
Niemand begreep het. Hadden ze zo’n groot feest gehad. Was iedereen zo blij geweest en vrolijk. Moest midden in de nacht de brandweer uitrukken om een brand te blussen.
Het was in de zestiger jaren. In een klein Brabants dorpje. Het was de maandag van carnaval. De dag van de grote optocht. Iedere straat met een wagen voor de optocht. Wagens van het koor en de verenigingen. Het hele dorp was er: in de optocht of aan de kant van de weg. Iedereen was verkleed: heel uitbundig of gewoon in een boerenkiel. De zon had geschenen, de fanfare gespeeld. Er was gedanst, gelachen, gezongen en bier gedronken, heel veel bier.
Toen de zon achter de horizon was verdwenen en de lantaarns gingen branden waren de mensen teruggekeerd naar huis. De straten leeg op een enkele late feestganger na. De kerkklok had twaalf geslagen. Toen waren daar ineens vlammen. Op een weiland aan de rand van het dorp waar een drietal praalwagens stonden gestald stond een van de wagens in lichterlaaie. Notabene de wagen van de Steenstraat, de winnaar. De wagen brandde in minder dan geen tijd helemaal op en op het nippertje wist de brandweer te voorkomen dat ook de andere wagens in de brand zouden vliegen.
Niemand begreep het toen enkele dagen later Marie uit de Steenstraat bij de politie opbiechtte dat zij het was geweest die de wagen in de brand had gestoken. Iedereen was stomverbaasd. Marie ? Waarom? Onze eigen wagen waar jezelf zo hard aan hebt meegewerkt samen met jouw Frenske?
Marie was zich bewust dat ze het niet had moeten doen, dat ze stom was geweest, dat ze niet wist wat er in haar gevaren was. Stom, stom stom. Ze had er vreselijke veel spijt van. Op de vraag van de agent wat er nou was gebeurd vertelde ze het volgende:
Frenske had het hele jaar iedere week keihard meegewerkt aan het maken van de wagen. Iedere woensdagmiddag ging hij naar de boerderij van boer Sjaak van Don om mee te helpen. Samen met de andere kinderen van de straat. Hij vond het prachtig. De hele week leefde hij toe naar de woensdagmiddag. Toen er rond kerst werd verteld dat er zeven kinderen op de wagen mochten zitten en hij begreep dat hij daar niet bij was, was hij heel teleurgesteld. Hij is nog een keer naar boer Sjaak geweest om te vragen of hij niet in plaats van Jan zou kunnen, omdat die tegen hem had gezegd dat hij er misschien niet zou zijn op de maandag van de carnaval Boer Sjaak beloofde dat hij dan aan Frenske zou denken, daar kon hij op rekenen: ‘Dan ben jij de man Frenske!’ De zondag voor de optocht bij het oefenen bleek dat Jan er inderdaad niet was en Frenske was stomverbaasd toen hij niet zijn naam als vervanger van Jan hoorde. Huilend was hij thuis gekomen en moeder Marie was net zo boos en verdrietig: hij had het toch beloofd! Frenske was toch naar de laatste werkzaamheden voor de optocht gegaan in zijn boerenkieletje en warempel er was nog een kind niet op komen dagen, maar nogmaals hoorde Frenske niet zijn naam. Peer in zijn mooie leeuwenkostuum mocht op de wagen.
‘Ja en toen wonnen ze en toen zag ik mijn menneke daar staan op het weiland met zijn witte gezichtje, helemaal alleen en iedereen juichte en lachte en niemand zag hem staan. Ik zag heel veel lachende en vrolijke gezichten en ik zag alleen maar hem. En dat deed zo vreselijk zeer. We zijn naar huis gegaan en we hebben niet veel gezegd. ‘Het is niet eerlijk mama.’ zei hij alleen nog. Toen ik hem naar bed had gebracht en zijn boerenkiel in de wasmand gegooid werd ik boos. Ik werd steeds bozer. Ik werd woedend, ik werd razend en toen…’
‘Weet u, ge lijdt als mens liever zelf dan dat ge uw kind ziet lijden.’
- Een ‘ongeveer’ waar gebeurd verhaal uit de zestiger jaren in Brabant. Naar aanleiding van een berichtje in de krant.











