afdruk


Ik ken iemand die er van overtuigd is dat zij en ik elkaar kennen vanuit een vorig leven. Ze loopt naast me en ik voel verwantschap, maar de taal van vorige levens herken ik niet. Ik ben er zeker van dat je niet een onbeschreven blad bent, als je geboren wordt. Ik denk dat je veel meedraagt van je voorgeslacht, maar vorige levens: ik weet het niet. 

Altijd als ik in Frankrijk kom heb ik het gevoel: dit is mijn land, hier kom ik vandaan. Een thuiskomen. Ik had het ook toen ik voor het eerst Franse les kreeg op de lagere school. Mijn hart sprong op, ik werd blij, ontroerd, alsof ik iets terugvond dat ik was kwijtgeraakt. Ik heb wel eens nagezocht wat mijn verborgen verleden zou kunnen zijn. Mijn achternaam verwijst inderdaad naar het noorden van Frankrijk, hugenoten. Mijn vader zag er uit als een Fransman en was het ook een beetje: een niet al te grote man met driftige pasjes als de gendarme  van Saint Tropez. 

Vorige week overleed de Vlaamse zanger Kris de Bruyne. Zie je wel, dacht ik toen ik zijn levensverhaal las. Daar liggen mijn roots. Zeker. Vast. Noord Frankrijk, en vandaar uit omhoog via Vlaanderen, naar Zeeland. 

Frankrijk, Vlaanderen, ik werd op mijn wenken bediend dit weekend. Matthijs van Nieuwkerk en Rob Kemps spraken in het TV-programma Matthijs gaat door. Het ging over Brel, over Piaf, over Parijs, over Franse chansons. Het was gelukkigmakende tv. Dat allemaal bij elkaar op die mooie winterse zondag het was te mooi om waar te zijn. Dat kon geen toeval zijn. Want dat geloof ik wel. Dat niets zomaar gebeurt. Dat alles met alles met alles verbonden is. 

Havo 4 op Hof Espelo

Het is druk op deze koude zonnige zondagmiddag op Hof Espelo, een landschap ten noordwesten van Enschede. Ik kan mijn auto niet kwijt op het parkeerplaatsje aan de ingang van het landgoed. Ook niet op de oprijlaan naar het koetshuis. Als ik achteruit rijd heb ik geluk. Er rijdt net een grote zwarte auto weg en ik kan zonder al te veel moeite mijn autootje kwijt.

“Is het hier altijd zo druk”?, vraag ik aan de twee jongens aan de ingang van het park. Ze staan achter een campingtafeltje met koffie, thee en chocolademelk met cake. Ze vertellen dat ze hier al een paar weken staan en dat het ieder weekend beredruk is. Ze hebben toestemming van de beheerder in afwachting van een vergunning van de gemeente. Het is een mooie bijverdienste nu hun werk in de horeca niet mogelijk is. Ze vinden het heel leuk werk, de mensen maken graag een praatje. We kunnen betalen met een tikkie. “Zijn jullie student hier aan de universiteit?”, vraag ik. “Nee, nee”, lachen ze, “We zitten in 4 Havo”. 

4 Havo. Ik vertel mijn wandelvriendin over mijn droevige ervaring in mijn eerste 4 Havo klassen. Een half jaar voor ik mijn bevoegdheid Frans haalde, kreeg ik de gelegenheid midden in het schooljaar in te valllen voor een zieke collega op de middelbare school. Ik kreeg een paar onderbouwklassen en twee Havo 4 klassen. Die onderbouw liep als vanzelf. Ik had immers een jarenlange ervaring op de basisschool. Maar die Havo 4 klassen. Die laatste twee uur op de woensdagmiddag met 4C en 4D. Trillend en misselijk van angst ging ik het lokaal in. Het was verschrikkelijk: door elkaar roepen, schreeuwen, gillen, uit de bank lopen, op een andere plaats gaan zitten, zodat ik iedereen bij de verkeerde naam noemde. Een nachtmerrie was het. Het toppunt was de rode tampon waar ik in greep toen ik een krijtje wilde pakken om iets op het bord te schrijven. Afschuwelijk. Iedere woensdagmiddag verlangde ik naar de bel van het einde van de les. 

Ik heb het overleefd. Ik hield stand. Maar vraag niet hoe. Na een half jaar nam ik opgelucht afscheid van ze. Ik kon op een naburige school een vaste baan krijgen, waar ik met een schone lei kon beginnen. Dankzij goede referenties van de directeur. Ik had zo knap die 4 Havo klassen in het gareel gekregen!  

de brug


Avondklokrellen. Een nieuw woord sinds dit weekend. Als ik mijn ipadje open klap na een vreedzame wonderschone ochtendwandeling lees ik er over. Van alle kanten verontwaardiging. Afkeuring. Veroordeling. Een speciale persconferentie van premier Rutte. Hij veroordeelt dit “crimineel geweld.” :” Het is ontoelaatbaar. Elk normaal mens kan hier alleen met afschuw kennis van nemen. Wat bezielt deze mensen?” Aldus Rutte. 

Ik woon in een rustig dorp, in een prachtige omgeving. Het is hier vredig. En ik denk na over die vraag. Wat bezielt deze mensen? Ik ken woede, ik ken geweld. Berg je maar, als het losbarst. Zeker in groepen is het levensgevaarlijk. Hoe dim je het? Hoe stop je het? Het is makkelijk van uit de verte raadgevingen te geven. “Aanpakken!”,” Streng beboeten!” Of  terugschelden op de social media. Ja premier Rutte, wat nu? Want je bent er niet klaar mee door het af te keuren, te veroordelen. Alsof er mensen zouden zijn die het goedkeuren of toejuichen. Nee het deugt niet, het kan niet en het mag niet, maar nu, wat nu? 

Er moet een brug zijn. Vind hem. 

Blue Monday


Als een donkere dreigende zwarte hond bespringt hij je. Blaffend en bijtend. Gevoelens van woede, haat, jaloezie, angst die in je om woelen. Je onrustig maken, bang, verward. Gevoelens die je ongelukkig maken, gedeprimeerd, depressief: De zwarte hond. Ik moest leren “hem de baas te worden, hem aan de riem te houden, af en toe een beetje de lijn te laten vieren, de hond met vriendelijkheid te bejegenen.” Dat was op zich geen slecht advies van mijn leermeester, maar niet genoeg. Ik leerde er van dat die gevoelens en mijn persoon niet samenvielen. Hij bleef komen: de zwarte hond. Als je jezelf dan ook nog plaagt met gedachten als: “waar komt het nou weer van”, “wat doe ik verkeerd”, waarom lukt het me niet”, ” leer ik het nou nooit”, kom je er niet, maak je het alleen maar erger.

Acceptance is het woord. Accepteren dat je een vat vol emoties bent. Stoppen met jezelf daar om te veroordelen. Toelaten die emoties. Ze in alle vezels van je lichaam voelen, ervaren. Durven voelen. Niet bang zijn. Het heeft mij geholpen. Naar de angst, de woede, de jaloezie, het verdriet, of welke naam je die gevoelens wilt geven, voelen. Misselijk. Tranen laten komen om wat verloren  ging, om wat kapot is gemaakt, om wat anders had gemoeten, om wat je zo graag had gehad, om: gewoon. Kom maar met die bui, die stortbui. Ga er maar in staan en hou vol, houd het uit. Hervind je adem en doe een stap achteruit. Kijk om je heen. En ontdek: De bui is over. De wolken drijven weg. Kijk. Hoor. Een vogel in de lucht. Ruik. De lente. Voel. Warmte. En. Je weet: het kan zo weer veranderen. Maar. Je weet: ik kan het, ik durf het, ik ben niet bang. Kom maar met die zwarte hond. Met Blue Monday. Het wordt vanzelf dinsdag. 
 

Video Acceptance van Bill Viola



Kalenderblad Januari Old lady and the plinth van Banksky 

20 jaar later

14 Jaar was ze. Ze was niet eens zo uitgaanderig. Ze had net zo lief thuis gebleven bij haar ouders. Maar haar vriendinnen halen haar over. Oudejaarsnacht 2000 Volendam, café ’t Hemeltje. Vlak na middernacht vliegt het café in brand. De kerstversiering ontvlamt door sterretjes, die kleine onschuldige stokjes die voor de meeste kinderen de eerste kennismaking met vuurwerk zijn. De ramp is niet te overzien. In de paniek lopen de jongelui alle kanten op, soms recht de brand in. Er zullen 14 doden vallen en 350 gewonden, waarvan 200 zwaar gewond. Zij is een van hen. 

20 Jaar later zit ze weer in de kroeg met 5 vriendinnen, die er toen ook bij waren. In het tv-programma Volendam-20 jaar na de brand. Je schrikt even als je haar voor het eerst goed in beeld ziet. Een gezicht vol littekens. Overal waar huid te zien is aangetaste huid. Beschadigde vingers. Naast haar de mooie presentatrice. En gaande weg het gesprek ga je ook haar schoonheid zien. Kaarsrecht, koninklijk zit ze daar. Ze vertelt rustig en nuchter hoe het allemaal gegaan is die nacht, hoe het was nadat ze wakker werd in het brandwondencentrum in Beverwijk, hoe de revalidatie verliep, hoeveel opreraties ze moest ondergaan en hoe haar leven er nu uitzag met haar gezin. Alles met een onvervalst Volendams accent. 

In de uitzending zie je foto’s van de vrouwen voor de brand. Meisjes. Young en beautiful. Fris, gaaf.  Ik kan me voorstellen dat hun ouders heel wat hebben weg moeten slikken toen ze hun kinderen terugzagen. Dat de meisjes met heel veel schroom voor het eerst naar zichzelf hebben gekeken in de spiegel.

 Alle meisjes en jongens, alle pubers, alle mensen, die naar zichzelf kijken en zichzelf te dik, te dun, te dit, te dat, niet mooi vinden, zou ik willen aanraden deze uitzending te bekijken. Om te zien hoe onder al die onvolkomenheden mooie sterke mensen langzaam zichtbaar worden. En dat wat hun gelukt is, jou ook misschien zou kunnen lukken. Accepteren dat het is zoals het is, en er van maken wat er van te maken is. Dat je mooi bent zoals je bent. Jij ook. 

Volendam-20 jaar na de brand-EO 

rummikub


“En wat zullen we gaan doen voor dat we gaan eten?” “Nou wat dacht je van een eindje wandelen en een spelletje doen?” Tegenover mij gefronste wenkbrauwen als ik op tweede kerstdag de rode doos op tafel zet. Op de eerste kerstdag had de doos al op tafel gestaan. En ook toen werd met scepsis gekeken. Rummikub is toch voor ouwe mensen. Niet voor vlotte, dynamische vrouwen toch. “Het is wel 2021 hoor!” Op 3 januari komt de doos weer op tafel. Deze keer zit er tegenover mij een meisje van negen jaar. Meestal loopt ze dansend en tiktokkend door de kamer. Of ze doet iets op haar iPad. Of kijkt teevee. Maar nu doen we een spelletje. Sinds lockdownkerst heeft de jonge familie spelletjes ontdekt. Hele moderne en nieuwe, maar ook ouderwetse zoals ganzebord, mens-erger-je-niet en ja rummikub. De jonge dame komt als eerste uit en zal het potje winnen. Tussen de beurten door stelt ze me allemaal vragen. Van alles vraagt ze. Alles vraagt ze. 

Op de sterfdag van mijn moeder, zit ik net als mijn moeder, die iedere middag naar haar buurvrouw ging om te rummikubben, met de karakteristieke stenen voor me. Ik vertel het meisje over die dag en ik moet precies vertellen hoe het was op die 3e januari 15 jaar geleden. Ik vertel haar dat ik het zo leuk vind om met haar te praten. Dat ik twee zonen, jongens had en dat dat toch anders is, dan meisjes. En ik vertel haar hoe blij ik ben met twee kleindochters. Die je in vertrouwen nemen, bij wie je je vertrouwd voelt.

Als ze naar huis loopt, draait ze zich een paar keer om, om naar me te zwaaien. Ze roept lieve woorden. Ik bedenk me hoe rijk ik ben, hoe gelukkig. Een oma heb ik nooit gekend, met mijn moeder waren de gesprekken nooit echt intiem, en hier zat ik: rummikubben met haar achter kleindochter. Wedden dat je van boven met genoegen naar ons gekeken hebt? Dat je zag wat jij zo moeilijk vond, wat jou niet was gegeven en bijgebracht? Dat die onderhuidse liefde gewoon doorgegeven is en nu in het licht mag staan? Het is 2021! Een mooie tijd. 

koudwaterzwemmers

Zaterdagmorgen kreeg ik deze foto van mijn nicht C met de tekst: “vanmorgen 7.40, zwemmen bij de IJssel.” Ik was aangenaam verrast. Ik herkende het profiel van Deventer. Ik zag mijn geliefde IJssel. Ik zag de brug. Ik zag het morgenlicht. Ik reageer: “Wat leuk, weet je dat je in een familietraditie staat van koudwaterzwemmers?” Mijn tante Rie die aan de Rijnmond in Katwijk woonde begon zomer en winter de dag met een duik in de Noordzee tot op hoge leeftijd. Mijn vader zwom bijna iedere dag. Weliswaar later in het zwembad van de KMA. Maar koud afdouchen was voor de voormalige marineman een must tot zijn laatste dag. Als kinderen moesten wij dat ook. En ik sluit nog iedere douchebeurt af met een koude douche. Ik ben een ochtendmens en begin de dag ook graag in het water van de Regge. Maar ik stop zodra de temperatuur onder de 10 graden duikt. Mijn nicht uit Twello zwemt in december dus 3 keer per week in het koude water van een nevengeul van de IJssel. En die is ook al lang geen twintig meer, wordt ze al niet bijna zestig? 

Zondagnacht droomde ik een rare, een nare droom. Ik sta aan de rand van een schacht, een soort liftkoker. Hij is heel diep en donker. Naast mij staat een koffer met daarin allemaal papieren, ze puilen uit tot over de rand van de koffer. Ik wil de koffer naar beneden gooien. Maar ik durf niet. Ik wil naar beneden. Maar ik durf niet. Vanonder uit de schacht wordt geroepen. Het zijn mijn kinderen. Ik herken de stem van mijn kleindochters. “Kom nou!” “Niet bang zijn!” “Gewoon langs de kant naar beneden!”. Aan de wanden zitten uitstulpsels zoals aan een klimwand. Ik zou liever langs de wand naar beneden glijden. Maar ik durf niet. Te diep. Langs de uitstulpsels zoals de meisjes roepen durf ik ook niet. 

Ik schrik wakker. Ik geloof dat ergens in de buurt carbid wordt afgeschoten. Val gelijk weer in slaap. 

Tegen de morgen droom ik weer. Ik droom dat ik zwem in het water. Precies zoals op de foto van C: Het is nog donker. In de verte komt de zon op. Ik ruik het water. Ik hoor het kabbelen van de rivier. Ik voel de wind. Ik zie zwarte hoofden boven het water. Één van de  figuren herken ik. De armen, de borst met haar, het witte hemd. Het is mijn vader. 

de toespraak van de pater

We zijn met zes in de Sint Egbertkapel op Schiermonnikoog. Het is de derde zondag van advent. “Zondag Gaudette dwz verheug u”. Drie vakantiegangers, twee bewoners van het eiland en voorganger pater Jezuïet Suffyn, die speciaal uit Amsterdam is overgekomen. Hij is een Vlaming vertelt hij voor aanvang van de viering, was pastor in Gent en nu werkzaam op de Krijtberg in Amsterdam. We geven hem aanwijzingen als hij zoekt naar de stopcontacten en de lichtknopjes op het liturgisch centrum. 

Hij vraagt mij of ik de lezing wil doen. Ja dat wil ik. Heel graag zelfs. Ik doe mijn best en ervaar hoe fijn ik dat vind, hoe heerlijk dat is: hardop lezen. Voor kinderen, in een klas, voor een zaal, in een kapel met zes mensen op een mistig eiland in december. Op toon, ieder woord uitspreken.

 Ik lees de woorden van deze zondag: Jesaja 61, 1-2a, 10-11. De geest van God, de Heer rust op mij, want de Heer heeft mij gezalfd, Hij heeft mij gezonden om aan armen, verslagenen, gevangenen, geketenden… “. 

“Wij denken in deze tijd van advent aan hoop en verwachting natuurlijk maar aan één ding”, zegt de pater, “een vaccin tegen de covid. Maar de woorden van Jesaja blijven in mij hangen. “De geest van God rust op mij”. Ik moet denken aan gisteravond toen ik een telefoontje kreeg van mijn nichtje Brit. Zij weet dat ik heel ongerust ben over mijn zuster, haar moeder. Die is ernstig ziek, kan niet meer beter worden. Ik mag niet naar haar toe en ik maak me heel veel zorgen nu ze is overgebracht naar het ziekenhuis. Mijn nichtje heeft heel lang met me gesproken en me verteld dat het goed gaat met haar, dat ze rustig is, dat ik me geen zorgen moet maken. Na het gesprek was ik helemaal gerustgesteld en kon ik slapen. Kijk de geest van God rustte op mijn nichtje. Zo een kleine daad van liefde dat doet zo veel. We mogen straks heel veel niet, maar laten we kijken wat er nog wel kan: een telefoontje, een appje, een briefje , een kaartje, een groet”. Een boeketje aan de deur, een stukje taart in een tupperwarebakje voor je buurvrouw, dacht ik er achteraan. Zwaaien. Iets schrijven. Gods geest noemt de pater het. Je kunt het ook andere woorden geven. Omzien, medemenselijkheid, noaberschap, humaniteit. “Het hoeft niet groot te zijn”, zei de pater. “Het zit hem juist in die kleine dingen”.

leegte, stilte, de zee en de wind, de wolken, de luchten, oneindige verten, eeuwenoude woorden: Schiermonnikoog december 2020 


The Crown

2020 Ik kijk nauwelijk nog tv. Ik kijk Netflix. Dit jaar ben ik een Netflixkijker geworden. Ik kijk series. Ik ben begonnen met The Restaurant. Die heb ik verslonden. Kon soms niet stoppen met kijken. The Queen’s Gambit is de laatste serie die ik heb gezien. Inmiddels heb ik mijn kijkgedrag in goede banen geleid. Niet meer dan twee afleveringen achter elkaar. 

The Crown is denk ik de beroemdste en meest bekeken serie. Het gaat over het Britse koningshuis met queen Elizabeth in de hoofrol. Je volgt haar van kinds af aan. In het vierde seizoen zien we haar als koningin in het tijdperk Thatcher. De meeste aandacht gaat echter naar het huwelijk van Charles en Diana. Of beter de huwelijksproblemen. We krijgen een aardig inkijkje in het wel en wee van de koninklijke familie. We zien hoe de fragiele Diana worstelt om haar plek te vinden in het wereldje van het hof. Hoe ze er alles aandoet de kroonprins van haar te doen houden. We zien hoe kroonprins worstelt om het huwelijk met de vrouw van wie hij niet houdt toch enigszins tot een succes te maken. We zien hoe hij verteerd wordt door jaloezie op zijn immens populaire vrouw. “The peoples’ princess”.

Bij wie ligt jouw sympathie vroeg ik aan een vriendin die de serie ook volgt. Ik vroeg het omdat mijn schoondochter het vooral opnam voor Diana. Ik ben nooit een bewonderaar van prinses Diana geweest en dat is na de serie niet veranderd. De jaloezie van Charles kon ik me voorstellen. De vriendin antwoordde: “Ik ben niet voor de één of de ander, zie bij allen een struggle. Wat een harnas, wat een fort is dat koningshuis”. 

Dat klopt. Als je de serie bekijkt zie je heel veel ongelukkige mensen. Margareth, Anne, Philip, Charles, Diana, ja wie is er eigenlijk wel gelukkig?  En toch kiezen ze er niet voor om uit te breken. Waarom koos Margareth niet voor de liefde van haar leven? Waarom trouwde Charles met het meisje van wie hij niet hield? Omdat ze het wereldje, de status, de rijkdom, de magie van “The Crown” niet hebben willen loslaten. Liever ongelukkig als prins dan eenvoudig en anoniem door het leven. Kiezen voor je geluk is er niet bij. Het is net het gewone leven. Kiezen. Daar is moed voor nodig. En daar hoort ook bij dat je dingen verliest. Je kan niet alles hebben.

Sinterklaas


We zitten in de kamer, de kachel brandt. Er is warme chocolademelk en speculaas. Oudste zus heeft de leiding vanavond. We gaan Sinterklaas liedjes zingen. En dan! Gebonk op de ramen, geschreeuw. Mijn vader loopt naar de deur. De hele familie rent er achter aan. Er staat niemand voor de deur. Maar wel een zak! Een jute zak. En een groot pakket. Gauw naar binnen. Want het is koud. Gauw weer terug naar de warme kamer. Pa en broer Gilles sjouwen alles naar binnen. En wie komt daar door de keuken ook binnen? He tante Rie! Puffend en hijgend, en laat ze nou de Sint en zijn Pieten aan het eind van de straat hebben zien wegrijden! 

Veel bijzonders kregen we niet. In ieder geval onze letter en chocolade muizen. Nieuwe gebreide sokken, zakdoeken, een pyama die je toch nodig had, dat was het wel zo’n beetje. Maar! Altijd een gedicht. Dat was het werk van de op één na oudste zus, realiseerde ik me later. In het gedicht werd je altijd stichtelijk toegesproken. De Sint was bijzonder goed op de hoogte van het wel en wee in de familie. Of je je bed wel opmaakte, netjes at. Of je wel mee hielp met tafel opruimen en de afwas. Maar gelukkig, je was nooit vervelend genoeg om in de zak naar Spanje te verdwijnen en je kreeg altijd een cadeau.

Ik zal vijf of zes geweest zijn toen de Sint opvallend uitpakte. We kregen dat jaar niet een klein cadeau, nee het was een enorm pakket dat naar binnen kwam. We kregen een “groot” cadeau. Mijn jongste broer kreeg een garage. Kunstig gezaagd en in elkaar getimmerd door mijn oudste broer, denk ik. In prachtige kleuren geschilderd. Rood en wit. Een garage van twee verdiepingen met een helling. Ik zie het nog zo voor me. We waren allemaal vol bewondering. Wat een mooi, wat een groot cadeau. En toen was ik aan de beurt. Ook al zo’n groot pak. “Eerst het gedicht”! Zus Aat las het voor. Vol spanning naar wat er in dat grote pak zat hoorde ik het gedicht maar half. Uit het papier kwam een poppenledikantje, gelast op de Royal denk ik, de fabriek waar mijn vader toen werkte. Op het bedje een matrasje en een dekentje, over het dekentje een dekje met het sprookje van Roodkapje er op geborduurd. Zo iets moois had ik nog nooit gezien. Ik was compleet gelukkig. Haalde gelijk mijn pop Tineke om haar in het bedje te leggen. Wat was ik blij. 

Wat hadden mijn zussen, mijn broer en tante Rie hun best gedaan. Maar die ene zin uit het gedicht. Die ben ik nooit vergeten. Dat had de Sint helemaal niet goed gezien. Dat bedje kreeg ik “omdat de Sint had gezien dat ik mijn popje soms niet goed verzorgde, haar soms vergat, en dat Tineke het soms koud had”. Ik was behoorlijk op mijn teentjes getrapt. Diep beledigd. Ik niet goed voor mijn pop zorgen? Mijn popje vergeten? Tineke had het soms koud? Nee die Sint wist er niks van. 

Sinterklaas. Het gezelligste familiefeest dat ik ken. Als kind vond ik het prachtig. Als moeder geweldig. Als juf enig. Als oma het ultieme familiegebeuren. Maar kijk uit wat je schrijft in het gedicht.

Het bedje en het kleedje.