briljant*

Twee maanden later

Mijn grote zus kon alles beter dan ik. Ik heb me daar als kind al vroeg bij neer gelegd. Waar zij verscheen ging een briljant schitteren zei onze vader altijd. Waar ze ook was, wat ze ook deed, ze blonk uit. Op school werd met verbazing gekeken dat ik het ‘zusje van’ was. Mijn prestaties leken niets in vergelijking met wat mijn grote zus allemaal kon. Met de kinderen uit de buurt was het vanzelfsprekend dat zij de leiding had en de initiatieven nam. In huis steunde moeder op haar. Zij was net zo precies in het schoonmaken van het huis als moeder zelf, sterker zij kon het nog beter. Toen we naar Nederland gingen was zij degene die alles regelde, zelfs vader liet het min of meer aan haar over. Zij was de grote wolk in mijn bestaan waar weinig ruimte was voor het kleine witte wolkje dat ik was.

Toen ze al vroeg weduwe werd en zonder kinderen was gebleven sloeg ze er zich dapper door heen. Knap zoals ze zich staande hield en haar leven vervolgde. Ook in Nederland bleek ze de schitterende briljant. Ze had een goede baan en deed daarnaast ook nog allerlei vrijwiligers werk. Ze kende heel veel mensen. In de familie was het niet anders: ze was er voor iedereen.

Ook voor mij was ze er. Toen de kinderen geboren werden hielp ze mee. Mijn man was heel blij als ze weer weg ging, maar ik was blij met haar zorgzaamheid. Wat ik moeilijk vond was dat onze dochter haar zo bewonderde. Ze noemde tante haar grote voorbeeld. Dat deed me pijn. Ik zag hoe ze met elkaar praatten en was jaloers op hun band. Ik denk ook dat zij een belangrijke rol heeft gespeeld in de breuk met onze dochter. Aan de andere kant hield ze me wel een beetje op de hoogte van hoe het met haar ging en steunde ze me om hoop te houden. Maar mijn man vond dat ik er beter aan deed haar op afstand te houden. ‘Ze is bazig, overheersend, gevaarlijk’, vond hij.

Nu zorg ik voor haar. Ze is ernstig ziek. Ik mag haar wassen en naar de wc brengen. Eten voor haar klaarmaken en pillen aangeven. We praatten veel met elkaar. Ik hoor dingen die ik nooit heb geweten en ik heb verteld wat ik nooit heb gezegd. We hebben samen gehuild, dat hadden we nog niet vaak gedaan. Soms is ze te moe om te praten. Dan zijn we stil. ‘s Avonds vertel ik haar een verhaaltje voor het slapen gaan net als vroeger onze moeder deed. Dan stop ik haar in en strijk voorzichtig met mijn hand over haar gezicht. Ze is een beetje mijn kleine zusje geworden.

Foto: Jo Polak

* Aflevering 10 van Vervolgverhaal. Voor de vorige afleveringen: scroll naar beneden en klik op de groene pijl.

verschillend*

Er waren geen kinderen gekomen. Daar had ze veel verdriet om gehad. In haar eentje. Het ‘erover hebben’ was niet gebeurd. Niet met haar man, niet met haar ouders, niet met haar zus, niet met andere vrouwen. Dat lag aan die anderen maar vooral aan haar zelf had ze zich later gerealiseerd. Pas in Nederland had ze met andere vrouwen haar verdriet kunnen delen maar nooit met degenen die haar het ‘naast’ waren: haar familie, haar zus. Na het overlijden van haar man op jonge leeftijd was het gek genoeg makkelijker geworden. Ze was de jonge weduwe zonder kinderen. Dat gaf haar een status van respect en bewondering: een jonge weduwe zonder kinderen die er zich zo dapper doorheen sloeg. Er werd niet meer voorzichtig gedaan als er een baby geboren werd, want ze was zo lief voor haar nichtjes en neefjes, dat waren bijna een beetje ook haar kinderen toch?

Toen ze in Nederland kwam met haar ouders en zus met gezin was ze de rots in de branding van de familie geworden. Binnen no time had ze zich de taal eigen gemaakt en was ze een voorbeeld geïntegreerde geworden. Een baan in het bedrijfsleven, trossen vrienden en vriendinnen, actief in buurt en kerk; voorzitter van de gymnastiekvereniging zelfs, waar ze op handen gedragen werd. In de familie en de andere buitenlandse gezinnen was ze de vraagbaak voor van alles. Dat gaf haar een tevreden gevoel over haar leven uiteindelijk.

Voor de dochter van haar zus, was ze ‘het grote voorbeeld.’ Die dweepte met haar. Ze merkte wel dat haar zus het daar moeilijk mee had. Maar haar zus merkte niet op wat een pijn het haar deed als ze zag hoe moeder en dochter van elkaar hielden. De manier waarop ze elkaar aan keken, elkaar vasthielden. Bewondering is wat anders dan liefde, wist ze. Als kind al had ze het verschil gevoeld. Haar ouders waren maar wat trots op haar geweest, omdat ze zo bij de hand was, goed kon leren, en ook nog mooi was. Maar ze hielden vooral van haar zusje, het rustige, bescheiden, wat onhandige meisje dat bij alles geholpen moest worden. Met haar onschuldige oogopslag nam ze iedereen voor zich in. Ze werd een trouwe echtgenote en liefdevolle moeder die er geen moeite mee leek te hebben dat anderen voor haar beslisten en regelden. Alles kwam gewoon naar haar toe.

Een paar jaar geleden was haar nichtje bij haar gekomen. Om te vertellen hoe moeilijk het was om de band met haar moeder losser te maken. Dat die band haar in de weg stond om haar leven te leven met haar vriend. En dat ze dat zo moeilijk vond, omdat ze ‘zo vreselijk veel van mama’ hield. Ze had er hartstochtelijk bij gehuild. Wanhopig was ze geweest. Maar ze had het wel gedaan: afstand genomen van haar moeder. De band doorgesneden. Rigoureus. Zonder pardon. Van een afstandje had ze beide gevolgd en gesteund, op haar manier. Daar had ze van beide ook weer bewondering voor gekregen.

Nu was het haar beurt. Misschien was ze daarom wel ziek geworden. Om klein te worden. Om aandacht te krijgen. Liefde. Vanavond zou ze haar zus vragen of zij haar wilde verzorgen als het niet meer ging en ze zou haar zeggen dat ze het heel fijn voor haar vond dat ze weer contact had met haar dochter en ze zou vertellen dat ze ook zo graag kinderen had gehad en dat ze het zo jammer vond dat ze daar samen nooit over gesproken hadden en dat ze dat zo graag zou willen.

*Vervolgverhaal aflevering 9. Voor de vorige afleveringen naar beneden scrollen en op de groene pijl klikken.

stil*

De thee staat naast haar op het kleine tafeltje. Tegenover haar een man en een vrouw. Vader en moeder.

Ze hadden bij de deur gestaan toen zij het paadje opgekomen was. Naast elkaar. Ze hadden haar omhelst. Ingehouden, niet innig. Ze hoefde haar laarzen niet uit te doen, maar natuurlijk deed ze dat wel. Vader had haar jack aangepakt, en op een hangertje gehangen. Moeder had gevraagd of ze thee wilde of koffie. Alsof ze een gast was, die op bezoek kwam. Ze had een rondje gemaakt door de kamer en de aangrenzende keuken. ‘Oh kijk, ach ja’, had ze willen zeggen. Maar ze zei niets. Ze had gevraagd hoe het was, hoe het was met de familie in het rampgebied. Moeder had keurig haar vragen beantwoord, ze frummelde aan haar sjaal en ze liep steeds naar de keuken. Vader zei bijna niets, af en toe knikte hij instemmend als moeder iets zei. Ze praatten over tante, hoe erg het was en hoe spannend en of ze al iets van haar hadden gehoord. Toen werd het stil. Ze zuchtte. Vader tikte met zijn vingers op de leuning van de bank. Moeder keek uit het raam. Ze stond op. ‘Zullen we anders even een rondje lopen, langs het water?’ Ze keek haar moeder aan. ‘Mama?’ Haar vader knikte instemmend. Hij begreep dat het niet voor hem bedoeld was. Hij knikte zijn vrouw bemoedigend toe. Aarzelend knikte ook zij.

Ze liep naar de deur, pakte haar jas en trok haar laarzen aan. Ze wachtte buiten haar moeder op. Vader stond in de deur en keek hen na. Ze haalde diep adem en snoof de frisse lucht. Voorzichtig liepen ze naast elkaar. Net toen ze iets wilde zeggen, voelde ze een arm die behoedzaam in de hare werd gestoken. Zachtjes drukte ze de arm tegen zich aan.

* Vervolgverhaal aflevering 8, voor de vorige afleveringen scroll naar beneden en klik de groene pijl aan.

licht*

Ze haalde diep adem. Lucht, licht, heerlijk. Ze moest rechtsaf om haar parkeerbon te betalen bij de parkeerautomaat, maar bleef staan voor de draaideur. Even alles af schudden. Het vervelende onderzoek, de gesprekken, wat ze moest, wat ze niet moest, waar ze op moest wachten. Het tolde in haar hoofd. Ze had misschien toch beter iemand mee kunnen nemen. Wat was er nou gezegd? Één ding: als er geen streepje licht aan de horizon te zien is, zal ze niet verder gaan in het behandelcircus. Dan zal ze rustig afwachten op wat komen gaat. Dan.

Ja wat dan. De afgelopen dagen was er van alles door haar heen gegaan. Nachten waarin ze de slaap niet kon vatten. In de vroege morgen had ze geprobeerd na te denken. De prognose was niet best, ronduit slecht. Ze moest er rekening mee houden dat het snel zou kunnen gaan. Bij haar huisarts lag een brief waarin stond wat er moest gebeuren als ze ongeneeslijk ziek zou zijn. Over ondraaglijk lijden en levenseinde. Haar levenstestament. Bij haar vriendin lag een afschrift. Dat had ze geregeld. Maar er was nog iets. Iets wat ‘geregeld’ moest worden. Opgelost. Opgeklaard. Haar zus. Haar kleine zusje.

‘Er is altijd een manier om het goed te maken’* had ze ooit eens gelezen in een boek. Ze had het overgeschreven op een papiertje en in haar portemonnaie gestopt. Een portemonnaie die ze nooit meer gebruikte. Maar terwijl ze in de vroege morgen de zon had zien opkomen was die zin in haar omhoog gekomen. Ze had een appje gestuurd. Ze was op bezoek gegaan. Ze zou het vinden. De weg.

* De Vliegeraar van Khaled Hosseini

* Vervolgverhaal aflevering 7. Voor de vorige afleveringen scroll naar beneden en klik op de groene pijl.

glans*

Na twee jongetjes kregen we een dochter. Vanaf de eerste dag was ik gek op haar, dolverliefd. Omdat ze grappig was, vrolijk en mooi. En gemakkelijk net als de bevalling die zonder moeilijkheden was verlopen. Ze maakte ons blij, ze maakte ons aan het lachen. Na de jongetjes die veel huilden en maar niet wilden eten kwam er na een aantal jaren een meisje, dat alleen maar vreugde bracht. Een geschenk was ze. En dat bleef: ze had vriendinnetjes, op school deed ze het goed en thuis ging de zon schijnen als ze binnen kwam.

Ik had een hechte band met haar. We waren een twee eenheid. We hoefden niets te zeggen om elkaar te begrijpen. We lachten samen de hele dag, zongen liedjes en liepen gearmd als we buiten waren. Voor het slapen gaan vertelde ik haar verhalen, dan kroop ze tegen me aan en dronk ze ieder woord dat ik sprak. Het was het mooiste moment van de dag. Wat was ik dan gelukkig. We waren gelukkig dat weet ik zeker. We hielden heel veel van elkaar.

Toen ze ouder werd veranderde het. Ik had het eerst niet in de gaten. Ze begreep niet dat ik niet zo was en deed als mijn zus, haar tante. Maar ik was tevreden met mijn leven thuis. De kinderen verzorgen, het huis, het eten, het gezin. Contact met andere mensen had ik niet veel maar daar had ook niet zo’n behoefte aan. Ik was tevreden en gelukkig. Ik heb een goede man die goed is voor zijn gezin. Naast het geld van de gemeente dat wij krijgen verdient hij wat extra met allerlei klusjes. We werken samen in de tuin. Mijn man is rustig en een lieve vader en echtgenoot. Hij leest veel en doet ook veel in onze kerk, waar we iedere zondag naar toe gaan en waar we alle mensen kennen ook familie van ons die net als wij naar Nederland zijn gekomen. Hij kan mooie gedichten schrijven, die leest hij voor in de kerk. Dan ben ik trots op hem. De jongens gaan niet meer mee. Ze vinden het te ver weg. Sinds een paar jaar wonen ze niet meer thuis.

Na de jongens verliet ook zij het huis. Er was steeds ruzie. Ik begreep er niets van. We hielden toch van elkaar. Ik wilde haar zo graag bij me houden maar ik begreep best dat ze ‘haar eigen weg’ moest gaan, zoals mijn zus zei. Ik kon het niet zo goed zeggen als mijn zus, zelfs niet in mijn eigen taal, maar het scheurde mijn hart als ze vertelde dat ze het huis uit wilde en dat ze vrij wilde zijn. Maar ik zou het accepteren als zij het wilde. Maar toen ze vertelde dat ze me ook niet meer wilde zien, was het of ik geslagen werd. Ik snapte er niets van. Af en toe hoorde ik iets over haar van mijn zus. Soms kreeg ik een appje, maar als ik iets terugstuurde antwoordde ze niet. Ik ben boos geweest, heel boos, net als mijn man en soms dacht ik: was ze maar dood dat was minder erg. Maar dat mocht ik niet denken van mijn man. Sinds een tijdje ben ik minder verdrietig en boos. Ik heb geprobeerd het een beetje te accepteren, maar de glans is weg uit mijn leven.

En toen kwam gisteren mijn zus met vreselijk nieuws. Ze is ernstig ziek vertelde ze. Vandaag heeft ze onderzoeken. Ik hoop niet dat ik haar ga verliezen. Hoewel ze heel anders is dan ik en ik me vaak aan haar erger zou ik haar niet graag willen missen. Ik moet er niet aan denken. Ik heb nog niets van haar gehoord.

En nu komt er een berichtje binnen van haar. Van onze dochter. Dat ze er aan komt. Ik huil, ik tril, ik schud. Ik ben bang.

* Vervolgverhaal aflevering 6 Voor de vorige afleveringen scroll naar beneden en klik op de groene pijl.

wolken*

Kom we gaan kijken naar de wolken. Zie je ze? Vind je ze mooi? Ja jij houdt van witte wolken. Ik ga je vertellen over een klein wit wolkje. Het wolkje zat tussen allemaal grote witte wolken. Er werd van alle kanten tegen haar aan geduwd. Daardoor veranderde ze ieder moment van vorm. Want ze moest wel mee met de wolken. Ze hadden met elkaar een frisse regenbui laten vallen op het droge land. Daarna waren ze licht geworden en zweefden ze door de lucht in een razende vaart. Het kleine wolkje kon het nauwelijks bijhouden. Ze klampte zich vast aan een paar dikke wolken voor zich en liet zich meedrijven met de wolken om zich heen om even later weer samengepropt te worden tot een klein dik wolkje. Ze stegen en daalden, ze dansten en sprongen. Ze lieten zich voortdrijven op de wind. Heel snel en dan weer langzaam. Het kleine witte wolkje voelde zich helemaal vrij en licht, ze hoefde niets te doen: alleen maar meebewegen. Toen het avond werd ging de wind liggen en dreven ze uit elkaar. Het kleine wolkje rekte zich uit tot een hele mooie wolk.

Ze zag zichzelf bij het raam. Bij haar moeder op schoot. Dicht tegen haar warme zachte lijf. De kruidige geur in haar kleren. Haar lage, donkere stem. Hoe ze het wolkje voor zich zag. Hoe ze in haar bed fantaseerde waar de wolken heen gingen; hoe het moest zijn om tussen al die andere wolken mee te vliegen. Wat kon haar moeder mooi vertellen. Zij was de enige die er zo van genoot. De oudere broers waren te ongeduldig om naar haar verhalen te luisteren. Die vielen al in slaap als ze de eerste zin hoorden. Zij niet, zij ging pas slapen als het verhaal uit was en viel niet eerder in slaap dan nadat ze er over nagedacht had en gefantaseerd.

Wat jammer dat zij, haar moeder daar niet iets mee had gedaan, met dat verhalen vertellen. Ze had misschien wel schrijver kunnen worden of verhalenverteller. Maar niets van dat alles. Ze sprak na tien, inmiddels bijna dertien jaar nog steeds gebrekkig Nederlands. Als ze al sprak, meestal bleef de communicatie met Nederlanders beperkt tot minzaam en vriendelijk lachen en de woordenschat bestond voornamelijk uit dankjewel, goedemorgen, goedemiddag, ja en ‘is goed.’ Ze was zich er steeds meer aan gaan ergeren. De mama van buiten de deur. Waarom kon ze niet net als tante er op uit gaan, aan het werk, meedoen? Nee haar familie, haar gezin, haar kinderen dat was haar leven. En zij als de enige dochter en ook nog de jongste was haar alles. Mama’s leven. Het kleine mooie witte wolkje in de kluwen van wolken die gezin heet. Ze vroeg zich af of haar moeder die dubbele bodem bewust in het verhaal had gestopt. Ze betwijfelde het. Ze had er in ieder geval geen lessen voor haar zelf uitgetrokken.

De afslag. Nog een paar kilometer door het mooie Twentse land onder een prachtige wolkenhemel. De groene weilanden, de bossen, de hei. Ik kom er aan lieve moeder. Dat heb ik gezegd, dat ik terug zou komen. En dat doe ik. Want van vader leerde ik ook iets over een wolk. Een spreekwoord: ‘Iets beloven is als een wolk. Om het daarna ook te doen is regen.’

*Vervolgverhaal aflevering 5. Voor de afleveringen 1, gedicht, 2, soep, 3, tas en 4, busje naar beneden scrollen en de groene pijl aanklikken.

busje*

File. Natuurlijk. Ze had het kunnen weten. Op dit tijdstip. Één en al vrachtwagens en busjes. Uit Polen, Tjechoslowakije, Letland, Duitsland en ja ook uit Nederland. Ze stond stil. Achter een wit busje. Met een Duits nummerbord.

Het was niet erg. Tijd om na te denken. Of het wel verstandig is? Om te gaan? Nee dat ze gaat staat vast. En nu, ook dat. Maar hoe precies. Gewoon maar gaan en kijken wat er gebeurt en laten. Ze voelt zich rustig. Vastbesloten, zeker en ook nieuwsgierig, ja ook. Hoe het zal zijn.

Het was bijna duizend dagen geleden dat ze vertrok. Weg. Weg uit huis. Ze ziet het voor zich. Het halletje met de houten kapstok. De schoenen op de mat. Nog een keer achterom kijken voor ze de deur open doet. De blik in de ogen van haar moeder. De neergeslagen ogen van haar vader achter haar. Zijn handen in vuisten in zijn zakken. Geen woorden meer. Na weken van huilen en schreeuwen was het nu stil. Het misselijke gevoel in haar buik toen ze de deur achter zich dicht trok. Pas op de A1 had ze weer rustig kunnen ademen en was er ruimte in haar buik gekomen.

Bijna duizend dagen had ze zich gehouden aan de afspraak met zichzelf. Geen contact. Een enkele keer een vriendelijk maar afstandelijk appje, maar niet reageren op smeekbeden of verwijten. Geen ontmoetingen in levende lijve. Het moest. Snijden. De band moest worden doorgesneden. Rigoureus.

In het begin had ze niet aan thuis kunnen denken zonder te huilen, zonder het misselijke gevoel in haar buik. Als ze het woord moeder hoorde, voelde ze een steek. Maar het sleet, het wende, het was waar, de tijd deed haar werk. En verliefd zijn hielp. Van haar tante hoorde ze ‘het gaat goed met ze hoor, ze hebben het er moeilijk mee, maar ze redden het.’ Ze durfde dan niet verder te vragen, ‘en moeder’? Ze vroeg zich af of tante wel helemaal eerlijk was. Haar niet spaarde. Haar gerust wilde stellen zoals ze waarschijnlijk op dezelfde manier haar ouders toesprak. Tante was lief. Tante was goed. Tante was wijs. En toen tante een paar dagen geleden appte wist ze dat de tijd gekomen was om te gaan. De duizend dagen net niet gehaald. Maar ach.

Het witte busje trok op. Heel langzaam zette de rij auto’s zich in beweging. Ze schakelde.

* Vervolgverhaal aflevering 4. Voor de afleveringen 1,2 en 3 naar beneden scrollen en de groene pijl aanklikken

tas*

Uit. Dicht. Ze klapte haar laptop dicht en schoof hem in haar laptop tas. Haar sjieke ‘stijlvolle, over-de-shoulder werktas ‘voor de vrouw die geen compromis wil sluiten tussen functie en mode’. Een cadeautje van Freek toen ze haar nieuwe baan was begonnen in het succesvolle bedrijf met de bekende naam. Volgens hem was dit nog maar het begin, ‘je hebt zo veel in je, jij gaat het ver brengen’. Zij nam zijn vertrouwen en bewondering dankbaar in ontvangst maar tegelijkertijd met een korreltje zout. Net als de tas, was het niet een beetje ‘too much?’ Inmiddels had ze ervaren dat de tas indruk maakte en gezien werd. Het paste bij haar. Ze hield van stijl. Iedere avond legde ze haar kleding voor de volgende dag klaar op het bed in de logeerkamer. Kleurtjes bij elkaar. Daar was ze goed in. Onberispelijk ging ze ‘s morgens de deur uit. Gekapt, gelakt, gepoederd en gestift. En hoge hakken. Als ze de zaak binnenliep kwam er iemand binnen

Nu was ze moe. Het was druk geweest. Cijfertjes, getallen, grafieken, luisteren, praten, schrijven en lezen. En niet allemaal even interessant en inspirerend. Het was mooi geweest. In de spiegel zag ze een vermoeid gezicht. Ze stiftte haar lippen, maar dat veranderde daar niet veel aan. Ze liep naar haar auto in de parkeergarage, hing haar jasje op een hangertje en griste van de achterbank een groen sport jack. Uit de achterklep pakte ze bruine leren laarzen die ze verruilde voor de naaldhakken. Ze sloot de auto weer af en liep naar de rivier. Daar bleef ze staan. Ze voelde de wind door haar haar, op haar huid. Ze hoorde de golven, ze rook het water. Diep haalde ze adem. Wat hield ze van de rivier. Van het water. Ze bleef een poosje staan. Toen liep ze terug naar haar auto. Ze haalde haar mobiel uit haar zak en maakte hem open. Ze typte een bericht in. Ze zuchtte diep en reed weg. Naar de A1, richting Hengelo, Oldenzaal. Naar Twente.

* Vervolgverhaal aflevering 3 na Gedicht aflevering 1 en Soep aflevering 2

soep*

Voorzichtig had ze de achterdeur geopend en dichtgedaan. Maar het was niet nodig om op haar tenen naar binnen te sluipen. Hij was klaar. En het was gelukt. Ze zag het aan zijn houding, aan zijn ogen. Ze hoefde niets te vragen, niets te zeggen. Het was gelukt, het was goed. ‘Koffie?’

Even later zaten ze in de kamer voor, op de bank. Zwijgend dronken ze hun koffie. Onderwijl de ogen gericht op de tv. Zij had de tv weer aangezet, dat deed ze anders ook altijd, dan is het niet zo stil in huis. Het geluid schalde door het huis. Af en toe deed de vrouw haar hand voor de mond en schudde zij haar hoofd. Hij keek, maar het was alsof hij niet echt keek, alsof hij zijn ogen alleen maar open had, alsof hij aan iets anders dacht.

Nee, hij hoefde niet meer koffie, hij ging er even uit. ‘Naar de tuin misschien, even lopen.

Zij liep naar de keuken en zette een grote pan op het vuur. In de verhitte olijfolie bakte ze een paar soepbouten nadat ze ze had ingewreven met zout en peper. Nadat ze mooi lichtbruin geworden waren schepte ze de kip bouten uit de pan. In het bakvet fruitte ze de uien en de knoflook. Door het baksel roerde ze komijnpoeder, koriander, paprika en een stokje kaneel. Daarna kokend heet water er bij gegoten met bouillonblokjes. Af en toe klonk er een piepje van haar mobiel, dan keek ze even vlug op het apparaat en ging weer verder. De tomaten erbij. En natuurlijk de kikkererwten. En tenslotte de aangebrade kippenbouten. En dat allemaal op het juiste moment aan de soep toegevoegd. Dat luisterde nauw. En blijven roeren. Dat had ze van haar moeder geleerd. Daar was ze trots op. Ja dat durfde ze wel van zichzelf te zeggen, dat ze soep kon koken en dat haar Arabische kippensoepje de lekkerste was van ‘allemaal en iedereen.’ Toen alles in de pan zat, zette ze die op een plaatje op een laag vuurtje. Ze bracht het groenafval naar de tuin en borstelde de houten plank schoon.

De geur van de soep kwam hem buiten al tegemoet. Hij zette zijn schoenen voor de achterdeur op de mat en ging op zijn sokken naar binnen. Hij klopte haar op haar schouder en keek haar aan. Even. Hij liep naar het gasfornuis, tilde het deksel van de pan en snoof de geuren van de kippensoep. De damp van de warme soep deed zijn brillenglazen beslaan. Met de keukendoek veegde hij de glazen van zijn bril schoon. Hij keek van de televisie naar het mobieltje op het aanrecht. ‘En?’ Ze schudde haar hoofd.

* Vervolgverhaal aflevering 2

gedicht*

Hij draaide met zijn sleutel de voordeur open en stapte naar binnen. Hij deed zijn schoenen uit, zette ze op de mat naast de deur en hing zijn jas aan de kapstok. Hij liep de kamer in en pakte de afstandsbediening van het salontafeltje. Het grote verlichte scherm werd zwart, het harde geluid stokte. Het werd stil. Hij liep naar de bruine kast achter in de kamer en deed de kastdeur open. Een stapeltje papier, een pen en een klein glazen potje inkt plaatste hij één voor één op tafel. Uit een la pakte hij een groene lap. Toen ging hij zitten. Met zijn rug naar de grote houten kast en zijn gezicht naar het keukenblok.

Hij begon. De pen in de rechterhand. De inkt voorzichtig afvegend langs de rand van het potje. Rechtop zittend en steeds keurend met het hoofd wat er op het papier verscheen. Goedkeurend, twijfelend en ontevreden. Af en toe keek hij even naar links omhoog naar de wolkenlucht achter het raam. Dan weer stond hij op, maakte hij een rondje door de kamer. Keek hij even van achter de vitrage de straat in. Dronk hij een slok water uit de kraan. Hield hij in om weer door te kunnen gaan. Het schrapen van de pen over het papier en het zoemen van de koelkast als het enige geluid.

Een paar uur later legde hij de pen neer. Veegde hij de pen schoon met de groene lap. Schroefde het dekseltje van de inktpot dicht, legde de papieren op een stapeltje en legde één vel voor zich neer. Hij nam het vel in de hand en keek er naar. Vormde met zijn lippen de woorden die geschreven stonden. Hij knikte instemmend. Legde het vel neer. Het was goed.

Afbeelding van het Arabische Alfabet

* Vervolgverhaal aflevering 1