
Paasvuur, ik maakte er voor het eerst kennis mee toen ik in het oosten van het land kwam wonen. In Katwijk kennen ze het niet en ook in Brabant had ik het niet meegemaakt.
Toen de kinderen klein waren gingen we wel eens kijken. Maar echt enthousiast was ik er niet over. Het was vaak een koude en of natte bedoening op de eerste paasdag. En veel drukte. De dag erop stonk het tot in de hele omgeving. Toen ik er niet meer naar toe hoefde omdat de kinderen opgroeiden, sloeg ik het over. Meestal vergat ik het ook en was het de rooklucht die me er aan herinnerde dat er paasvuren waren geweest, ergens.
Sinds een paar jaar is er een discussie of paasvuren nog wel kunnen in verband met de vele stikstof die de lucht in gaat door de paasvuren. Vanaf dat moment was mijn interesse gewekt. Want als oude gebruiken moeten worden afgeschaft veer ik op. Wat vind ik er van? Waar sta ik als het over deze materie gaat?
In het tv programma Carrie op Vrijdag vertelde een paasvuur kenner dat het een eeuwenoud gebruik is, zelfs al van ver voor onze jaartelling. Dat het de overgang markeert van het donkere jaargetijde naar de lente, van het duister naar het licht. Hij vertelde ook iets wat ik niet wist. Dat alles wat achter ligt wordt verbrand en er ruimte komt voor een nieuw begin. Letterlijk maar ook figuurlijk. Hij nam altijd een stokje of stukje hout mee dat hij op eerste paasdag in het vuur gooide en dan dacht aan iets wat hij achter zich wilde laten, op wilde ruimen, verbranden om verder te kunnen gaan.
Sinds een paar jaar ga ik weer naar het paasvuur. Niet op eerste paasdag maar op de morgen van tweede paasdag. Want meestal smeult het vuur dan nog. Het paasvuur in Hellendoorn langs de Regge brandde zelfs nog vanmorgen. Het was een prachtige morgen. Ik heb een takje in het vuur gegooid en aan iets gedacht wat ik achter me wil laten.
Terwijl ik naar het vuur stond te kijken kwam er een mevrouw naast me staan. We praatten met elkaar over het paasvuur. Zij kwam uit de streek en had haar hele leven het paasvuur meegemaakt. Vroeger was het gewoon nog midden in het dorp. Zij ging ook niet meer op de avond. Ze wist niet dat het al zo’n oud gebruik was. Daar had ze nooit zo over nagedacht. Het hoorde er gewoon bij. We vroegen aan elkaar wat we hadden gedaan met pasen en wat we nog gingen doen met pasen. Zij ging brunchen met haar dochter. Ik vertelde dat ik al had gebruncht op eerste paasdag. Ze vertelde dat het wel lastig was omdat haar man nog niet niet zo lang geleden was overleden. ‘Maar ja je moet verder’.
We wisselden onze namen uit. Nee onze namen kwamen ons niet bekend voor. We wensten elkaar een fijne dag en zeiden dat het wel een mooie ontmoeting was. Dat was het zeker. Een mooi begin van de dag. Tweede paasdag.