koudwaterzwemmers

Zaterdagmorgen kreeg ik deze foto van mijn nicht C met de tekst: “vanmorgen 7.40, zwemmen bij de IJssel.” Ik was aangenaam verrast. Ik herkende het profiel van Deventer. Ik zag mijn geliefde IJssel. Ik zag de brug. Ik zag het morgenlicht. Ik reageer: “Wat leuk, weet je dat je in een familietraditie staat van koudwaterzwemmers?” Mijn tante Rie die aan de Rijnmond in Katwijk woonde begon zomer en winter de dag met een duik in de Noordzee tot op hoge leeftijd. Mijn vader zwom bijna iedere dag. Weliswaar later in het zwembad van de KMA. Maar koud afdouchen was voor de voormalige marineman een must tot zijn laatste dag. Als kinderen moesten wij dat ook. En ik sluit nog iedere douchebeurt af met een koude douche. Ik ben een ochtendmens en begin de dag ook graag in het water van de Regge. Maar ik stop zodra de temperatuur onder de 10 graden duikt. Mijn nicht uit Twello zwemt in december dus 3 keer per week in het koude water van een nevengeul van de IJssel. En die is ook al lang geen twintig meer, wordt ze al niet bijna zestig? 

Zondagnacht droomde ik een rare, een nare droom. Ik sta aan de rand van een schacht, een soort liftkoker. Hij is heel diep en donker. Naast mij staat een koffer met daarin allemaal papieren, ze puilen uit tot over de rand van de koffer. Ik wil de koffer naar beneden gooien. Maar ik durf niet. Ik wil naar beneden. Maar ik durf niet. Vanonder uit de schacht wordt geroepen. Het zijn mijn kinderen. Ik herken de stem van mijn kleindochters. “Kom nou!” “Niet bang zijn!” “Gewoon langs de kant naar beneden!”. Aan de wanden zitten uitstulpsels zoals aan een klimwand. Ik zou liever langs de wand naar beneden glijden. Maar ik durf niet. Te diep. Langs de uitstulpsels zoals de meisjes roepen durf ik ook niet. 

Ik schrik wakker. Ik geloof dat ergens in de buurt carbid wordt afgeschoten. Val gelijk weer in slaap. 

Tegen de morgen droom ik weer. Ik droom dat ik zwem in het water. Precies zoals op de foto van C: Het is nog donker. In de verte komt de zon op. Ik ruik het water. Ik hoor het kabbelen van de rivier. Ik voel de wind. Ik zie zwarte hoofden boven het water. Één van de  figuren herken ik. De armen, de borst met haar, het witte hemd. Het is mijn vader. 

de toespraak van de pater

We zijn met zes in de Sint Egbertkapel op Schiermonnikoog. Het is de derde zondag van advent. “Zondag Gaudette dwz verheug u”. Drie vakantiegangers, twee bewoners van het eiland en voorganger pater Jezuïet Suffyn, die speciaal uit Amsterdam is overgekomen. Hij is een Vlaming vertelt hij voor aanvang van de viering, was pastor in Gent en nu werkzaam op de Krijtberg in Amsterdam. We geven hem aanwijzingen als hij zoekt naar de stopcontacten en de lichtknopjes op het liturgisch centrum. 

Hij vraagt mij of ik de lezing wil doen. Ja dat wil ik. Heel graag zelfs. Ik doe mijn best en ervaar hoe fijn ik dat vind, hoe heerlijk dat is: hardop lezen. Voor kinderen, in een klas, voor een zaal, in een kapel met zes mensen op een mistig eiland in december. Op toon, ieder woord uitspreken.

 Ik lees de woorden van deze zondag: Jesaja 61, 1-2a, 10-11. De geest van God, de Heer rust op mij, want de Heer heeft mij gezalfd, Hij heeft mij gezonden om aan armen, verslagenen, gevangenen, geketenden… “. 

“Wij denken in deze tijd van advent aan hoop en verwachting natuurlijk maar aan één ding”, zegt de pater, “een vaccin tegen de covid. Maar de woorden van Jesaja blijven in mij hangen. “De geest van God rust op mij”. Ik moet denken aan gisteravond toen ik een telefoontje kreeg van mijn nichtje Brit. Zij weet dat ik heel ongerust ben over mijn zuster, haar moeder. Die is ernstig ziek, kan niet meer beter worden. Ik mag niet naar haar toe en ik maak me heel veel zorgen nu ze is overgebracht naar het ziekenhuis. Mijn nichtje heeft heel lang met me gesproken en me verteld dat het goed gaat met haar, dat ze rustig is, dat ik me geen zorgen moet maken. Na het gesprek was ik helemaal gerustgesteld en kon ik slapen. Kijk de geest van God rustte op mijn nichtje. Zo een kleine daad van liefde dat doet zo veel. We mogen straks heel veel niet, maar laten we kijken wat er nog wel kan: een telefoontje, een appje, een briefje , een kaartje, een groet”. Een boeketje aan de deur, een stukje taart in een tupperwarebakje voor je buurvrouw, dacht ik er achteraan. Zwaaien. Iets schrijven. Gods geest noemt de pater het. Je kunt het ook andere woorden geven. Omzien, medemenselijkheid, noaberschap, humaniteit. “Het hoeft niet groot te zijn”, zei de pater. “Het zit hem juist in die kleine dingen”.

leegte, stilte, de zee en de wind, de wolken, de luchten, oneindige verten, eeuwenoude woorden: Schiermonnikoog december 2020 


The Crown

2020 Ik kijk nauwelijk nog tv. Ik kijk Netflix. Dit jaar ben ik een Netflixkijker geworden. Ik kijk series. Ik ben begonnen met The Restaurant. Die heb ik verslonden. Kon soms niet stoppen met kijken. The Queen’s Gambit is de laatste serie die ik heb gezien. Inmiddels heb ik mijn kijkgedrag in goede banen geleid. Niet meer dan twee afleveringen achter elkaar. 

The Crown is denk ik de beroemdste en meest bekeken serie. Het gaat over het Britse koningshuis met queen Elizabeth in de hoofrol. Je volgt haar van kinds af aan. In het vierde seizoen zien we haar als koningin in het tijdperk Thatcher. De meeste aandacht gaat echter naar het huwelijk van Charles en Diana. Of beter de huwelijksproblemen. We krijgen een aardig inkijkje in het wel en wee van de koninklijke familie. We zien hoe de fragiele Diana worstelt om haar plek te vinden in het wereldje van het hof. Hoe ze er alles aandoet de kroonprins van haar te doen houden. We zien hoe kroonprins worstelt om het huwelijk met de vrouw van wie hij niet houdt toch enigszins tot een succes te maken. We zien hoe hij verteerd wordt door jaloezie op zijn immens populaire vrouw. “The peoples’ princess”.

Bij wie ligt jouw sympathie vroeg ik aan een vriendin die de serie ook volgt. Ik vroeg het omdat mijn schoondochter het vooral opnam voor Diana. Ik ben nooit een bewonderaar van prinses Diana geweest en dat is na de serie niet veranderd. De jaloezie van Charles kon ik me voorstellen. De vriendin antwoordde: “Ik ben niet voor de één of de ander, zie bij allen een struggle. Wat een harnas, wat een fort is dat koningshuis”. 

Dat klopt. Als je de serie bekijkt zie je heel veel ongelukkige mensen. Margareth, Anne, Philip, Charles, Diana, ja wie is er eigenlijk wel gelukkig?  En toch kiezen ze er niet voor om uit te breken. Waarom koos Margareth niet voor de liefde van haar leven? Waarom trouwde Charles met het meisje van wie hij niet hield? Omdat ze het wereldje, de status, de rijkdom, de magie van “The Crown” niet hebben willen loslaten. Liever ongelukkig als prins dan eenvoudig en anoniem door het leven. Kiezen voor je geluk is er niet bij. Het is net het gewone leven. Kiezen. Daar is moed voor nodig. En daar hoort ook bij dat je dingen verliest. Je kan niet alles hebben.

Sinterklaas


We zitten in de kamer, de kachel brandt. Er is warme chocolademelk en speculaas. Oudste zus heeft de leiding vanavond. We gaan Sinterklaas liedjes zingen. En dan! Gebonk op de ramen, geschreeuw. Mijn vader loopt naar de deur. De hele familie rent er achter aan. Er staat niemand voor de deur. Maar wel een zak! Een jute zak. En een groot pakket. Gauw naar binnen. Want het is koud. Gauw weer terug naar de warme kamer. Pa en broer Gilles sjouwen alles naar binnen. En wie komt daar door de keuken ook binnen? He tante Rie! Puffend en hijgend, en laat ze nou de Sint en zijn Pieten aan het eind van de straat hebben zien wegrijden! 

Veel bijzonders kregen we niet. In ieder geval onze letter en chocolade muizen. Nieuwe gebreide sokken, zakdoeken, een pyama die je toch nodig had, dat was het wel zo’n beetje. Maar! Altijd een gedicht. Dat was het werk van de op één na oudste zus, realiseerde ik me later. In het gedicht werd je altijd stichtelijk toegesproken. De Sint was bijzonder goed op de hoogte van het wel en wee in de familie. Of je je bed wel opmaakte, netjes at. Of je wel mee hielp met tafel opruimen en de afwas. Maar gelukkig, je was nooit vervelend genoeg om in de zak naar Spanje te verdwijnen en je kreeg altijd een cadeau.

Ik zal vijf of zes geweest zijn toen de Sint opvallend uitpakte. We kregen dat jaar niet een klein cadeau, nee het was een enorm pakket dat naar binnen kwam. We kregen een “groot” cadeau. Mijn jongste broer kreeg een garage. Kunstig gezaagd en in elkaar getimmerd door mijn oudste broer, denk ik. In prachtige kleuren geschilderd. Rood en wit. Een garage van twee verdiepingen met een helling. Ik zie het nog zo voor me. We waren allemaal vol bewondering. Wat een mooi, wat een groot cadeau. En toen was ik aan de beurt. Ook al zo’n groot pak. “Eerst het gedicht”! Zus Aat las het voor. Vol spanning naar wat er in dat grote pak zat hoorde ik het gedicht maar half. Uit het papier kwam een poppenledikantje, gelast op de Royal denk ik, de fabriek waar mijn vader toen werkte. Op het bedje een matrasje en een dekentje, over het dekentje een dekje met het sprookje van Roodkapje er op geborduurd. Zo iets moois had ik nog nooit gezien. Ik was compleet gelukkig. Haalde gelijk mijn pop Tineke om haar in het bedje te leggen. Wat was ik blij. 

Wat hadden mijn zussen, mijn broer en tante Rie hun best gedaan. Maar die ene zin uit het gedicht. Die ben ik nooit vergeten. Dat had de Sint helemaal niet goed gezien. Dat bedje kreeg ik “omdat de Sint had gezien dat ik mijn popje soms niet goed verzorgde, haar soms vergat, en dat Tineke het soms koud had”. Ik was behoorlijk op mijn teentjes getrapt. Diep beledigd. Ik niet goed voor mijn pop zorgen? Mijn popje vergeten? Tineke had het soms koud? Nee die Sint wist er niks van. 

Sinterklaas. Het gezelligste familiefeest dat ik ken. Als kind vond ik het prachtig. Als moeder geweldig. Als juf enig. Als oma het ultieme familiegebeuren. Maar kijk uit wat je schrijft in het gedicht.

Het bedje en het kleedje. 

de jeugd


Je zou ze. Zondagmorgen Doktersbos. Blikjes, chipszakjes, witte zakdoekjes, doppen, flesjes. Gewoon zo langs de weg, de afvalbak er vlak naast. Een spoor van afval. Weekendafval. Wat is er zo moeilijk aan het in de bak te doen? Hiervoor in het parkje staat een bankje. De jongelui ontmoeten elkaar daar. Soms hebben ze muziek aan, ze kletsen met elkaar, roken en eten en drinken. Als ze weg zijn ligt de grond bezaaid met sigarettenpeuken, kauwgum, blikjes en stukjes papier. Ook hier de afvalbak op handafstand. Irritant. Toen ik op de scholengemeenschap hier in Nijverdal werkte was de aula na de pauze één grote afvalberg. Wat we als school ook probeerden; acties; voorlichting, er was geen kruid tegen gewassen. Het is niet sexy om als jongere je rotzooi achter je op te ruimen. Ik weet dat het een fase is die over gaat. Op een dag vraagt die jongen die een slaapkamer had als een vuilnisbelt, of je je schoenen uit wilt doen omdat ze net nieuwe vloerbedekking hebben. En die jongen die altijd te laat kwam en nooit zijn huiswerk maakte houdt dezelfde preek, die jij ooit afstak nu tegen zijn zoon. Het komt goed. Jongeren hebben tijd nodig om zich af te zetten, onuitstaanbaar te zijn. Het gaat over, zei ik vaak tegen ouders die teneinde raad aan mij vroegen wat ze toch moesten aanvangen met die puber thuis. 

De jeugd. Achter die grote mond, dat oervervelende gedrag zit een mens, een kind op weg naar de volwassenheid. Meestal zit daar een klein hartje in. Een onzeker wezen, zoekend, tastend. Jongeren zijn vaak eenzaam. In hun eentje. In de groep. Ook nu. Talitha Muusse, millenial-expert vertelde vorige week op tv dat in de Coronatijd de depressiecijfers onder jongeren verdubbeld zijn. Zij pleitte voor meer aandacht aan jongeren in deze tijd. En dat uitgerekend op de dag dat ik een privé berichtje vind in messenger. Een vrouw schrijft: 

Ik heb al een paar dagen lopen denken om iets te schrijven op Facebook over onze jongeren. Onze ouderen krijgen die aandacht wel, vind ik. De jeugd heeft nu niks: niet uitgaan, weinig contact, er wordt als het ware een jaar van hun jeugd afgepakt. En dan ook nog alle negatieve dingen die ze te horen krijgen. Mijn ervaring is juist dat ze heel erg met de de ouderen rekening houden, in de winkels en op straat. Zou jij er geen stukje over willen schrijven? 

Dit is mijn antwoord: Dat wil ik graag doen. Want ik vind dat ook, ik vind ook dat jongeren veel in moeten leveren. Voor een jongere is het nog veel moeilijker om toe te geven dat je eenzaam* bent. En alleen. 

Laten we ophouden af te geven op die lastige jeugd. Laat ze maar komen met hun grote mond en hun lastige gedrag. We ruimen die rommel wel even achter ze op. Ze hebben het recht om jong te zijn. Jong en onbezonnen. Zorgeloos. Vrolijk. Vrij. Samen. Met elkaar. 

*Zie op twitter: @Bryan Vreysen #eenzame jongeren en @Join us


vandaag 

16 november 09.15 wat te doen?

… …..?

mooi 

nu wel

getuige

.. .. …….?

yep de kosteloze variant ivm testament

… … .. ..?

max 6 personen: jij, G en de kinderen

…. …… …… … ….?

nee, verder niks

…! 

de woorden van je moeder 


Ze heeft de lach van Bette Middler, zo’n aanstekelijke hartelijke harde volle lach. Niet de Amerikaanse tandpastareclamelach, of het botoxlachje van Melania, niet het lievelachje van kijkmijeensaardigzijn, nee de diepuitdebuiklach, een heerlijke bevrijdende lach.

Joe Biden verdient de complimenten dat hij de getalenteerde en innemende Kamala Harris als running mate naast zich koos. Ze heeft zoveel charisma dat je uit moet kijken dat je niet weggeblazen wordt als witte man van 78 jaar. Maar Kamala is behalve mooi ook heel intelligent en slim. Bij de voorstelling van haar kandidaatschap als vicepresident, begon ze met een lofzang op Joe en dat deed ze heel slim. Ze begon met hem te loven en te prijzen, vooral om zijn rol als vader, hoe goed hij dat gedaan had toen zijn vrouw overleed, hoe hij als vader altijd tijd vond om ze ’s avonds voor te lezen voor het slapen gaan. Nederig vertelde ze hoe vereerd ze was dat zij mocht deel uit maken van Joe’s family. In een speech van een half uur beweegt ze vanuit het persoonlijke naar het politieke en geeft ze Trump ook nog een draai om de oren. Alles uit het hoofd. Het kost geen enkele moeite te blijven luisteren. Ik ben onder de indruk. 

Zaterdag werd geschiedenis geschreven. De dochter van een Jamaicaan en een Indiase met de naam Lotus wordt vicepresident van de Verenigde Staten. Ik ben er van overtuigd dat zij ooit de eerste vrouwelijke president van de Verenigde Staten zal worden. Niet het type Angela Merkel. Ze loopt op hoge hakken en haar toon in het debat kan bikkelhard en scherp zijn. En denk erom je kunt het nooit ver in de Amerikaanse politiek brengen als je niet ook stinkend rijk bent. En geslepen. Gewiekst. 
Maar. Voor alles: gedreven. Haar Indiase moeder die haar samen met haar zus Maya alleen opvoedde bracht het haar bij: “Klaag niet over de wereld maar doe er iets aan.” Het is goed de woorden van je moeder ter harte te nemen. 

dank voor wie je was

Het meisje van Albert Heijn dat buiten staat om mij de kar aan te geven spreekt me aan:”Sorry mevrouw, u kunt alleen contant betalen, er is een computerstoring.” Toevallig heb ik vandaag contant geld in mijn portemonnaie, in ieder geval genoeg voor de boodschappen die ik nodig heb. Als ik naar binnenloop zie ik wat de storing te weeg brengt. Door heel Albert Heijn staan mensen in de rij voor de paar kassa’s die open zijn. Tot ver achter in de winkel. Ik zoek de rij het meest links omdat die op twee kassa’s uitkomt, en sluit achter aan in de rij.

Er is een gelaten sfeer en al gauw ontstaan er gesprekjes en grapjes van achter de mondkapjes. Ik raak in gesprek met een mevrouw die net terug is uit Duitsland. Ze vertelt me van alles over haar verblijf in Berlijn. Voor ik het weet sta ik aan het begin van de rij. Zij gaat naar links, naar kassa één, ik rechtdoor naar kassa twee. Als ik naar buiten loop verontschuldigen de medewerkers van Albert Heijn zich voor het ongemak. Ik antwoord dat dat helemaal niet nodig is. Dat ik het ouderwets gezellig vond om weer eens in de rij te staan voor de kassa en gezellig met mensen kon praten. Sinds een half jaar praat ik met niemand meer in de winkel en de boodschappen scan ik meestal om de anderhalve meter afstand te houden. 
Ik had haar dus niet gemist. Dinsdag lees ik in Tubantia, dat Martine Eektimmerman, caissière bij Albert Heijn in Nijverdal op 47 jarige leeftijd is overleden. Als ik de foto zie bij het bericht, stokt mijn adem. Hè? Zij? Ik voel het bloed uit mijn gezicht trekken. Verder in het artikel lees ik dat ik niet de enige ben die zo geraakt is door haar overlijden. En al die mensen, gebruiken dezelfde woorden om haar te beschrijven: warm, vriendelijk, meelevend, betrokken.

Toen ik bezig was met de bouw van mijn huis vroeg ze me steevast hoe het ging, hoe ver het was. Toen ik een tegelzetter zocht, schreef ze me op een briefje de naam van een “goeie”. Ze keek je altijd recht, een beetje onderzoekend aan. Ik zag hoe ze een vervuilde, oude man geduldig hielp het pasje in zijn portemonnaie te zoeken. Hoe ze voor iedereen belangstelling had: “Hoe is het met je zus?”, “Doe de groeten aan je ouders hè!” 

Ik heb wel eens geschreven dat het beleid van Albert Heijn om caissières te vervangen door scanapparaten verboden zou moeten worden. Het praatje in AH met de caissières is voor veel mensen heel waardevol. Soms het enige liefdevolle echte contact op een dag.  Martine was een vrouw die het sacrament van de heilige aandacht in praktijk bracht achter kassa twee. Laten wij haar nagedachtenis eren door haar voorbeeld te volgen, de beweging voort te zetten. De beweging van aandacht, liefde, van oprechte belangstelling.

Lieve Martine Eektimmerman Frans: dank voor wie je was. Rust zacht. We zullen je niet vergeten.

Uitgesproken in SamenZijn @ HOIfm van 5 november 2020 

Aansluitende muziek: Move on van Abba

voor wie steek jij een kaarsje aan?


Zaterdag sprak ik met een Franciscaner monnik over het gebruik kaarsjes te branden voor een overledene. Hij vertelde dat het een heel oud gebruik is. Dat op Allerzielen kaarsjes worden gebrand komt uit een eeuwenoude traditie. 

Het zijn beslist niet alleen Rooms Katholieken of gelovigen die vandaag een kaarsje branden. Ik vroeg aan mijn collega, die bij het gesprek aanwezig was of hij ook een kaarsje zou branden. Hij was heel beslist, hij had niets met kaarsjes. In Frankrijk liep hij graag een kerk binnen maar een kaarsje branden? Nee. Ook ik brand vaak een kaarsje, maar meestal voor iemand die ziek is, of het moeilijk heeft. Voor een overledene? Nee ook niet. Van de monnik hoorde ik dat van oorsprong dat kaarsje werd gebrand om te bidden voor de overledene, te vragen om de tijd in het vagevuur te verkorten en naar de hemel te kunnen gaan. Een gedachte die inmiddels helemaal verdwenen is.

Mijn collega vertelde mij dat zijn overleden ouders nog altijd bij hem zijn, dat er geen dag voorbij ging dat hij niet aan hen dacht. Ik overdacht hoe dat voor mij was. Jazeker, er zijn overledenen die ik altijd bij me voel. Mijn vader, die ik vraag wat ik moet doen. Een vriendin die jong overleed die heel vaak in mijn gedachten is. Er is ook verschil, er zijn overledenen die dichtbij voelen en er zijn er die heel ver weg zijn, echt weg. Ik weet niet of ik met mijn gedachten ze bij me haal of dat zij naar mijn gedachten komen. Er zijn mensen die hun overleden geliefden zien. Echt zien. Er zijn culturen waar de overledenen aanwezig blijven. In de boeken van Isabel Allende zweven de geesten om de mensen heen. Ik heb nog nooit een overledene gezien, niet in de kamer, ook niet gevoeld. Ik ken mensen die wel die ervaring hebben. Ik zou het eng vinden, geloof ik. Mijn collega zei dat wij in het Westen veel te veel in ons hoofd zitten om open te staan voor dat soort ervaringen. En dat we de dood heel lang zo ver mogelijk uit ons gezichtsveld hebben gehouden. Een enge zwarte vijand, waar we liever zo min mogelijk over spraken. 

Dat is veranderd. Begrafenissen, crematies zijn vaak prachtige ontroerende bijeenkomsten. Ergens moeten we met ons verdriet, met ons gemis naar toe. Muziek, gedichten, verhalen, bloemen, kunstwerken, kaarsen. Op de social media komt de dood vaak voorbij. En niemand schaamt zich de daarbij opkomende emoties te delen. De dood hoort bij het leven. Het verdriet om de gemiste, wat verloren ging mag er zijn. Huilen mag. 

Ik weet niet of jij vandaag een kaarsje aansteekt. Misschien is het ook niks voor jou. Misschien hoef jij de naam van je geliefde gestorvene niet te noemen. Omdat die bij je is. In je. Voor altijd.

klootschietbal


“Geel? “En zo klein!” Ik ben niet enthousiast als ik mijn nieuwe klootschietbal overhandigd krijg.
Zaterdagmorgen negen uur. We gaan klootschieten zoals iedere week. Een groepje uit de straat. Twee uur een rondje door de natuur. Soms compleet, vaker niet. Altijd plezier, lachen en ja ook wel een beetje competitie. Een buurtactiviteit die ik iedereen kan aanraden. 

We staan in het parkje op elkaar te wachten en ik kijk naar mijn gloednieuwe gele klootschietbal. In verband met de aangescherpte Corona regelgeving hadden we besloten in het vervolg in twee teams te spelen en elk met een eigen bal. Het spelen met een eigen bal heeft het voordeel dat je verder uit elkaar loopt. De ballen waren opgehaald bij een meneer Schulten uit Ootmarsum die alles weet over klootschietballen. Want denk niet een bal is toch een bal, nee klootschietballen zijn er in allerlei kleuren, materialen, vullingen, gewichten en diameters. De mannen uit ons groepje waren naar Ootmarsum getogen voor het ophalen van de “maatballen”. Ik had geen voorkeur opgegeven of was het vergeten. Ik zou het wel zien. Ik heb wel vertrouwen in de man die de punten bijhoudt, onze boekhouder. En terecht. Want na de eerste worp was ik al mijn scepsis kwijt. Wat een heerlijke bal! Ik hoefde de bal alleen maar een slinger mee te geven. Zij vloog vooruit, bleef maar rollen, kon mijn ogen niet geloven. Ons teampje won, deze keer niet ondanks mij, maar dank zij mij. (Ik ben namelijk de slechtste schieter van ons groepje). De boekhouder had goed voor mij gekozen, goed naar mij gekeken. Een kleine bal die precies in mijn hand past en niet te zwaar is. Opvallend: de andere dames waren veel minder tevreden over de keuzes van hun echtgenoten, ze vonden hun bal te groot, of te zwaar.

Ja en dan de kleur. Geel. Niet de kleur die ik zou hebben gekozen. Tot ik me realiseerde dat ik uitgerekend die nacht gedroomd had over de bananengebakjes van bakker Ehrenhard aan de Rijssensestraat. Gele bananengebakjes. Die haalden we altijd op bij de koffie als er iets te vieren was. Of zomaar als we gelukkig waren. 

Het was het begin van een hele mooie dag. Een gelukkige dag.