
Voor ons ligt ‘De Redding’ van Judith Koelemeijer. Een novelle. Een dun boekje over een waar gebeurd verhaal.
Op een koude winteravond in januari, komt een zeventigjarige vrouw in het koude water terecht met haar auto. Binnen korte tijd staat de kade vol met mensen. Een jonge vrouw springt het water in en redt de vrouw. Van de grote groep mensen aan de kant is er één persoon die 112 heeft gebeld. De rest kijkt toe, loopt door. En er zijn er die het voorval filmen. De oude vrouw overleeft het. De vrouwen houden voor de rest van hun leven contact met elkaar.
Wat zou jij doen vraagt de gespreksleider van ons boekenclubje. Geen van ons zou in het water springen. 112 Bellen wel. ‘Wie heeft zoiets wel eens meegemaakt? Ik wilde al zeggen ‘ik niet’ tot ik me herinnerde dat nog niet zo lang geleden op een kruispunt hier vlakbij een jongen op de fiets met een enorme klap op de motorkap van een auto zag komen. Hij vloog door de lucht voor hij op de straat terecht kwam. De automobilist stopte met gierende banden. Ik liep naar de jongen toe samen met de mobilist die aan kwam gerend en een andere mevrouw die het ook had gezien. Zij kende de jongen en sprak hem toe, de jongen zei direct dat het meeviel. Terwijl de vrouw de moeder van de jongen belde krabbelde de jongen over eind. Ik vroeg of ‘het ging’ en legde mijn hand op zijn rug. Een paar minuten later kwam zijn moeder eraan gerend en niet veel later liep moeder met zoon richting huis. Zelfs de fiets had nauwelijks schade. De automobilist had zich over de fiets ontfermd en die tegen een boom gezet. We adviseerden de moeder om toch nog wel even naar de dokter te gaan.
Wat zou ik doen is wat anders dan wat heb ik gedaan en wat doe ik. Ik zou niet in het water gesprongen zijn en als er anderen zijn die er zich mee bemoeien en actie ondernemen trek ik me terug. Ik houd het bij een vriendelijk woord en een hand op de rug. Als ik verder niets kan doen loop ik door. Maar had ik de automobilist niet moeten vragen hoe het met hem was?
Vanmorgen liep ik langs het halfbevroren vennetje. Nee ik zou niet in het water springen. Maar als het nou een kind was? Of iemand die ik ken? Of? Ik zou heel hard gillen om hulp, 112 bellen. Ik zou. Maar als er niemand kwam? Zou ik dan toch niet? Jas en schoenen uit en springen? Ja toch? Ik wil er niet aan denken.