals dat kleine zieke jongetje uit de Oekraïne. Wie weet wat er voor een toekomst ligt te wachten op de kinderen van het Oezbeekse gezin.

maskers af

‘Stick to the bones’ zei zij altijd tegen mij als ik ergens tegen op zag. Ik begreep het eerst niet, maar ik denk er nog vaak aan, ook al zie ik haar nooit meer. Ik begrijp er uit dat je terug moet vallen op je botten, het stelsel van beenderen dat je bij elkaar houdt. Ik denk dan niet letterlijk aan mijn skelet maar ik weet precies waar ik naar moet voelen om overeind te blijven; op te staan, om er tegen aan te gaan.

Op de lange reis in de vroege morgen naar het Zeeuwse land op 19 januari 2025 zuchtte ik van genoegen bij het zien van de lange rijen kale bomen in het mistige landschap. Bomen in de lente zijn fris, puur. Bomen zijn vol en uitbundig in de zomer. Bomen in de herfst zijn kleurig en melancholisch. Maar o wat zijn bomen mooi in de winter. Geheel ontdaan van bladeren. Kaal. Silhouetten, staketsels, kunstwerken in het vlakke land.

Stick to the bones. De mens in haar ware gedaante. Zonder het omhulsel. Of zoals de jonge kunstenaar mij zei aan het eind van ons gesprek. Doe eens vaker je masker af. Laat jezelf zien. Wie je echt bent.

Maar niet altijd natuurlijk, over een paar maanden lopen we weer te juichen over het frisse groen van de lente. En wachten we op de zomer als alles losbarst. Om in de herfst te genieten van de zachte herfstkleuren. Maar nu nog even niet.

* Foto: Minke McCarroll

* Gesprek in Wat bezielt je @HOimedia met kunstenaar Robbin Veldman