Alles goed

images

“Alles goed?” Van mijn voormalig predikant Pieter Boomsma mag je dat nooit vragen. Laat staan dat je antwoordt: “ja hoor, alles goed.” Want het zou wel erg gek zijn als alles goed zou zijn. Stel je voor, wat een luxe, verwennerij, natuurlijk gaat nooit alles goed. Gekke vraag eigenlijk.

“Hoe gaat het?” dan. Ook lastig, want de vragensteller wil het liefst horen: “Ja hoor ok”. Niemand zit te wachten op een genuanceerd antwoord in de zin van “Ja met mijn gezondheid is het goed maar ik heb wel problemen met mijn baas en met mijn zus blablabla.”

We begroeten elkaar en vragen voor de vorm hoe het gaat. Echt op een antwoord zit niemand te wachten. Zeker niet op de parkeerplaats van Albert Heijn als je in sneltreinvaart je laatste boodschapjes binnen wilt halen.

Elkaar begroeten is mooi en warm. Het is fijn herkend en gekend te worden in de plaats waar je woont. Een goede Twentse gewoonte in ons dorp. Mensen van buiten verbazen zich erover dat ze goedemorgen horen als ze de hond uitlaten in het bos. Voelt als een warme deken. Is aangenaam.

Belangstelling, meeleven is nog zo’n hartelijke eigenschap van de Tukker. Maar vraagt wel om de juiste vorm.
“Hoe is het met je?” De beantwoording van die vraag vraagt om tijd en ogen die je aankijken op een plek waar dat kan.

U mag wel

f1224843401

De gebiedende wijs is uitgestorven. Doe dit, laat dat, kom hier. Nee dat kan niet meer. De gebiedende wijs wordt uitsluitend gebruikt door het baasje tegen de hond: Zit!, Lig!, Apporteer!, en in het leger: Voorwaarts mars en Geeeeef acht!

De gebiedende wijs is vervangen door het verzoek: zoudt u, of tegen een kind: wil je. Stukken vriendelijker. Probleem is als het verzoek eigenlijk geen verzoek is maar min of meer een bevel. Daar hebben de werkers in de zorg en hulpverlening een nieuwe vorm voor bedacht: de mag-vorm. “U mag daar gaan zitten. U mag daar wel even wachten. U mag uw jas alvast wel…”

Ze bedoelen gewoon, ga maar zitten, u zult moeten wachten (meestal niet “even”), doe uw jas alvast maar…
De mag-epidemie verspreidt zich inmiddels naar alle andere sectoren: kinderen mogen hun schrift pakken, de voorganger in de kerk vraagt of hij mag voorgaan in het gebed, we mogen de deur wel dicht doen, en we mogen alvast even rondkijken voor we aan de beurt zijn. Allemaal verkapte bevelen. Lastig is dat een mens dat toch voelt en bij dat ‘mogen’ het vervelende gevoel krijgt dat hij helemaal niks mag, maar dat hij of zij iets moet en dat je dat vervolgens ook nog als een gunst in ontvangst moet nemen.

Stoppen met dat gemag svp. Gewoon zeggen: Neemt u daar maar plaats, het gaat helaas wel even duren, maar u kunt uw jas alvast wel … Van mij mag het.

Buitengesloten

i5148

Met carnaval trok mijn oom altijd een jurk aan. Hoge hakken, lippenstift, blonde pruik. Dansend en zingend over de Grote Markt. Echt een mooie vrouw werd hij niet maar wel mooi was dat je zag dat hij intens genoot in die rol. Later besefte ik dat hij eigenlijk het hele jaar wel in een jurk had willen lopen, maar ja… , dat konnie dan hoorde je er niet meer bij: buitengesloten.

Op vakantie in Tenerife drinken mijn buren op zondagmorgen gewoon een kopje koffie op een terras. Dat zullen ze in Nijverdal op het Henri Dunantplein echt nooit doen, want ja, dat kannie, dan hoor je er niet meer bij: buitengesloten. In de kantine van de voetbal worden altijd gore moppen verteld. Ik kan er niet echt om lachen. Eerlijk gezegd staan ze me gewoon tegen en zou ik er wat van willen zeggen. Maar ja, dat kannie, anders hoor je er niet meer bij: buitengesloten..

Wie bij de groep wil horen moet zich houden aan de regels van de groep. Belangrijk is niet wat bij jou hoort, maar dat wat bij de groep hoort. De groep geeft je leefregels, richting, je vindt er veiligheid, warmte en geborgenheid. Maar de keerzijde van die veiligheid en geborgenheid is de beklemming van het je voegen, je aanpassen.

Met carnaval mag het er even allemaal uit. Een mooie uitlaatklep. Dat is een paar dagen in het jaar. Daarna ga je het hok weer in. Je kunt ook altijd trouw blijven aan jezelf en dan maar voor lief nemen dat je er nooit helemaal bij hoort. Buitengesloten, maar van binnen vrij.

Neem een hond

hond2

“Neem jij de kleine?“ “Kom maar meisje, rustig maar.” Iedere morgen rond een uur of negen komen ze aangereden: met de auto, een enkeling op de fiets. De hondenuitlaters. De hond springt uit de auto gevolgd door een ander exemplaar. Van alle kanten komen ze aanlopen. Grote loebassen, keffende juffershondjes, alle soorten en maten. Ze springen enthousiast en luidruchtig de wijde wereld in. Stemmen klinken in het bos. Begroetingen, een korte of een uitgebreide.

Liefdevol wordt gesproken over het huisdier. Dat het gelukkig beter gaat: “hij eet weer”, of dat hij nog steeds niet luistert: “zo ondeugend!”. Er wordt gestoeid, de dieren worden bekeken, geaaid, tot de orde geroepen en onderhand wordt er van alles besproken, Het klinkt luid op in de vroege morgen. Soms staat het groepje een uur later nog bij elkaar. De honden om hen heen rennend of afwachtend omhoogkijkend naar het baasje: Gaan we nou?

Ongeschreven regels, spontaan gegroeid. Geen stimulering, ondersteuning of subsidie. Een kleine groep in de Hellendoornse samenleving. Of ze afspreken? Elkaar vaker ontmoeten? Elkaar sowieso kennen? Het is mogelijk. Na verloop van tijd zijn de meeste auto’s, verdwenen. Een jonge vrouw fietst weg, de hond aan de lijn. Ze roept nog naar iemand bij de auto. Salut! Ieder zijns weegs, de dag tegemoet. Hond en baasje kunnen er weer tegen. Een blaf, een klappende deur. De stilte daalt neer in het bos.

Mensen die elkaar ontmoeten. Een probaat middel tegen eenzaamheid, en ook nog goed voor je lijf, goed voor je longen. Neem een hond.

Ben

Nederland vergrijst, Hellendoorn vergrijst. Nou en?
Een derde van de bevolking is senior. Nou en? De meeste ouderen zijn gezond en actief een kleine minderheid uitgezonderd. Die kleine minderheid behoeft extra zorg en ondersteuning, zoals mijn tante die iedere week een paar maal naar een dagopvang voor ouderen gaat. Maar wat zou Hellendoorn zijn zonder de inbreng van al die vitale ouderen die vrijwilligen, besturen en vooral oppassen?

Neem nou Ben. Een keurige heer van 90 jaar, energiek, betrokken en actief in de kerk en ouderenbond en WMO. Hij helpt je in je jas. Als hij in een vergadering het woord vraagt richt hij zich tot de voorzitter. Hij spreekt verzorgd en hij is ter zake. Over zijn lichamelijke ongemakken is hij kort. In de winter zwemt hij en in de zomer zie je hem op de fiets. Toen hij 90 werd schreef zijn kleinzoon Benjamin een boekje over zijn leven. Daar was te lezen hoe de joodse jongeman Ben de oorlog was doorgekomen. Wonderbaarlijk dat mensen voor wie het leven zo hard is geweest zo positief en blij in het leven kunnen blijven staan. Zet ze ‘s tegenover mensen die alles lijken mee te hebben maar piepen en klagen bij het minste tegenwindje.

Ben denkt mee, praat mee, doet mee iedere dag. En is daarbij ook nog eens ontzettend aardig. Ben is gewoon een mooie mens. Laatst kwam ik hem tegen op de fiets. Ik herkende hem eerst niet vanwege zijn enorme zonnebril. Hij stapte af en maakte een praatje: hoe het ging, en hoe het met die en die was, en dat t zo’n mooie zomer was. Toen hij wegreed riep hij me nog na: ik hou van je. En ik van jou Ben. Leve mooie oude mensen.