hij begon

Een jaar geleden begon het. Hamas viel midden in de nacht het zuiden van Israël binnen waar jonge mensen bij elkaar waren om te feesten. 1200 Mensen werden gedood, 251 gegijzeld. Op beestachtige wijze. De reactie van Israël loog er niet om. Meedogenloos werd teruggeslagen. Meer dan 40.000 Palestijnen verloren tot nu toe het leven. En de strijd gaat iedere dag onverminderd voort.

Al een jaar lang krijgen we verschrikkelijke beelden van het oorlogsgeweld. Al een jaar lang ontvangen we verwarrende berichten over de strijd. Berichten waarbij ik me steeds afvraag of ze kloppen en wat de andere kant van het verhaal is. Al een jaar lang worden er meningen over ons uitgestrooid over hoe het komt, wat er zou moeten gebeuren, en wie dat zou moeten doen. Al een jaar lang worden we opgeroepen om ons te verzetten, om te protesteren, om ons te laten horen.

Al een jaar lang vraag ik me af of dit probleem ooit opgelost kan worden. Bij het ontstaan van de staat Israël is een weeffout gemaakt die niet te herstellen lijkt. En al die jaren daarna zijn ‘gewone’ mensen, mensen zoals u, jij en ik, kinderen, moeders, vaders, opa’s, oma’s, de dupe van een broedertwist, die steeds weer oplaait en niet lijkt te doven. En blijkbaar zijn aan beide zijden geen zachte krachten in staat een einde te maken aan dit conflict.

Op de tuinscheurkalender vandaag geen verwijzing naar de bloedige 7 oktober van een jaar geleden maar een prachtig herfstgedicht. De zon is opgekomen om 07.51 uur en zal ondergaan om twee minuten over zeven. Op de achterkant een tekst over de Amerikaanse meidoorn ook wel de hanendoorn genoemd. In de herfst zijn de bladeren vlammend rood en schreeuwend oranje.’ ‘De vruchten zijn zo groot dat je ze wel appeltjes zou kunnen noemen, ze hangen in trossen, en zijn scharlaken rood.’

Het gaat er niet om wie of waar het begon. Wie er stopt, waar het ophoudt daar begint het.

zand zijn

Het was niet het batterijtje, waardoor mijn horloge stil stond: een stofje, of een korreltje zand. De vriendelijke winkelier overhandigde mij mijn horloge. Er was even geblazen en daarna was het horloge weer spontaan gaan lopen. Nee ik hoefde er niet voor te betalen, service van de zaak mevrouw.

Als je naar het strand geweest bent vind je het overal. Zand. In en onder je schoenen, in je kleren, onder je nagels, op je huid, in je haren. Schoenen uit doen, helpt niets, overal vind je zand, hoor je zand, zie je zand in dat gezellige huisje aan de rand van de zee. Vanmorgen toen het zo koud was pakte ik het jack dat ik voor het laatst gedragen had aan zee. Toen ik mijn handen in de zakken stopte voelde ik het al: souvenir van het eiland: zand!

Zand in de andijvie kan ik me ook nog goed herinneren. Als de andijvie niet goed gewassen was knarste het zand tussen je tanden. ‘Zand schuurt de maag’, waren dan de woorden die eigenlijk betekenden: niet zeuren, door eten.

Er is een prachtig gedicht over zand, en met name de schurende eigenschap van zand. In het gedicht van Gunther Eich wordt de schurende eigenschap van zand toegejuicht. Wij worden door Eich opgeroepen om zand te zijn, niet olie. Een contrast met de oproep tot verbinding die je overal om je heen hoort. Ik las de woorden ooit ergens in Enschede op een deur van Artez. De woorden maakten toen zo’n indruk op mij dat ik er een foto van heb gemaakt en die foto jarenlang in het logo van mijn blog heb gebruikt. Ik heb de foto opnieuw geplaatst vorige week. Juist vanwege die woorden. Juist nu. Doe iets onbeduidends, zing een lied, dat niemand van jou zou verwachten, wees ongemakkelijk, wees het zand, niet de olie in het wereldse bedrijf.

Ongemakkelijk zijn: niet polariseren, niet mijn mening is beter dan de jouwe, maar ongemakkelijk zijn als iedereen hetzelfde vindt, niet om het ongemakkelijk zijn op zich, maar om niet in slaap te vallen, om elkaar wakker te houden. Immers: alles was geschieht, geht dich an. (Gunther Eich). (alles wat gebeurt gaat ook jou aan)

* Gunther Eich: Duitse Schrijver en dichter en hoorspelauteur. Seid Sand werd geschreven in 1947, het zijn de laatste woorden van Inventur. Eich was een tijdlang krijgsgevangene van de Amerikanen (Wikipedia)

septembersprookje

Er was eens een machtige koning. Hij was koning over een heel groot welvarend rijk. Hij had alles: een lieve echtgenote, vier knappe dochters en een vrolijke zoon. Hij had een paleis voor in de zomer en een paleis voor in de winter. De mensen aan het hof hielden van hem en deden zonder mopperen wat hij van hen vroeg. De mensen in het land stonden aan de kant van de weg om hem toe te juichen als hij langs reed in de koninklijke koets. Ze bewonderden hem en waren blij te leven in zijn koninkrijk. Maar de koning. Er was iets met hem. Er was ‘iets’ wat ontbrak aan zijn leven, zei hij. De hovelingen begrepen er niets van. Ze raadpleegden geleerden, psychiaters, kunstenaars, leraren godsmannen, ja iedereen die maar iets wist over de zin van het leven. Maar wat ze de koning ook maar adviseerden het hielp niet. En de koning werd alleen maar ongelukkiger.

Op een dag klopte een oude bedelaar op de deur van de poort van het paleis. Hij had gehoord over de problemen van de koning. Hij had ‘een goede raad voor de koning misschien?’ De poortwachter wilde de man eigenlijk wegjagen, maar heel toevallig kwam de vrolijke zoon van de koning aanrijden. Hij had de man gehoord en zei de poortwachter lachend de man een kans te geven. Het had nog wel wat voeten in de aarde voor dat ook de hovelingen daarvan overtuigd waren maar ten einde raad werd de man toch opgeroepen. Ook de koning was niet enthousiast toen hij de in lompen geklede man tegenover zich zag zitten. Nog minder enthousiast was hij toen hij diens raadgeving hoorde: zijn kroon afzetten, zijn koningsmantel af doen, afscheidnemen van zijn paleis en haar bewoners, zijn rijkdommen achter zich laten en de wereld intrekken om op zoek te gaan naar het geluk. Ik zou het God noemen had de man gezegd, maar u mag het ook geluk, of ‘iets’ noemen .

En. Ja, en? Ja de koning deed het. Hij trok de wereld in. Niemand herkende in de eenvoudig geklede man de machtige koning. Hij wandelde met zijn rugzak door zijn koninkrijk en zag hoe mooi het was. Maar nog altijd vroeg hij zich af of dit nou wel het geluk was, ‘of God’, of ‘iets.’

En dan gebeurt er iets vreselijks, in het halfdonker ziet hij niet de dikke steen op het pad en hij valt plat achterover. Alles doet zeer, hij kan zich nauwelijks bewegen, hij schreeuwt het uit. Dan wordt alles zwart.

Een paar dagen later wordt hij wakker in een groot wit bed. Hij hoort lieve woorden, iemand strijkt over zijn hoofd, en door het raam komt een zacht licht. De koning weet het zeker. Geluk, God, Iets, dit is het. Hij kijkt op om te kijken wie er naast zijn bed zit. Hij kent haar niet.

* Foto: Mark Saathof 22/09/2024

* Met dank aan Ds Laura van Weijen, startdienst en herdenkingsdienst 22/09/2024 van de VEG met als thema God als licht

75 jaar

Afgelopen zaterdag vierde ik mijn verjaardag, mijn 75e, in Limburg. In Schimmert verbleef ik met mijn kinderen en kleinkinderen in een oude boerenhoeve. Dat ik 75 ben voel ik goed, want ik ben moe van het feest, doodmoe. Van de festiviteiten en de mooie cadeaus. De emoties die dat alles met zich meebracht. Ik kreeg een fotoboek van mijn kinderen en kleinkinderen ‘met herinneringen van de mooie momenten met jou’ en met ‘woorden van een ieder van ons.’ En, daar had ik helemaal niet op gerekend: De Wiskes van de maand september van de afgelopen 10 jaar in boekvorm. Mijn Wiskes op papier! Heel vaak is me gezegd dat te doen. Maar het was me teveel gedoe. Dat mijn kinderen dat bedachten had ik nooit kunnen bedenken. Heel bijzonder.

75 Jaar dat je dat mag worden, kunt worden en dat je dat in alle vrijheid kunt vieren is een geschenk waar ik heel erg dankbaar voor ben. Op mijn verjaardag mocht ik in Maastricht de handen schudden van drie veteranen die er aan mee gewerkt hebben dat ik er ben. Als Nederland niet bevrijd zou zijn was er nooit de generatie van ‘na de oorlog’ in het gezin de Bruine gekomen. Vader de Bruine die wonderwel terug kwam uit de oorlog na zes jaar. Na de oorlog werden er nog 3 kinderen geboren, waarvan ik de middelste ben. Ik heb de mannen bedankt, breekbare, broze mannen, die zorgvuldig uit de jeeps werden getild, gewikkeld in dekens, maar allen nog helder en vriendelijk met hun rond de honderd jaar. De jongste was 98. 18 Jaar was hij toen hij de opdracht kreeg de heuvel op te gaan om te kijken of er nog Duitsers waren. ‘They are gone’, had hij geroepen en hij stak zijn handen in de lucht om te laten zien hoe hij dat toen gedaan had. Alle drie bedankten hartelijk voor het ‘welcome’. Ook van hen kreeg ik lieve woorden en felicitaties, kind en moeder van een militair. Dat vonden ze prachtig. ‘Let there be peace mem!’

* 80 Jaar Bevrijdingsceremonie in Maastricht 14 september 2014

het anker

Een paar jaar geleden deed ik het. Een tattoo van een anker op mijn arm. Ik liep er al een paar jaar over te twijfelen. Zou ik? Met mijn kinderen had ik er over gesproken. Er was verschillend gereageerd. De zonen vonden het niks: Nee he! Maar schoondochters en kleindochters waren ruimdenkender. Uiteindelijk vond men dat ik gewoon moest doen wat ik zelf vond, ‘dat deed ik toch immers altijd.’ Ik besloot dat ik het gewoon ging doen. Op een zaterdagmorgen op weg naar Albert Heijn zag ik dat er in de Tattooshop geen klanten waren en ik wipte naar binnen voor ‘informatie.’ Anderhalf uur later liep ik met een anker op mijn linker arm de winkel uit. Ook nu waren de reacties verdeeld: mooi!, stoer!, te groot!, nou kan wel.

Zelf ben ik nog steeds heel blij met dit symbool op mijn arm. Het is een eerbetoon aan, en een teken van verbondenheid met mijn vader, die er ook een op zijn arm had. Het herinnert aan de zee. Het is het symbool van hoop en vertrouwen. Van veiligheid, van kracht, avontuur, maar ook van standvastigheid en stabiliteit.

Voor mij betekent het voor alles, dat wat er ook gebeurt ergens deep down van binnen iets is waar door ik niet omval, waardoor ik niet ten onder ga. Dat daar binnen een kracht is waar ik altijd op terug kan vallen, waar ik me aan vast kan houden. Je zou het God kunnen noemen, of mijn geloof, of mijn ziel, maar eigenlijk is het gevaarlijk om het woorden te geven, dan beperk je het.

Het anker zorgt er voor dat je niet te ver afdrijft. Dat je verbonden blijft met de aarde, met de grond, veilig en onwrikbaar.*

* Foto’s: Roelie van der Vegt en Anna Saathof

* Bijbel, Hebreeën 6:19

boom

In Dordrecht is veel veranderd tijdens de jaren dat ik er niet geweest ben. Straten die anders lopen. Water door de stad. Oude gebouwen die verdwenen zijn. Grote moderne hoge gebouwen er voor in de plaats. Maar slechter is het er niet op geworden. In tegendeel. Het oude stadscentrum met de hofjes, straatjes en pleintjes is smaakvol opgeknapt en ingericht. En de bomen waar ik me eigenlijk niets van kon herinneren, staan er op deze warme zondag in september prachtig bij. Wonderbaarlijk dat de platanen zijn blijven staan en daarmee de stad zo’n mooi aanzicht geven. Stadsvernieuwers hebben er een handje van bomen die in de weg staan te verwijderen onder het mom van ‘gevaarlijk’ omdat de bomen slecht zijn of ziek of aangetast door een of ander beestje.

Vandaag gaan de kinderen weer naar school. Misschien leren ze vandaag wel hun eerste woordje lezen. Misschien is dat wel ‘boom.’ Of misschien gaan ze voor het eerst naar het voortgezet onderwijs, en hebben ze zich voorgenomen ‘te gaan staan als een boom’ als er spannende dingen gebeuren. Want dat hebben ze kunnen leren op een cursus waar ze zijn voorbereid op de spannende overgang van het basis onderwijs naar het voortgezet onderwijs.

In een boekje met de beschrijving van een wandeling door de natuur stond op de laatste bladzijde de vraag: Je bent weer bijna terug op de plek waar de wandeling begonnen is, maar ga eerst nog even op het bankje in het gras zitten en kijk naar de bomen om je heen. Welke ‘boom’ zou je willen zijn en waarom? Overdenk het in je eentje of met je medewandelaar(s).

Een kromme boom, een hoge boom, een oude boom? In je eentje op een groot heideveld? In een bos samen met een heleboel anderen? Langs het water, op een berg? Ja wat voor boom zou ik willen zijn? Zou jij willen zijn? Wat voor boom ben ik, ben jij eigenlijk? Overdenk het in je eentje of met je medelezers.

Foto: Plataan aan de Stationsweg in het centrum van Dordrecht 01-09-2024

zing dan

Het gebeurt me regelmatig dat ik zomaar loop te fluiten, tijdens een wandeling, of op de fiets. Ineens, als vanzelf. Gewoon in mijn eentje. Dat is een goed teken. Dan ben ik gelukkig. Als ik net een mooi lied heb gehoord of een muziekje kan ik het uren achtereen af en toe even zingen of neuriën. Dan vond ik dat een mooi lied of muziekje dat ik maar niet uit mijn hoofd kreeg. Een oude vriendin van mij kent alle psalmen en gezangen, christelijke liederen en vaderlandse liedjes uit haar hoofd. In de tijd dat we samen konden wandelen zongen we tijdens het wandelen psalmen en gezangen, christelijke liederen en vaderlandse liedjes. Nu ze niet meer zo helder is kent ze al die liedjes nog steeds uit het hoofd. Een man die bij ons in het dorp woont en bij allerlei activiteiten zijn steentje bijdroeg, heeft een herseninfarct gehad, hij kan niet meer praten. Maar hij kan nog wel zingen. Gister vertelde zijn kleindochter, die precies op haar moeder lijkt, haar moeder die ooit bij mij op de lagere school in de klas zat, waar iedere dag uit volle borst werd gezongen, dat opa ‘stapje voor stapje’ vooruit ging. ‘Dat komt door het zingen met de zangtherapeut.’

Het is iets raars in die hersenen van ons met dat zingen. De opa van het meisje dat zo op haar moeder lijkt kan ook niet opschrijven wat hij wil zeggen, ergens gaat er iets mis in de verbinding van de hersenen naar zijn spreken en de motoriek van zijn handen. Maar zingen kan hij. Ik kan er niet over uit hoe wonderlijk het menselijk lichaam blijkbaar in elkaar zit. En wat is het dan toch mooi dat mensen en kinderen zingen geleerd hebben, zingen kunnen. Nog zingen kunnen.

Maar wat er met de hersenen aan de hand is van mannen die vrouwen verbieden om te zingen in het openbaar? Daar snap ik niets van. Daar kan ik niet over uit.

* Foto: Jo Polak

* De Afghaanse regering heeft vorige week een zogenoemde deugdwet ingevoerd waarin staat dat vrouwen niet mogen zingen in het openbaar. Ook mogen zij niet in het openbaar teksten voordragen omdat hun stem ‘als te intiem’ wordt beschouwd voor het openbare leven.( Danielle Braun op X)

* Titel: Zing dan, lied van Jenny Arean

ruimte

, Probeer eens het Weggeefhoekje.’ Tot mijn stomme verbazing was ik een dag later twee loodzware betonnen parasolvoeten kwijt. Een vlotte keurig opgemaakte jonge dame op trendy slippers in een hagelwitte broek tilde ze met blote handen moeiteloos in de achterbak van haar auto. Op de afgesproken tijd. Ze had me er wel iets voor willen geven. Ze had een bosje dahlia’s voor me als bedankje.

Dat allemaal dank zij de tip van de buurvrouw: probeer eens op het Weggeefhoekje. Het Weggeefhoekje is een pagina op Facebook waar je spullen aan kunt bieden waar je van af wilt. Via een messengerberichtje kun je een afspraak maken als iemand geïnteresseerd is. Er wordt van alles aangeboden. Hele mooie bankstellen maar ook dingen zoals mijn groen uitgeslagen parasolvoeten.

Mijn weg-er-mee gevoel was aangestoken. Een dag lang ben ik aan het opruimen en wegbrengen geweest. Dat geeft een heerlijk gevoel van ruimte. En rust. Het is wetenschappelijk bewezen dat het goed voor een mens is als hij of zij van tijd het huis eens opschoont.

Opruimen. Het is een trend. Er zijn cursussen voor en opruimcoaches. Tweedehandswinkels en kringloopwinkels bloeien als nooit te voren. Niemand schaamt er zich meer voor iets tweedehands te kopen. Ik ken mensen die nooit iets nieuws kopen. Het is en goedkoop en duurzaam. Er zijn immers spullen genoeg.

De vraag is waarom je zo kunt hechten aan spullen. Waarom ik toch weer die kekke schoentjes die ik al 4 jaar niet gedragen heb uit de zak met schoenen om weg te brengen heb gehaald. Waarom ik er niet aan moet denken dat gekke vaasje weg te doen, waarom ik bepaalde appjes maar niet kan wissen uit mijn mobiel. We kunnen het niet meenemen immers. Naakt worden we geboren en naakt keren we weer terug. Nou ja bijna.

En de andere vraag is waarom we zo veel spullen hebben. De kamer van een kloosterling bestaat uit een bed, een tafel en een stoel, een wastafel en een kast. Eigenlijk alles wat je nodig hebt. Het geeft gelijk een gevoel van ruimte. En rust. Een kloosterling hoeft ook nooit na te denken over wat zij aan zal doen. Lijkt me een luxe. Waarom heb ik dan toch van tijd en wijle heel erg de behoefte om iets nieuws te kopen omdat ik ‘niks heb om aan te trekken?”

Leeg maken, leeg worden, leeg zijn, het is nodig. Het geeft ruimte. Licht.

afsluiting

In het kleine kerkje van Ginnum zit een groepje mensen in een halve kring bij elkaar. De kunstenaar heeft aangegeven dat ‘we gaan beginnen’. Er wordt een kaars aangestoken als teken van licht. Er volgt een lied, een Iers lied, dat weemoedig klinkt en waarvan de tekst vervliegt. Teksten uit het Johannes evangelie worden gelezen met op de achtergrond het geluid van het raderwerk van de torenklok. Ratelende kettingen. Gelijkmatige tikken. Op het hele uur tien luide slagen. Stilte. Een kort gebed en ter afsluiting weer een onmiskenbaar Iers lied.

En dan koffie met oranjekoek van de bakker uit een naburig dorp.

Kunstenaar Annewil Jansen gaat ieder jaar in de zomer een weekje naar Ginnum. Ze mag dan de hele week werken in het eenbeukige kerkje uit de 12e eeuw op de terp midden in het dorpje. Deze keer was ze aan het werk gegaan met klei van het wad nadat ze geïnspireerd was geraakt door het lezen van ‘Earth, Our Original Monastery,’ van Christine Valters Paintner. De schrijfster wil bewondering en dankbaarheid cultiveren en bevorderen door in contact te treden met de natuur. Ze noemt het intimiteit met de natuur. Met de wind, de wolken, de zee, de bomen, de vogels, met stenen, met klei.

In het Friese kerkje lagen kleine kunstwerkjes op de eeuwenoude plavuizen als resultaat van een weekje Ginnum. De bijeenkomst op de zondagmorgen met enkele zielsverwanten was de afsluiting.

In de afsluitingsceremonie van de Olympische Spelen dit weekend viel het woord dystopie. De wereld als Dystopia. Dystopia staat tegenover utopia, een wereld zoals wij die zouden wensen. Een dystopisch wereldbeeld schetst een negatieve, akelige toekomst. De kunstenaars die de afsluitingsceremonie ontwierpen wilden ons een hoopvolle boodschap meegeven met mooie beelden. De Spelen hadden dat ook al laten zien. Hoe je iets kan bereiken als je het echt wil. Maar ook momenten van saamhorigheid, medeleven, van schoonheid, van liefde, van ultiem geluk. ‘Parijs was een week een wereld, zoals die zou moeten zijn’, sprak een bezoeker van de Spelen met een oranje hoedje voor de camera.

In een klein Fries kerkje, in een vol stadion, bij een kopje koffie ergens: Utopia.

het kleedje

We herkenden het direct. Het geborduurde tafelkleedje. Ze waren er in het rood, het groen, het bruin en in het blauw zoals het kleine kleedje voor ons in het gras. We hadden die tafelkleden van onze moeders of oma’s gekregen. Vierkant, rond, langwerpig, klein, groot, zelfs de grootte van een servet. Het kleedje in het gras was voor een klein vierkant tafeltje en uitermate geschikt voor onze picknick vandaag aan de Waddenzee.

Ik heb ze ook gehad, in alle variaties, net als mijn broers en zussen. We kregen ze na een bezoek van onze moeder aan de fancy fair of de braderie, of iets van de kerk. Dames van de bejaardenhuizen en verzorgingshuizen maakten ze en de opbrengst was voor een goed doel. Ze werden verkocht als broodjes van de bakker want je zag ze overal om je heen. Na een tweetal verhuizingen zijn ze uit mijn kasten verdwenen. Ik heb er zelfs niet eentje bewaard uit nostalgie. Ik gebruikte ze ook nauwelijks. Vind een tafelkleed sowieso niet zo handig. Vlekken die je er niet uitkrijgt en eerlijk gezegd waren deze wel een beetje tuttig. Bij mijn moeder lagen ze steevast op tafel bij de maaltijd. Kraakhelder en glad gestreken. En meestal de blauwe, dat was ook haar favoriet.

Een van de dames rond het kleedje, we waren met ons vieren, vertelde dat je aan het borduurwerk kon zien in welke fase van de ouderdom de dame was die het kleed gemaakt had. Waren het voornamelijk rijgsteken en stiksteken of kettingsteken dan kon het zijn dat het een dame was die niet meer zo behendig was. Zodra het borduurwerk ingewikkelder werd was de dame nog vaardig en handig. Ons kleedje had een rand met allemaal dezelfde steken maar wel heel regelmatig en ook precies.

Ik vroeg me af hoe zo’n kleedje er uit zou zien van mijn hand. Ik ben helemaal niet handig met naald en draad. ‘Jij kan niks’, zeiden mijn zussen altijd. Dat klopt, in het huishouden ben ik een onbenul. Ik kijk met jaloezie naar vrouwen en ja ook mannen die kunnen breien en haken en naaien, vrouwen die alles spic en span hebben in het huishouden, die kleren naaien en kunstwerken borduren. Ik ben er niet in opgevoed en opgeleid want ‘ik kon niks’ en vond het niet leuk. Ik weet niet of ik het niet leuk vond omdat ik het niet goed kon eigenlijk.

Wat ik wel goed kan is hard tegen de wind in fietsen of tegen de dijk op naar de zee. Het was een zware dobber geweest om dan eindelijk de zee te zien na een lange fietstocht. En om eerlijk te zijn, het viel me een beetje tegen. Ik zag de zee, ik rook de zee, maar ik hoorde haar niet. Ik kon niet even de zee voelen. Geen bruisende golven of golfjes over mijn blote voeten. Het was eb. Daar ver weg lag de zee als een blauwgrijs laken stil de zee te zijn. De ene zee is de andere niet.