De lakschoentjes met vetertjes staan symbool voor haar gelukkige jeugd. Haar ouders waren dolgelukkig toen ze op de wereld kwam. Blij met het kleine meisje, iedere dag opnieuw. Een veilig warm nest. En ze mocht de wijde wereld in op die mooie veterschoentjes. Er op uit en van alles ondernemen, onderzoeken, proberen. Vallen en opstaan en papa of mama maakt de vetertjes weer vast. Niet bang zijn. Doe maar. Leef maar. Woeker maar met je talenten. Een mooi begin van een mooi leven. Een ‘rijk’ leven.
Ze sprak na de vrouw die ook al zo begenadigd was: getalenteerd en ook nog rijk in de letterlijke zin van het woord. ‘Altijd uitgaan van je eigen kracht, je niet vergelijken met anderen, goed luisteren, kijken en voelen naar wat er om je heen gebeurt.’ ‘Als je veel hebt gekregen heb je ook veel te geven.’
Er wordt gezegd dat je steelt van de armen als je rijk bent. In de bijbel staat dat het ‘gemakkelijker is voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’ Onmogelijk dus. Ook als je er van uit gaat dat met de naald het nauwe stadspoortje in de stadsmuur wordt bedoeld.
En toch
En toch zijn er mensen die alles mee lijken te hebben: getalenteerd, gezond, knap, geliefd, gelukkig en ook nog rijk, die het koninkrijk der hemelen op aarde lijken waar te maken. Door te delen, te geven, te inspireren, te zijn wie ze zijn, zoals ze zijn, wat ze zijn. Omdat ze alles wat ze mee hebben gekregen en ontvangen niet voor zichzelf houden maar uitdelen. Rondstrooien. Met gulle hand.
Ja ik ga. Ik ga naar de Internationale Vrouwendag vrijdag 8 maart. Het was heel lang geleden dat ik naar zo’n bijeenkomst geweest ben. En dat terwijl ik me er in de 70er jaren zo druk voor had gemaakt. En dat terwijl ik zulke goeie en mooie herinneringen aan de inspirerende en hartverwarmende internationale vrouwendagen heb. Maar op een gegeven moment kwam de klad er in. En als iemand me niet had uitgenodigd was ik waarschijnlijk ook dit jaar niet gegaan.
Maar toen ik vanmorgen in de krant las dat het kabinet de term ‘moeder’ wil schrappen uit de ‘basisregistratie personen’ kwam mijn strijdbaarheid vlammend omhoog en besloot ik dat mijn Wiske vanmorgen over vrouwen, en moeders in het bijzonder, zou gaan. *
De Internationale Vrouwendag is er om de strijdbaarheid van vrouwen en het gevoel van solidariteit met elkaar overal ter wereld te vieren. Dat het op 8 maart gevierd wordt heeft te maken met de staking van Russische vrouwen in 1917 op 8 maart voor betere arbeidsomstandigheden. De Russische vrouwen gingen de straat op en protesteerden tegen de slechte arbeidsomstandigheden, tegen oorlog, tegen voedseltekorten.
Daarom denk ik dit jaar speciaal aan alle Russische moeders en vrouwen, van wie de kinderen de oorlog ingestuurd worden. Aan de Russische vrouwen die de afgelopen dagen de straat op hebben durven gaan om bloemen te leggen voor Navalny, die hebben durven roepen STOP THE WAR. Vrouwen, moeders. Ik durf niet te beweren dat de wereld er beter uit zou zien als vrouwen de baas zouden zijn. Maar het zijn wel allemaal mannen die oorlogen beginnen en voeren.
Laten we als vrouwen niet ophouden strijdbaar en solidair te zijn met vrouwen en moeders die een hoge prijs moeten betalen voor oorlogszucht en geweld in de wereld. En opstaan als er dingen gebeuren die niet zouden moeten. Zoals de onzinnige voorstellen om woorden als man, vrouw, jongen, meisje, vader en MOEDER uit het publieke domein te verwijderen.
* Naschrift: Hoor net op de radio dat het voorstel niet doorgaat. Dat nu uitgerekend twee mannen een stokje hebben gestoken voor de wijziging (‘de ouder uit wie het kind geboren wordt’ in plaats van ‘moeder’). Notabene Geert Wilders van de PVV en Andre Flach van de SGP. Ja…
Mozart, Pianoconcert No 23 in A Major, K. 488 II Adagio verschijnt op het schermpje van de autoradio als Arie de auto op de parkeerplaats voor het Gezondheidscentrum heeft geplaatst. Hij wil de autosleutel omdraaien om uit het slot te halen, maar wacht even. Mooie muziek. Heel mooi. Dan draait hij resoluut de sleutel om en trekt de sleutel uit het slot. Hij stopt de sleutels in zijn broekzak. Hij maakt een kwartslag op zijn stoel en slaat zijn beide benen tegen elkaar terwijl hij met zijn rechterhand de deur open doet. Het rechterbeen zet hij op de grond en vervolgens heel behoedzaam het andere been ernaast. Met de rechterhand aan de deur en de linkerhand tegen de stoel duwt hij zich omhoog. Het is gelukt. Hij staat. Hij haalt de sleutels weer te voorschijn en sluit de auto af. Voetje voor voetje bereikt hij de ingang van het Centrum. De deuren gaan vanzelf open als hij er voor staat. Dat scheelt.
Wat hem scheelt? De arts leest op wat er doorgegeven is: heftige pijn in linkerbeen, al een paar weken, wordt steeds erger.
De arts spreekt hem met u aan, hij heeft de man die voor hem zit nog nooit gezien. Een vitale senior zo te zien, die wat angstig, wat achterdochtig uit de ogen kijkt. Hij is verbaasd als hij het geboortejaar op zijn scherm ziet: 1936. Dat had hij de man bij lange niet gegeven. Terwijl hij de man onderzoekt voelt hij de spanning uit het lijf wegtrekken. De klacht lijkt hem ‘niet ernstig, een vervelende spier zo te zien.’ Een doorverwijzing naar de fysiotherapeut. ‘Mag ik nog even uw hartslag en bloeddruk opmeten voor de zekerheid en nog een paar routinevragen stellen?’
‘U gebruikt helemaal geen medicijnen? Geen bloedverdunners? Geen slaaptabletten? Geen supplementen, of vitaminetabletten? Hoe bent u zo gezond oud geworden?
Maar ik ben pas eenentwintig grapt Arie, eind van de maand word ik tweeëntwintig. Alle spanning is weg bij Arie na de geruststellende woorden van de arts. Zijn ogen glanzen weer als hij vertelt over de bijzondere verjaardag van hem op 29 februari. Opgelucht verlaat hij het gezondheidscentrum. Als hij in de auto zit doet hij eerst de radio aan. Mooie muziek, heel mooi.
Vandaag is de geboortedag van mijn zus Rieteke. Mijn zwager appte me al vroeg in de morgen om me te herinneren aan haar geboortedag met een foto en de woorden: ik mis haar.
Ja we missen haar. Rieteke was behalve echtgenote, moeder, oma, zus, vriendin, familielid, collega, buurvrouw, dorpsgenoot, clublid, meelevend kerklid en een heleboel meer. Ik weet zeker dat zij gemist wordt.
In mijn poëziealbum heb ik haar versje opgezocht. Het is een portret van mijn zus. Meer dan een foto is het dat handschrift. Bescheiden, niet te groot, keurig en net, zorgvuldig. Haar gezicht zie ik vaag in mijn herinnering, maar haar stem kan ik zo oproepen in mijn hoofd. Zo is ze voor altijd bij mij net als de andere stemmen uit ons gezin die er niet meer zijn. Het versje is lief: lieve Willy, al met ygrec geschreven. Over beuken en linden. Een bijpassend plaatje. De fouten voorzichtig weggewerkt, want er was nog geen tippex. Maar ook wel even zich laten zien met die ‘soort van’ handtekening.
Nee ik ga je niet vergeten Rieteke. Vanmorgen heb ik gewandeld onder de wolkenhemel met een streepje blauw, langs wegen, water en bomen. Ik heb een beuk gezien, maar geen linde. Wel heb ik heel veel sneeuwklokjes gezien. Ik heb gedacht aan jou, hoe we konden lachen; hoe het was in ons gezin; hoe pa uit de bocht kon vliegen; aan al die aanbidders van je; hoe ik moest huilen toen je ging trouwen en je heel ver weg ging wonen; aan je gastvrijheid, je gezellige gezin daar in Friesland.
Jij en ik vroegen ons wel eens af of we ook dement zouden worden net als onze oudere broer en zussen. Maar jij werd ongeneeslijk ziek en overleed na een paar maanden op 71-jarige leeftijd in 2017. Je was nog zo jong.
Gerrit haalt zijn boodschappen altijd bij de super in de buurt. Daar kan hij lopend naar toe. Maar één keer in de paar maanden stapt hij op de fiets om boodschappen te halen bij de Aldi. De Aldi staat aan de andere kant van het dorp. Hij heeft een paar dingen die hij daar haalt: deodorant, tandpasta en bodymilk. Hij haalt dan een paar stuks van elk, zodat hij een tijdje vooruit kan. De producten bevallen hem en zijn goedkoop. Vorige week toen de zon scheen heeft hij zijn fiets uit de schuur gehaald en is hij met een omweg naar de winkel gereden. Drie dingen, altijd hetzelfde, dus geen boodschappenbriefje nodig.
Het is een hele grote winkel en Gerrit vindt het heerlijk rond te snuffelen in de winkel. Het is niet voor het eerst dat Gerrit thuis zal komen met veel meer dan de drie vaste producten van de Aldi. Het leuke, het verleidelijke van de Aldi is dat tussen de schappen met de levensmiddelen gangen zijn waar grote bakken staan met allerlei artikelen.
In de kar van Gerrit belanden ‘comfortschoenen’ van €19.99, 10 paar witte sportsokken voor een paar euro, seconde lijm van nog geen euro, en toch ook maar die belachelijk laag geprijsde wandelschoenen. Bij de kassa staat een rek met kleine voorjaarsplantjes, €1.99 per stuk. Gerrit twijfelt tussen de Campanula’s maar neemt een mooi oranje plantje mee. Op een sticker staat de naam van het plantje: ornithogalum dubium. Hij heeft er nog nooit van gehoord. Thuis zoekt Gerrit het op. Het is een plantje dat in het wild in Zuid Afrika groeit op een steenachtige bodem. Daar een vrij zeldzame plant. Het kan 30 tot 40 cm hoog worden en flink uitwaaieren. De bollen zijn eetbaar en het plantje wordt ook wel gegeten als een soort asperge. Hier heet het plantje vogelmelk* en is het een kamerplant. Hij twijfelt of hij het oranje plantje zal houden of dat hij het zal geven aan de aardige mevrouw die hem vanmiddag komt bezoeken. Hij besluit het laatste. Hij zal de sticker er af halen en als het droog blijft zal hij nog een keer naar de andere kant van het dorp fietsen. En dan zal hij ook nog eens kijken naar dat knie- en beenkussen van 7 euro 99.
* Vogelmelk is de letterlijke Nederlandse vertaling van het Griekse ornithogalum. Er is in de boeken geen verklaring te vinden waar de naam vandaan komt.
Ze waren altijd samen. Als de bel ging stoven ze de school uit. Dan gingen ze rennen, voetballen, hutten bouwen of karren in elkaar zetten. Vrienden. Allebei anders. Heel anders zelfs maar echte vrienden. Toen ze na de lagere school allebei naar een andere school gingen veranderde dat niet. Na school, na het huiswerk, zochten ze elkaar op en gingen ze verder met timmeren, met bouwen, brommers in elkaar zetten en vissen.
Alles veranderde toen Piet verliefd werd. Jan kan het zich nog goed herinneren. Hoe de belangstelling van Piet verdween. Hoe hij ellenlange verhalen over het meisje aan moest horen. En hoe hij soms tevergeefs wachtte op Piet. ‘Oh sorry, maar..’ Hoe het contact langzaam maar zeker verwaterde. En hoe ze bij elkaar zaten en Jan voelde dat het weg was, voorbij was, nooit meer hetzelfde zou zijn. Hij voelde zich in de steek gelaten. Jaren later, toen Piet getrouwd was met een heel ander meisje en Jan met een lief aan zijn zij, gingen ze nog wel eens bij elkaar ‘op visite’. Dan praatten ze over de kinderen en hun werk en over de voetbal. Maar het was niet meer zo als vroeger. Dat was voorbij.
Toen Piet weduwnaar werd ging Jan er af en toe langs. Om een kopje koffie te drinken. Dan hadden ze het over vroeger. Hoe leuk ze het hadden en hoe mooi het was. Dat waren momenten dat het er weer was. Zoals het was. Ooit vroeger. Twee kameraden, gezworen kameraden.
Vandaag loopt Jan door een tehuis. De Berkenhof. Hij gaat op bezoek bij Piet. Hij moet door lange gangen en komt langs allerlei ruimtes met oude mensen. Deuren zwaaien open en gaan achter hem dicht. Voor Piet komt, moet Jan wachten in de ‘huiskamer’. Daar zitten mensen op de bank bij een heel groot tv-scherm. Het lijkt of ze alleen maar voor zich uit staren. Alsof ze niets zien, alsof ze niets horen. Piet komt binnen met een ‘begeleider.’ Hij knikt naar Jan. ‘Dag meneer.’
*Vriendschapsverdriet, noemde dichter Ellen Deckwitz het gevoel dat bij haar bovenkwam bij het gedicht van Hans Lodeizen
Eens in de maand hangen ze in een linnen tasje aan de deur. Een stapeltje Groene Amsterdammers, volgens de voorpagina ‘Onafhankelijk weekblad sinds 1877’.
Henk leest geen krant, kijkt geen tv. Hij luistert op de radio alleen naar muziek. Hij leest per week een paar boeken. Bij voorkeur historische romans. En verder leest hij de Groene Amsterdammer. Die krijgt hij eens in de maand van een oud collega. In een linnentasje aan de deur.
Daar heeft hij genoeg aan, zegt hij, om op de hoogte te blijven van wat er speelt in de wereld.
Hij houdt van woorden, zegt hij. Als hij een mooie zin ziet, knipt hij die uit en stopt hij het in een grote houten kist. Hij schrijft de datum, het onderwerp en de persoon van wie de tekst afkomstig is, achterop. Soms legt hij het knipsel op de tafel of stopt hij het in zijn zak om er af en toe even naar te kijken en over na te denken, voor het in de kist verdwijnt.
Vandaag denkt hij na over het gedicht, de regel van Warsan Shire waar de kunstenaar Marlene Dumas naar verwijst: I have my mother’s mouth and my father’s eyes; on my face they are still together
Dat gaat hij uitknippen.
* De Groene Amsterdammer van 11 januari 2024 met Gasthoofdredacteur Marlene Dumas, Beeld zoekt zin
Het was jaren geleden dat ze hem gevraagd hadden. Een mevrouw van de kerk: Kees zou jij? Een mevrouw helpen die in de schulden zat. ‘Haar financiën niet op orde’, had de vrouw van de kerk gezegd.
Ach, Kees wou dat wel. Net gepensioneerd en hij was de beroerdste niet. Hij had er ook aardigheid in gekregen. En het was hem gelukt ook nog. Na ruim een jaar kon hij de vrouw zeggen dat het tijd was om het nou zelf te doen en dat hij alleen nog maar langs zou komen om een kopje koffie te drinken. Iedere keer dat hij dat deed overlaadde de vrouw Kees met dankbetuigingen en zei ze: ‘ Je bent een goed mens Kees, je bent vriendelijk en streng, en dat heb ik nodig, iedere keer als jij komt denk ik er weer aan om precies te zijn met mijn centjes.’ Af en toe belde ze Kees als er iets was wat ze niet snapte. Dat had Kees ook gezegd dat ze moest bellen als er iets was. Daarbij had Kees met zijn vinger in de lucht gezwaaid en streng gekeken vanachter zijn grote brillenglazen.
Vorige week had ze gebeld. Ze was uitgegleden in de straat en durfde geen boodschappen meer te doen. Zou Kees?
Op het keukenblad had het klaar gelegen: de tas, het boodschappenlijstje, de pinpas. Weer had ze hem op allerlei manieren bedankt: ‘Neem ook een bloemetje mee voor je vrouw Kees.’ Toen Kees het pinpasje in zijn jaszak stopte, keek hij haar aan. Hij boog voorover , kneep zijn ogen samen en legde zijn hand op haar schouder: ‘Misschien moet ik jou wel bedanken, dat je me zo vertrouwt dat je me zo maar je pinpasje meegeeft.’ Ze keken elkaar zwijgend aan. Kees knikte.
‘Papa, papa!’, roept het jongetje. Op de Middellandse Zee dreigt een schip met honderden vluchtelingen aan boord te kapseizen. Een boot van Amnesty International rukt uit met sloepen en reddingsvesten. Een reddingswerker geeft via een megafoon instructies. De mensen moeten de oranje reddingsvesten aandoen en goed luisteren: ‘We gaan jullie allemaal veilig aan land brengen, maar jullie moeten de instructies volgen.’
Eén voor één worden de vluchtelingen overgeheveld vanaf de gammele boot in de sloepen. Één van de eersten is een jongetje. Hij schreeuwt het uit, hij wil niet gescheiden worden van zijn vader: ‘papa, papa!’ Op de boot wordt geschreeuwd, geroepen, geduwd. Een half uur later vaart de eerste sloep naar de kust terug, propvol met enkele tientallen vluchtelingen aan boord. De gammele boot met de achtergebleven vluchtelingen in de verte. In doodse stilte zitten de mensen tegen elkaar aan. Ook het jongetje is stil.
‘Als kind was ik heel bang’, zegt de bijna honderdjarige vrouw. Het is het antwoord op de vraag van de dokter die aan haar bed zit. Nee bang om dood te gaan is ze niet. Ook nu ze weet dat de dood heel dicht bij lijkt te komen. Ja ze had graag honderd geworden, maar als het niet zo is, is het goed. ‘Ik heb een mooi leven gehad. Nee bang? Ja soms kan ik niet slapen en dan kan ik me zorgen maken om mijn kleinkinderen en achterkleinkinderen. Dat ze niet uitglijden op de fiets, of gepest worden. Dat ze gelukkig worden, hun werk houden. Dat ze geen gevaarlijke dingen doen. Ja dan ben ik wel bang. Dat ze geen oorlog hoeven mee te maken, of een natuurramp. Gek hè? Vanmorgen werd ik wakker en toen zag ik een blauw zwaailicht in de verte en toen dacht ik gelijk het zal toch niet voor één van mijn kleinkinderen of achterkleinkinderen zijn?’ ‘En toen was het voor u’, lacht de arts. ‘Maar ik stuur de ambulance weer weg, u blijft gewoon thuis.’
Ik moet hard rennen om op tijd te zijn voor het liedrecital in theater de Stoomfabriek in Dalfsen. Het laaggelegen parkeerterrein stond onder water en in het centrum van Dalfsen was het moeilijk een plekje te vinden. De vriendin met wie ik afgesproken had was zo maar ergens gaan staan met haar auto, maar ik had lang gezocht naar een echte parkeerplek met een parkeerkaart die daar vereist was. Een vriendelijke man bij de ingang verzekerde me dat ik niet bang hoefde te zijn voor een boete, ‘je ziet hier nooit agenten of controleurs’.
Na het concert, bij een bittergarnituurtje en een glaasje wijn praten we over hoe het met ons is, we hebben elkaar een tijd niet gezien. Ze vertelt me een verhaal over een gebeurtenis in de afgelopen week. Ze wilde haar hulp, een oost europese vrouw bedanken voor alles wat ze voor haar gedaan had al jaren lang. De vrouw ging binnenkort ergens anders wonen en vriendin en haar man hadden afgesproken haar een gul afscheidscadeau te geven. De vrouw sprak altijd bewonderend over de mooie sieraden die mijn vriendin draagt en daarom dachten zij aan een sieraad, een ring, een mooie ring. Bij de koffie deze week vroeg mijn vriendin of ze even haar ring wilde passen om te kijken welke maat ring ze zou moeten hebben. De vrouw begreep het niet goed blijkbaar. Ze vloog mijn vriendin huilend om de hals en bedankte haar voor de ring die ze zoooo mooi, zooo mooi vond. Mijn vriendin, die altijd mooie grote ringen draagt, ze heeft er tientallen in alle kleuren en materialen die je maar bedenken kunt, had die dag juist een ring aan waar ze erg aan gehecht is, die heel speciaal voor haar is. Maar ze kon het niet over haar hart verkrijgen de vrouw teleur te stellen. ‘Het deed gewoon pijn haar met die ring te zien. Maar eigenlijk was het ook wel mooi eigenlijk, iets weg te geven dat je echt wat ‘kost’.
Dat vond ik mooi van mijn goede vriendin. Maar het was ook frappant. Uitgerekend twee dagen ervoor had ik met een paar mensen gesproken over een cadeau dat je aan iemand geeft en dat zeer doet. Het was naar aanleiding van het liedje van de Drummer Boy, die zo arm is dat hij geen geschenk heeft, zelfs niet iets kleins, om aan het Kindje in de Kribbe te geven. Daarom ging hij naar de Stal en het Kindje met het enige bezit dat hij had, een oude trommel. Met een paar stokjes uit het veld speelde hij op de trommel voor het Kindje Jezus. Wij bespraken toen wat wij zouden hebben meegenomen naar de stal iets wat ons heel dierbaar was. Iets geven wat haast pijn doet. Wat iets ‘kost’. Ik vertelde over die keer lang geleden dat ik iemand iets had gegeven wat echt zeer deed en als ik er aan terugdenk nog steeds een beetje.
Een goede vriend was bijzonder zorgzaam geweest en had heel veel gedaan in een moeilijke periode in ons gezin. Ik vroeg hem of er iets was wat hij als herinnering aan deze tijd wilde krijgen van ons. Hij dacht na en zei dat hij wel één van de schilderijen van mijn schoonvader wilde hebben, ‘maar hoeft niet hoor!’ Ik had er een heleboel, maar er was er één… . Ik besloot hem te laten kiezen en overwoog die ene achter te houden, maar deed het niet. Ik moest denken aan een verhaal in de bijbel over Ananias en Saffira. Je geeft iets of niets, je houdt niet stiekem iets achter voor jezelf. De goede vriend koos natuurlijk dat ene schilderijtje. Het deed pijn. Als ik bij hen op visite kwam, was het het eerste waar ik naar keek en het deed nog heel lang een beetje pijn.
Maar vooral frappant is het dat twee vriendinnen onafhankelijk van elkaar hetzelfde meemaken, over het zelfde nadenken en praten. Zoals in een mooi schilderij waar een bepaalde kleur even terug komt. Ik kan het niet laten. Ik zie er verbindingen in, samenhang.
Ik maak nog een mooie foto van het hoge water in Dalfsen. Thuisgekomen zie ik dat er prachtige blauwe bogen op de foto te zien zijn. Dat kan niet anders dat heeft met dat blauw in het schilderijtje van mijn schoonvader te maken.