Het is maandagmorgen. De eerste maandag van het nieuwe jaar. Buiten is het koud. Er valt natte sneeuw. Op de daken ligt een dun laagje wit. De laatste harde oliebollen zijn in de groene container gemikt. De kerstsspullen staan in twee kratten klaar om naar zolder gebracht te worden. Uitteruggeblikt. Vooruit. Voorwaarts. Ik staar naar een leeg blad. En nu? Wachten op wat er zich aandient? Of juist plannen maken? Discipline? Structuur? Of loslaten? Maar zien?
Op de voorpagina van de krant zie ik een kop over een broos herstel van de economie in 2016. Een eindje verderop een foto met het onderschrift ” een broos laagje sneeuw”. Een mooi woord: broos. Zo voel ik me ook een beetje. Kwetsbaar, broos. Ik staar naar een leeg blad.
De telefoon gaat. Een vriendelijke vrouwenstem zegt haar naam en vraagt me of ik weet wie zij is. Ik zeg dat haar naam me vaag bekend voorkomt, maar dat ik er geen beeld bij heb. Ze legt me uit wie ze is. Ja zeker ik ken haar. Zij is een statige dame, ik zie haar regelmatig in de kerk. Ze complimenteert mij met iets wat ik heb gedaan. Het is aardig en lief wat ze zegt.

.
Mijn buurman heeft sinds een half jaar een hoedje. Dat past wel bij hem. Hij is niet een doorsnee man. Hij draagt altijd zwarte kleren en een wit overhemd. Hij lijkt op Herman Brood. Hij is ook een soort kunstenaar. Hij werkt in de mediatheek van de scholengemeenschap hier in de buurt. Naast zijn baan houdt hij zich bezig met poëzie en kunstprojecten. Zijn kunstenaarschap vertaalt zich niet in wild en onbesuisd gedrag. Hij is serieus en beleefd, ja zelfs charmant. Sinds hij dat hoedje heeft, begroet hij mij als volgt: hij pakt met zijn rechterhand het hoedje van zijn hoofd, maakt er een zwaai mee naar rechts met zijn arm, legt zijn linker hand op zijn hart en maakt een buiging. Als hij haast heeft licht hij het hoedje kort op en knikt hij met zijn hoofd.




