5. Het ministerie van Defensie. Oorlogsverhaal van J.A. de Bruine

De vader had dan niets verteld, het ministerie van Defensie kon precies vertellen waar, wanneer marinenummer 02969/10059 geweest was in de oorlog. Tot op de dag nauwkeurig is er van iedere militair van de koninklijke marine, koninklijke landmacht, koninklijke luchtmacht c.q. koninklijke marechaussee een registratie van de staat van dienst.

In juli 2010 heb ik de gegevens van mijn vader opgevraagd. Twee maanden later kreeg ik ze. Met exact de bewegingen van pa op zee van 1926 tot 30 juni 1947, de dag dat hij eervol wordt ontslagen uit de zeedienst ‘wegens ongeschiktheid uit hoofde van gebreken’. (Thuis werd verteld dat het vanwege zijn doofheid was, ‘het geluid van de bommen’, maar het zou me niet verbazen als ook zijn psychische gezondheid een rol heeft gespeeld bij zijn afkeuring.) Bij de gegevens ook zijn decoraties. De bijbehorende oorkondes hebben bij ons altijd in de kamer gehangen in een mooie lijst, achter glas. Ik heb ze eigenlijk nooit goed bekeken. Het waren het Oorlogsherinneringskruis met de gespen Krijg ter Zee 1940-1945 en Javazee 1940-1941 en twee Koninklijke Vermeldingen bij Dagorder van de Hr. Ms. Soemba en de Hr. Ms. Tromp.

– – – De Bruine, Johannes Arie – – – was als 17-jarige het leger ingegaan als lichtmatroos. Een jaar later werd hij geplaatst op het wachtschip Vlissingen. Voor de oorlog was hij op verschillende schepen actief met name bij de Onderzeedienst, de OZD. Hij klom op van lichtmatroos tot kwartiermeester en werd in oorlogstijd bootsman. Nauwkeurig wordt tot 1942 vermeld wanneer de keerkring gepasseerd wordt. Dat was in 1928 de eerste keer. Op 13 maart 1942 passeert pa aan boord van de Abraham Crijnssen op weg naar Australie nogmaals de keerkring. En dan worden de gegevens vaag. Net als zijn brieven. Vanaf december 1942 tot mei 1945 was hij gestationeerd op de Hr. Ms. Willem van der Zaan. Het passeren van de keerkring wordt niet meer verteld. En dat moet toch regelmatig gebeurd zijn. Want ik lees op internet dat de Willem van der Zaan was toegevoegd aan het Britse Arabian-Bengal-Ceylon eskader. ‘De Willem van der Zaan escorteerde drie jaar lang individuele schepen en konvooien van en naar Colombo.Op 12 oktober 1944 vertrok de Willem van der Zaan richting het Verenigd Koninkrijk. De overtocht bracht het schip langs de havens van Bombay, Aden, Suez en Gibraltar. Op 16 november van dat zelfde jaar arriveerde het schip veilig in de monding van de Thames.’

Hoe was het aan boord van de Willem van der Zaan? En wat hield dat escorteren in? Het Arabian-Bengal- Ceylon hield zich bezig met mijnen leggen en vegen. Wat was dat precies? Hoe ging dat? Was het eigenlijk een vrij ongevaarlijke klus? Er zijn geen slachtoffers gevallen in deze periode op de Willem van der Zaan immers.

Waarom was ik toch zo ongeïnteresseerd toen het nog kon: vragen.

Een lijst met gegevens, getallen en cijfers. Gegevens waar je ook vragen bij kunt stellen. Veel vragen. Het verhaal ontbreekt.

Als Nederland wordt bevrijd op 5 mei bevindt marinenummer 0269/10059 zich in Londen op de Willem van der Zaan. Een paar dagen later wordt hij geplaatst op de Walcheren. Die zal hem naar Rotterdam brengen. En dan. Naar huis. Eindelijk.

wordt vervolgd

4. De brieven. Oorlogsverhaal van J.A. de Bruine

Ze lagen in de linnenkast. Op de bovenste plank. Achter de lakens en de slopen. Het hagelwit, keurig gestreken beddegoed. We wisten het allemaal. Wij, de kinderen. De brieven van pa. We spraken er niet over. Als er naar gevraagd werd hoorden we dat we dat later wel zouden lezen. Pas na de dood van onze moeder hebben we ze kunnen lezen. Een stapeltje brieven in een grote witte envelop.

De originelen liggen in de dekenkist bij onze jongste broer met fotoboeken en de oorkondes die aan de wand hingen. De oudste broer en de zussen kregen kopieën. Bij mij liggen ze in het bureautje ‘van bij ons thuis’ in een bruine leren map. Ik heb ze gelezen en in de goede volgorde gelegd.

Bovenop ligt de afscheidsbrief van zijn ongeneeslijk zieke vader, onze opa, uit 1938, met als aanhef Geliefde Zoon, een grote zwierige G, eindigend met heilwenschen, je Vader

Dan volgen twee brieven uit 1939, lange intieme brieven van 4, 5 kantjes vol liefde. Dank voor de ontvangen brieven, blijkbaar was er regelmatige en uitgebreide briefwisseling‘ : Ook vandaag twee brieven van je gehad, daar was ik blij mee hoor’, lieve woordjes voor zijn lieveling, vragen naar de kinderen, ‘de koekjes’, tekeningetjes voor hen en hartjes, verslag van bezigheden en voortgang van de cursus voor bootsman. Groeten voor alle familieleden en bekenden en verlangen naar het weerzien, hopende je gauw weer in mijn armen te hebben.’

Een paar brieven uit april 1940, ook deze brieven ademen liefde uit maar vooral heimwee, en ongeduld naar het weerzien dat hopenlijk spoedig zal plaatsvinden. En dan een korte brief van 17 oktober 1940, Na maanden in een martelende onzekerheid te hebben gezeten eindelijk rust. Schat, ik ben zoo blij. Was er kapot van. Goddank. We zullen elkaar weerzien.’ Blijkbaar was er eindelijk weer een bericht uit Holland gekomen. De post liep via Amerika Box 45 California.

Dan wordt het stil, een paar Rode Kruis berichten, van mijn moeder aan pa met de hand geschreven, en een bericht van het Rode Kruis van 21 juni 1942 aan mijn moeder met de mededeling dat zij een keer in de veertien dagen een bericht mag sturen op een formulier: Voorts deel ik U mede dat mij nog geen bericht omtrent eventueele verliezen a/b van de Hr. Ms. Tromp heeft bereikt; U kunt er evenwel van verzekerd zijn, dat eventueel bericht aangaande J.A. de Bruin onverwijld te uwer kennis zal worden gebracht.

Mijn moeder en mijn vader verloren het contact. Leefden allebei in onzekerheid: leef je nog?, waar ben je?, hoe is het met je? Het laatste Rode Kruis bericht is uit 1943. Hoop en vertrouw op spoedig weerziens.

En dan een brief van mijn moeder van 7 mei 1945, net na de bevrijding geschreven. Onderaan ook een paar zinnetjes van Gilles en Zus. En ma: Die onzekerheid dat ik niet weet of je er nog bent maakt de feestvreugde wel minder.’

De hoop dat hij terug zal komen is er nog steeds: In Katwijk is ene Huig v Duim aangekomen uit Engeland en daar breng ik deze brief, ik ben benieuwd of hij nog iets van jullie schip weet, want wat heb ik om jou in angst gezeten, dan weer gezonken, dan weer niet. Als ik nu maar wist dat je er nog was.

Twee weken later zou pa de Bruine voor de deur staan. Pa zat al lang niet meer op de Tromp. Waar was hij dan wel geweest? Wat had hij al die tijd gedaan? En wat was er met hem gebeurd?

Vragen die niet zijn gesteld. Niet aan pa. Maar ook had ik onze moeder vragen willen stellen. Waren dit alle brieven? Hoe kreeg ze die? Waarom deze bewaard?

En waar is dat oorlogstrauma opgedaan?

De brieven ademen liefde en tederheid. Verlangen. Geloof. En hoop

‘Wees nooit ongerust over mij

Wordt vervolgd

3. De spannende ontsnapping van de Abraham Crijnssen. Oorlogsverhaal van J.A. de Bruine

Het moeilijkst te camoufleren was de mast en schoorsteen

Bij de schermutselingen voorafgaand aan de slag op de Javazee was Ko, zoals hij door zijn maten genoemd werd, licht gewond geraakt. Hij verbleef voor zijn herstel in de kazerne Goebeng in Soerabaja. Op 3 maart 1942 na de verloren Slag in de Javazee begon in Soerabaja de vernietiging van alle gebouwen en van materiaal dat van waarde kon zijn voor de Japanners. Een paar dagen ervoor was het grootste gedeelte van het marinepersoneel al geëvacueerd per trein naar Tjilatjap en vandaar per schip naar Australië. In de haven van Soerabaja lagen nog drie mijnenvegers. Van hogerhand kregen de commandanten de opdracht dan wel het schip te vernietigen, uit te wijken of te ontsnappen. De bemanning was vrij om te gaan.

Onze vader die op een fiets vanaf de kazerne in de haven een kijkje kwam nemen werd aangesproken door wat de commandant van de Abraham Crijnssen van Miert bleek te zijn. Of hij mee ging. Ontsnappen. Van Miert had een plan bedacht hoe. Maar tot zijn verbazing kreeg hij zijn bemanning niet mee. De helft besloot niet mee te gaan, omdat ze liefje of vrouw en kinderen in Indie hadden. En de ‘Indische jongens’ dat sprak voor zich. Van Miert ronselde in de haven, in café’s, kampongs en overal waar hij maar mensen kon krijgen. Mijn vader twijfelde niet. Hij ging aan boord en begon mee te helpen aan de werkzaamheden om de vluchtpoging tot een goed einde te brengen.

Er werden van Schiedamsgaren grootmazig netten gevlochten die over het hele schip heen getrokken werden. Op deze netten werd een laag takken en soms hele stukken boom aangebracht, buitenboord afhangende tot op de waterlijn zodat het voor een buitenstaander onbekend was dat daar een schip onder zat. Vrijdag 6 maart was de grote dag. Bij de opgeraapte bemanning was een stuurman van de koopvaardij en een verpleegster uit het plaatselijke ziekenhuis. Er waren kippen aan boord, een aapje, jonge hondjes en eenden. De commandant die ‘s avonds nog even in de stad was had de Jappen op de Wonokromibrug de stad in zien marcheren. Dat was half tien in de avond van de 6e maart. We voeren direct weg richting de Gili’s een groep kleine eilandjes aan de Oostpunt van Madoera wat onze eerste ankerplaats zou zijn. Het ontvluchtingsplan was zo in elkaar gezet dat we ‘s nachts zouden varen en overdag zo dicht mogelijk onder de kust voor anker zodat het precies een eiland leek in plaats van een schip. De eerste nacht passeerden we, vanwege de camouflage ongezien 6 Japanse torpedo-bootjagers, die opstoomden naar Soerabaja.*

De camouflage moest onderweg een paar keer ververst worden. De bemanning moest zo stil mogelijk blijven. Na een paar spannende nachten bereikte de het schip de Indische Oceaan en ‘werd de hele bomentoestand over boord gewipt’. Op 15 maart arriveerde de Abraham Crijnssen in Geraldton Australië.

Van matroos J de Rooy is een uitgebreid verslag over de reis. Ik kreeg het verslag opgestuurd door stoker F Bouwmeester uit den Helder, die mij in 2001 een brief schreef over de ontsnappingsreis van de Hr. Ms. Abraham Crijnssen. Ik had hem ontmoet tijdens een bezoek aan het Maritiem Museum in Den Helder waar het schip te bezichtigen is en waar ook de film te zien is ‘Een eiland ontsnapt.’

Wij kenden het verhaal van onze Pa, een van de weinige. En summier. Hij had er wel bij verteld dat ze doodsbang waren toen ze dwars door de Japanse linies voeren. Dat ze op hun knieën lagen om te smeken dat ze niet zouden worden opgemerkt. Om er aan toe te voegen dat hij niet begreep dat de kerk waar hij lid van was ruzie aan het maken was over theologische kwesties. Terwijl het oorlog was.

wordt vervolgd

Overdag camouflage verversen en aanvullen.

Een deel van de bemanning, links boven? Johan de Bruine (Ko). Onderaan de verpleegster en naast haar de commandant van Miert. In totaal 58 mensen.
  • Verslag van matroos van Rooy
  • Foto’s van stoker F Bouwmester
  • Maritiem Museum Den Helder
  • Koninklijke Marine in de 2e Wereldoorlog
  • Kerkscheuring 1944: de zogenaamde Vrijmaking, de scheuring in de Gereformeerde Kerken die leidde tot het ontstaan van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt.

2: Eindelijk Thuis. Oorlogsverhaal van J.A. de Bruine

De man van de foto op het kastje was dan eindelijk thuis. Maar al heel gauw bleek dat de papa waar ze zo naar verlangd hadden, voor wie ze bij het slapen gaan gebeden hadden iedere avond, helemaal niet zo’n aardige en lieve papa was, zoals ze hadden gedacht en zoals hun moeder had verteld. En op de foto leek hij ook niet: zo vrolijk, zo vriendelijk, zo aardig was hij helemaal niet.

Doodsbang waren ze voor hem. Schreeuwen, slaan, schoppen. En doorgaan met slaan en schoppen. Niet stoppen. Zonder eten naar bed, of met brood en water naar zolder. En als je dacht nu is hij rustig kon het zo maar weer helemaal los gaan. Het geluid van een krakende beschuit, een gebogen rug, per ongeluk verkeerd kijken of iets zeggen. De storm kon zo maar opsteken om niets. Een wild gevaarlijk beest, dat los brak.

Je heil zoeken bij je moeder of inwonende opa was niet aan de orde. In tegendeel dan waren die aan de beurt.

Er kwamen ook nog drie kinderen. Na de kinderen Gilles, Didi en Adrie van voor de oorlog de kinderen van ‘na de oorlog.’ Ik ben de middelste, geboren in 1949. Wij van na de oorlog, zus Rieteke mijn jongere broer Hans en ik dachten de laatste stuiptrekkingen van de woeste vader mee gemaakt te hebben. We dachten de dans ontsprongen te zijn. Maar op latere leeftijd ontdekte ik dat dat niet het geval was. Dat je je niets kan herinneren zegt niets. Je lijf vergeet niets zei de haptonome. Bang, onveilig, op je hoede zijn, je dood houden, je onzichtbaar maken, pleasen. En naar buiten gaan waar je niets kon gebeuren.

We waren altijd buiten. En jij liep jaren vaak alleen in een hemdje en een onderbroekje, ma kon het helemaal niet aan, hoorde ik van mijn zus Rieteke die 9 maanden na de terugkomst van mijn vader was geboren. Zij stierf in 2017, en een van de laatste keren dat we met elkaar uit waren spraken we bij een bezoek aan het museum in Gorssel over vroeger. Ze wist toen nog niet hoe ziek ze was. We spraken over hoe het was thuis vroeger. Over de woedebuien van Pa. We moesten er vreselijk om lachen, hoe hij op tilt kon slaan omdat onze moeder rode besjes bij de pudding had gedaan, of zuurkool op tafel, we konden niet ophouden te lachen. Een lachbui, en dat wisten we van binnen allebei, die eigenlijk een huilbui was. Om de verschrikkelijke dingen: het slaan, het schoppen, het schreeuwen, de angst, de onrust, de onveilige jeugd. Het onveilige thuisgevoel waar we het leven mee in zijn gegaan, en wat onze levens gekleurd heeft en bepaald.

En dan het ingewikkelde: als je mij vraagt wie heeft je geleerd wat liefde is, dan is het diezelfde pa. Wat hield ik van mijn vader. Als ik naast hem zat in de kerk, met mijn handje in zijn hand vol bruine vlekken, zo fris ruikend, zo mooi was hij. Zo als hij mij noemde met zijn koosnaam voor mij, Wisje. Hoe hij het voor me opnam toen ik een schooladvies kreeg voor de mulo in plaats van het gymnasium. Hoe blij hij kon zijn omdat de zon scheen, hoe ontroerd hij was toen ik een kind kreeg. Hoe hij kon fluiten in de straat op weg naar zijn werk. Hoe blij hij kon roepen naar zijn hondje. Wat hield ik van mijn pa.

De duivel, het kwaad dat in hem was, was groter dan hij. Het heeft jaren geduurd voor dat het wilde beest in hem tot rust is gekomen, is gaan liggen. Heel af en toe was er nog zo’n vlaag, maar nooit lang, niet meer zo heftig. Maar altijd onrustig. Soms reed hij naar het water om rustig te worden. De oude zeeman. Hij stierf op 65-jarige leeftijd. De avond voor zijn fatale hartaanval had hij bij een oom in Rotterdam iemand getroffen uit zijn oorlogsverleden waar hij uren mee had zitten praten, ver bij de andere visite vandaan. In het ziekenhuis, maakte hij grapjes. Ik dacht dat je vader uit ging stappen Wisje. Zijn arm met de tattoo van een anker aan de slangen. Kort daarna zou hij de fatale klap krijgen. Hij was niet bang te sterven. Hij had een kinderlijk geloof. Het beeld van mijn vader voor het bed in zijn lange witte onderbroek op zijn knieën en zijn gevouwen handen voor zijn hoofd zal ik nooit vergeten. Het verhaal van de oorlog is mee zijn graf ingegaan. De dokter verklaarde dat onze pa een totaal versleten hart had. Kon heel goed dat dat van zijn onverwerkte oorlogsverleden was, zei hij.

wordt vervolgd

1. Oorlogsverhaal van J.A. de Bruine

Kom vanavond met verhalen, hoe de oorlog is verdwenen en herhaal ze honderd malen: alle malen zal ik wenen. (Leo Vroman)

De komende maanden gaan we 80 jaar vrijheid vieren. Het is met schroom dat ik het oorlogsverhaal van mijn vader Johannes Arie de Bruine ga vertellen. Moet vertellen. Het oorlogsverhaal van mijn vader J.A. de Bruine, het verhaal van ons gezin.

In de komende weken zal ik iedere maandag een stukje van het verhaal schrijven. De laatste aflevering in de week van 22 mei, de dag dat mijn vader na zes jaar terugkwam uit de oorlog, in Katwijk aan de Rijn. Vandaag de eerste.

BEVRIJD maar niet VRIJ

In de Elisabethbode had een oproep gestaan om oorlogsverhalen op te sturen. Mijn moeder wees me er op. Ze zou het wel mooi vinden als het bijzondere oorlogsverhaal van Pa verteld zou worden.

Pa was al jaren dood. Op 65-jarige leeftijd stierf hij in 1974 aan een hartaanval. Nauwelijks had hij gesproken over die jaren 1939-1945. Als er naar gevraagd werd reageerde hij geïrriteerd, naar reünies van de marine ging hij niet, mensen die over de oorlog begonnen meed hij. Mijn moeder kon dus niet eens heel veel vertellen over het verhaal van onze vader. Ik vroeg haar ‘haar verhaal’ op te schrijven. Dat deed ze. Ik beloofde dat ik er naar zou kijken en het over typen en op sturen. Ma had beschreven hoe haar man voor de oorlog naar Indie was vertrokken. Zij zou volgen na de geboorte van de baby die in haar buik groeide. Ze zou met de drie kinderen haar man achterna gaan. Voor het zo ver was brak de oorlog uit. Het zou zes jaar duren voor ze haar man terug zou zien. Het kleine meisje dat in 1939 geboren was zou haar vader pas op zesjarige leeftijd voor het eerst zien. Mijn moeder had het mooi beschreven. Hoe ze altijd geweten had dat hij nog leefde ondanks de verhalen van de Duitsers dat zijn schip vergaan zou zijn. Dat ze daar iedere dag voor gebeden had. Dat haar gebed was verhoord. Ik heb het stuk letterlijk overgetypt en opgestuurd naar de Elisabethbode.

In de speciale uitgave van de Elisabethbode ter gelegenheid van Bevrijdingsdag was het inderdaad geplaatst. Maar mijn moeder was absoluut niet te spreken over het stuk. De redactie had het enigszins aangepast. Blijkbaar had de redactie tussen de regels gelezen wat ze zelf liever niet had geschreven. Ze had haar stukje afgesloten met: de eerste jaren na de oorlog waren niet gemakkelijk. Mijn man was zo veranderd na wat hij had meegemaakt. De redactie had het haarfijn aangevoeld. Ze hadden boven het stukje gezet: Bevrijd maar niet vrij. Dat stond mijn moeder helemaal niet aan. Maar het was wel precies zoals het was.

Mijn moeder was redelijk ongeschonden de oorlog doorgekomen, dankzij haar vader, lieve opa voor de kinderen, en haar zus Rie die haar met raad en daad ter zijde stond. Ze hadden het bombardement meegemaakt in Rotterdam en de hongerwinter. Maar het was niets in vergelijking met de oorlog in het huis aan de Valkenburgse weg 11b Katwijk aan de Rijn die begon met de terugkeer van de man die zo onbevangen en onbevreesd was weggegaan naar zee, de lieve, knappe, vrolijke man van wie ze zo hield, maar die zo veranderd was, zo verschrikkelijk veranderd…

Wordt vervolgd..

* Foto: Johan de Bruine 1936 ( geboren 5 april 1909 in Den Haag)

* Elisabethbode: Christelijk blad over geloof voor mannen en vrouwen met protestantse achtergrond.

literaire pubquiz

We waren moe. We wisten niks. De oudste van ons wist heel veel, maar was het meeste vergeten.

Toch verlieten we goedgemutst tegen elf uur de Smidse in Nijverdal. We hadden het gezellig gehad en hadden genoten van de knap in elkaar gezette literaire pubquiz in vijf ronden. En. We hadden het niet eens slecht gedaan. Natuurlijk konden we niet op tegen de teams uit de bibliotheek- en mediatheekwereld en de docenten Nederlands, maar daarna stonden wij toch knap op de vierde plaats. Wij, het boekenclubje.

Als je een boek leest ben je nooit alleen wordt gezegd. Daarmee wordt niet bedoeld dat je niet met elkaar een boek kunt lezen. Want dat is ontzettend leuk. Gezamenlijk een boek lezen en daarna er met elkaar over praten geeft een extra dimensie aan lezen. Het vergt enige discipline om niet in discussie te gaan of een boek mooi, goed of interessant is. Ieder boek, ook een naar, een vervelend boek kan een boeiend en leerzaam gesprek opleveren. Een gesprek over een boek vanuit verschillende perspectieven kan een heel ander inzicht opleveren over het boek en je zelfs aanzetten om het boek nog eens te lezen.

Morgen gaan we met het boekenclubje De Gebroeders Karamazov lezen. Een pil van meer dan duizend bladzijden. Als het niet op het lijstje van ons clubje was ingebracht had ik het niet gelezen. En het was af en toe heel hard werken. Maar ik ben blij het gelezen te hebben en verheug me op de bespreking morgen. Ik wil maar zeggen: Als je van lezen houdt: word lid van een boekenclub, er zijn er veel. Informeer op internet of in de bibliotheek of zet er zelf een op. En doe dan met je clubje mee aan de pubquiz in maart ieder jaar georganiseerd door de sectie taal van ZINiN in de gemeente Hellendoorn: Een feestje.

Blijft dat ik nog steeds niet begrijp dat ik donderdagavond niet kon komen op het pseudoniem van Geert van Oorschot, die Twee Vorstinnen en een Vorst schreef. Notabene een van de boeken die niet naar de boekenmarkt verdween na de verhuizingen. Het staat in de witte kast op de plank met mijn lievelingsboeken: Peskens. Naar de oude anarchist Jef Peskens uit de jeugd van Geert van Oorschot in Vlissingen. Ja! Peskens!

K. Bouter

‘Wat is er met K? Hij staat daar al een hele tijd in zijn tuintje. Onbeweeglijk. Af en toe schudt hij langzaam zijn hoofd en zucht hij diep. En heeft hij iets in zijn hand?’ ‘Mevrouw Spin weet u het?’ ‘Nee, ja ik heb het gezien, ik weet het ook niet. Het lijkt of hij verdrietig is, ik heb het meneer Eenkhoorn gevraagd, die had het ook al opgemerkt die dacht ook dat hij verdrietig was.’ ‘Wat vinden jullie? Moeten we iets doen?’ ‘Laten we meneer Eenkhoorn vragen om wat nootjes te brengen.’ ‘Ik ga bloempjes plukken.’ ‘Ja en we vragen mevrouw en meneer Merel om heel mooi voor hem te zingen.’ ‘ Ja dat is een goed idee, laten we dat doen, dat zal hem opfleuren.’ ‘En we vragen of het kleine vlindermeisje voor hem wil dansen in de zon!’ ‘Ja dat gaan we doen!’

Iedere zaterdagmorgen, trekt een clubje mensen uit de straat er op uit om met elkaar kloot te schieten. Een route van 6,5 kilometer, voor het grootste gedeelte door de bossen. Het groepje wordt verdeeld in twee teams. Het gaat er om in zo min mogelijk worpen die 6,5 kilometer af te leggen. Hoewel we vooral klootschieten om de gezelligheid, enige rivaliteit is er ook zeker. We hebben allemaal ons eigen bal, rood of geel, zwaar of minder zwaar, want in de ballen zit lood. En dat is handig, want het gebeurt regelmatig dat we moeten zoeken naar een bal in de bladeren langs het pad. Soms vinden we ondanks al het zoeken de bal niet. Dan rijdt iemand op de fiets na de wandeling met een metaaldetector naar de plaats waar de bal ongeveer moet zijn gevallen en dat wordt de bal altijd gevonden, soms op een heel andere plek, maar ook op de plek waar we echt alles meenden te hebben bekeken.

Zo waren we zaterdag de bal van J kwijt. En bij het zoeken naar de bal zagen we het. Een groen poppetje. Een kaboutertje. Op een houtje vastgemaakt, stevig en diep gestoken in de grond. Een hekje gemaakt van takjes en tiewraps. En! Een briefje met naam en adres. ‘Fam. K. Bouter Vierhuizenweg 1.’ We moeten vaker langs de fam K. Bouter gelopen zijn en nu viel het oog er op. We vroegen ons af hoe het daar gekomen was. Welk verhaal er achter zat. Een speurtocht? Een creatief kind?

Ik moest denken aan aan wat ik ooit las op een winkelruit in Leiden. Look closely, the beautiful may be small. (Kijk goed, de schoonheid kan in iets kleins zitten). J maakte de foto. En W het verhaaltje.

jongen of meisje

Hoe zou je leven er uit zien als je als jongetje was geboren. We mochten er even over nadenken. Het was tijdens de Internationale Vrouwendag 8 maart 2025. In Nijverdal in eet- en werkcafe Kleurrijk waar ruim honderd vrouwen met elkaar de dag uitbundig vierden.

Anna van veertien vertelde dat ze heel blij was dat ze als vrouw was geboren. Maar als jongen had ze veel minder tijd voor de spiegel gestaan en was ze minder bezig geweest met haar uiterlijk en haar kleding. Wel dacht ze dat het als vrouw ingewikkelder is in het leven. Ze meende dat het voor jongens allemaal veel eenvoudiger is. ‘Ze worden ook zo anders benaderd.’

Ik moest er inderdaad wel ‘even over nadenken.’ En de afgelopen dagen heb ik dat ook nog gedaan. Een leuke vraag. Ook ik ben blij dat ik als vrouw ben geboren. Ja zeker. Al was ik altijd een jongensachtig meisje, ik was ook een echt poppenmoedertje en wat kon ik blij zijn met een mooi jurkje. Maar dat getob over ‘wat zal ik aantrekken’, ‘hoe zie ik er uit’ had ik graag ingeruild voor een broek, overhemd, jasje dasje, mooie leren schoenen, haren navy cut: klaar. Ja en ik denk dat ik dan om bepaalde eigenschappen andere reacties had gekregen dan ‘wat ben je toch fel en direct.’ En zouden er mannen zijn die denken laat ik maar niks meer zeggen anders denken ze daar heb je hem weer? Ik had zeker een andere baan gehad als ik een jongen was geweest: ‘schooljuffrouw’ was het hoogste voor een meisje dat goed kon leren volgens de meester. Wat had ik graag een universitaire studie met het daarbij behorende studentenleven gevolgd. Gesprekken over de laatste mode en gerechten in de keuken ruil ik graag in voor een pittige discussie over politiek. Ik praat graag met mannen. Verjaardagsvisites met een mannen- en vrouwentafel verfoei ik.

En toch.. Wat ben ik blij dat ik ben wie ik ik ben, die ik ben. Wat ben ik gelukkig met het leven dat ik geleefd heb en het leven dat ik nu nog ieder dag leef. Het had niet anders hoeven zijn dankzij het overvloedige lief en ondanks het overvloedige leed dat er was. Misschien had ik liever getrouwd geweest met een vrouw. Maar dan had ik geen kinderen en kleinkinderen gehad. En als er iets is wat mijn leven kleurrijk maakt zijn zij dat wel.

‘Laat je angsten achterwege, sta op en ga schijnen in het leven’, had Miriam, de spreker over de Vrouw van de Toekomst gezegd. Dat hebben we gedaan. In het verleden en op zaterdag 8 maart overal in de wereld. En vandaag en morgen in Nederland, in Afrika, in Irak, in Syrië, op de Filippijnen, in Rusland, in de Oekraïne, in Amerika, in China, in Zuid Korea, in Noord Korea, in Israel, in Ghaza, in Afghanistan, overal.

En in Enschede. Want daar woont dat meisje, die jonge vrouw: de Mens van de Toekomst: Anna.

Foto: Katwijk aan de Rijn 1955, moeder Clazien de Bruine met haar twee jongste kinderen, Willie en Hans.

Lees verder

feest, maar niet voor Frenske,

Niemand begreep het. Hadden ze zo’n groot feest gehad. Was iedereen zo blij geweest en vrolijk. Moest midden in de nacht de brandweer uitrukken om een brand te blussen.

Het was in de zestiger jaren. In een klein Brabants dorpje. Het was de maandag van carnaval. De dag van de grote optocht. Iedere straat met een wagen voor de optocht. Wagens van het koor en de verenigingen. Het hele dorp was er: in de optocht of aan de kant van de weg. Iedereen was verkleed: heel uitbundig of gewoon in een boerenkiel. De zon had geschenen, de fanfare gespeeld. Er was gedanst, gelachen, gezongen en bier gedronken, heel veel bier.

Toen de zon achter de horizon was verdwenen en de lantaarns gingen branden waren de mensen teruggekeerd naar huis. De straten leeg op een enkele late feestganger na. De kerkklok had twaalf geslagen. Toen waren daar ineens vlammen. Op een weiland aan de rand van het dorp waar een drietal praalwagens stonden gestald stond een van de wagens in lichterlaaie. Notabene de wagen van de Steenstraat, de winnaar. De wagen brandde in minder dan geen tijd helemaal op en op het nippertje wist de brandweer te voorkomen dat ook de andere wagens in de brand zouden vliegen.

Niemand begreep het toen enkele dagen later Marie uit de Steenstraat bij de politie opbiechtte dat zij het was geweest die de wagen in de brand had gestoken. Iedereen was stomverbaasd. Marie ? Waarom? Onze eigen wagen waar jezelf zo hard aan hebt meegewerkt samen met jouw Frenske?

Marie was zich bewust dat ze het niet had moeten doen, dat ze stom was geweest, dat ze niet wist wat er in haar gevaren was. Stom, stom stom. Ze had er vreselijke veel spijt van. Op de vraag van de agent wat er nou was gebeurd vertelde ze het volgende:

Frenske had het hele jaar iedere week keihard meegewerkt aan het maken van de wagen. Iedere woensdagmiddag ging hij naar de boerderij van boer Sjaak van Don om mee te helpen. Samen met de andere kinderen van de straat. Hij vond het prachtig. De hele week leefde hij toe naar de woensdagmiddag. Toen er rond kerst werd verteld dat er zeven kinderen op de wagen mochten zitten en hij begreep dat hij daar niet bij was, was hij heel teleurgesteld. Hij is nog een keer naar boer Sjaak geweest om te vragen of hij niet in plaats van Jan zou kunnen, omdat die tegen hem had gezegd dat hij er misschien niet zou zijn op de maandag van de carnaval Boer Sjaak beloofde dat hij dan aan Frenske zou denken, daar kon hij op rekenen: ‘Dan ben jij de man Frenske!’ De zondag voor de optocht bij het oefenen bleek dat Jan er inderdaad niet was en Frenske was stomverbaasd toen hij niet zijn naam als vervanger van Jan hoorde. Huilend was hij thuis gekomen en moeder Marie was net zo boos en verdrietig: hij had het toch beloofd! Frenske was toch naar de laatste werkzaamheden voor de optocht gegaan in zijn boerenkieletje en warempel er was nog een kind niet op komen dagen, maar nogmaals hoorde Frenske niet zijn naam. Peer in zijn mooie leeuwenkostuum mocht op de wagen.

‘Ja en toen wonnen ze en toen zag ik mijn menneke daar staan op het weiland met zijn witte gezichtje, helemaal alleen en iedereen juichte en lachte en niemand zag hem staan. Ik zag heel veel lachende en vrolijke gezichten en ik zag alleen maar hem. En dat deed zo vreselijk zeer. We zijn naar huis gegaan en we hebben niet veel gezegd. ‘Het is niet eerlijk mama.’ zei hij alleen nog. Toen ik hem naar bed had gebracht en zijn boerenkiel in de wasmand gegooid werd ik boos. Ik werd steeds bozer. Ik werd woedend, ik werd razend en toen…’

‘Weet u, ge lijdt als mens liever zelf dan dat ge uw kind ziet lijden.

  • Een ‘ongeveer’ waar gebeurd verhaal uit de zestiger jaren in Brabant. Naar aanleiding van een berichtje in de krant.

het land waar het leven goed is

In het jaar 1771 zonk het schip Vrouw Maria in de Oostzee voor de kust van Finland. Aan boord 27 schilderijen voor tsarina Catharina de Grote van Rusland waaronder kunstwerken van Gerard Dou, Paulus Potter, Gabriel Metsu, Adriaen van Ostade en Philips Wouwerman.

In het tv programma De Gezonken Meesters brengen creatievelingen en professionele kunstenaars zes uitzendingen lang een van de gezonken kunstwerken tot leven.

Vorige week was Marian Torenbeek uit Hellendoorn de winnaar van de creatievelingen in de uitzending waarin de schilder Philips Wouwerman centraal stond. Wouwerman was in zijn tijd een beroemd landschapsschilder, bekender dan Rembrandt, hij verdiende een goed inkomen. Niemand kon zo goed paarden schilderen als hij. Op bijna al zijn werken komt een wit paard voor. Het is een goede aandachtstrekker, als vanzelf wordt je oog het schilderij ingetrokken naar het witte paard.

In het kunstwerk van glazenier Marian staat het paard ook nog eens op een licht vlak. Daar gebeurt het. De smid is bezig met de hoeven van het paard. Een visser op het water. De waardin brengt een vermoeide reiziger een glas rode wijn. Spelende honden, rondscharrelende kippen. Een poepende hond. Cavia’s. Een man op zijn gemakkie op de grond rondkijkend. Een moeder wijst haar kind op iets. De visser? Zijn papa? Een watermolen. Vogels in hun vlucht. In de verte een golvend landschap en bergen en daar achter de zee? Een plekje waar je wel zou willen zijn. Een land waar je wel zou willen wonen. Een plek die je ieder mens, ieder kind, ieder dier zou toewensen.

Dat Marian met haar glaskunstwerk gewonnen heeft en nu in het Scheepvaartmuseum in Amsterdam hangt, snap ik helemaal. Ons eigen witte paard uit Hellendoorn!

  • Witte paarden of schimmels staan voor moed en wilskracht, zij streven naar het hogere. Zij staan voor heiligheid. Witte paarden dragen helden: Sinterklaas, de prins op het witte paard. In de bijbel is het witte paard in de Apocalyps het paard van de overwinning.
  • In 1999 werd het scheepswrak van Vrouw Maria ontdekt door Rauno Koivusaari. Uit onderzoeken blijkt dat een gedeelte van het schip nog in goede staat verkeert. Het is de bedoeling dat het schip wordt geborgen en tentoongesteld.