lezen 

  

De Duitse topfotograaf Peter Lindbergh vindt het oninteressant om lachende mensen te fotograferen. Dat zie je in zijn werk. De fotomodellen kijken vaak melancholisch, zeg maar gerust nors. “Als iemand lacht zie je alleen de lach, niet een gezicht waarop iets te lezen valt”,  aldus de fotograaf.

Een uur lang heb ik geboeid zitten kijken naar de kunstenaar Peter Lindbergh. Topmodellen over de hele wereld raken niet uitgepraat over de geniale kwaliteiten van de Duitse modefotograaf. “Niemand kan je zo op de foto zetten zoals hij dat kan”. 
Maar het mooiste kwam aan het eind van de documentaire. Daar vertelt Lindbergh over een project met gevangenen. Hij liet tot levenslang veroordeelde moordenaars en kinderverkrachters  40 minuten  in de spiegel kijken. Achter de spiegel een camera. Dat wisten de criminelen. Lindbergh wilde niet weten wat een ieder precies had gedaan. Hij filmde hun gezichten. De gevangenen vonden het zwaar om te doen, maar waren achteraf blij en tevreden dat ze mee hadden gedaan. Hij stopte het project dat hij het Testamentproject noemde omdat hij zag dat het uiteindelijk te zwaar voor hen was.” Ga zelf maar eens 40 minuten naar jezelf in de spiegel kijken, je hele leven trekt aan je voorbij.”

De foto hierboven. Ik raak er niet op uit gekeken. Ik ga er niets van zeggen. 

*AvroTros Close Up 23 oktober NPO 2

 

voltooid leven

  

Stel dat ik morgen dood gevonden word na een hartstilstand. Zou je dan kunnen zeggen: haar leven was voltooid?  Ik beklaag me niet over mijn leven. Veel moois, veel verdrietigs, liefde, evenzovele worstelingen, hoogten, diepten, ten volle geleefd. Had sommige dingen anders gewild, mijn haar, mijn rimpels maar ach. Maar is mijn leven voltooid? En wie bepaalt dat? Ga je dood als je leven voltooid is? Lijkt me niet. Wat moet je dan met de dood van een kind.

Jaren geleden zag ik een filmpje over eskimo’s. Een oude eskimovrouw laat de groep verder trekken terwijl zij in de koude wind gaat zitten en doodvriest. Zij nam dat besluit omdat: ” ik niet meer van nut ben voor de stam en belastend ben, zij moeten verder”. Het belang van de groep was groter dan dat van haar, het individu. 

Een groep PCOB’ers( Christelijke Ouderenbond) betoogde zaterdag in Trouw dat eenzaamheid het probleem is. Als we nou maar meer naar elkaar zouden omzien zouden mensen niet zo verlangen naar de dood. Onzin. Mensen die lijden aan hun lichaam, aan hun geest, mensen voor wie het leven zwaar is,  mensen die hartstochtelijk verlangen dat het klaar is, over. Voor hen is de dood mild, zacht, een troost, de bevrijding. Daar kan geen aardige buurvrouw of zorgzame PCOB’er tegenop. We zijn geen natuurvolk. Als oudere ben je al heel gauw niet meer van nut voor de stam als je niet uitkijkt. En het probleem is dat je nauwelijks dood mág gaan. De medische wetenschap is er om je in leven te houden. Zo lang mogelijk.

Ik hoop dat als mijn tijd gekomen is ik niet ten koste van alles in leven gehouden word. Uit het ziekenhuis blijven. Dat ik niet in liefdeloze handen terecht kom die met mij doen wat ik niet wil. Ik hoop dat de dood mij overkomt net als het leven, waar ik niet om had gevraagd. 
En zo lang het niet zo ver is: niet te ver vooruit kijken en filosoferen over “als”. Leven. Een cadeau. Leven. Vandaag, hier en nu. Leven. Alles meemaken, aanpakken, ontvangen. Alles. 

ik woon naast u

   

Maar jij bent ook geen echte Nijverdaller hè? Ik hoor het nog regelmatig. Toch woon ik hier al meer dan 40 jaar. Ik ben actief geweest in van alles en nog wat. Geïntegreerd van jewelste. Ik versta Twents, maar zal het niet gauw spreken, beducht voor het commentaar. Ik voel me hier thuis aan de voet van de Sallandse berg: mijn land, mijn heide, mijn Regge. Toch weet ik precies hoe het voelt om vreemdeling te zijn, buitenstaander. De alom gewaardeerde gastvrijheid, de noaberschap geldt bepaald niet voor de mensen uit de grote stad, uit het westen. “God schiep uit gouden korenaren de Twentenaren en uit de rommel en de resten de mensen uit het westen”. Een ronduit discriminerende spreuk die zonder blikken of blozen in jouw nabijheid wordt geciteerd en waar hartelijk om wordt gelachen. Je mag er zijn, maar niet zoals je bent. Voegen, aanpassen.

Waar je woont hoeven niet perse je roots te liggen. Altijd zijn er verplaatsingen geweest en vermengingen  van culturen. De nieuwkomers geven samen met de oorspronkelijke bewoners vorm aan de cultuur. De identiteit van een streek of een land is geen constante. Wanneer ben je een echte Nederlander? Als je  er geboren bent? Ook als je ouders uit Turkije komen? Als je er 10 jaar woont, of 20, of 40? 

Ik woon naast u. Ik ben vreemdeling. Net als u. Voorbijganger. Te gast op dit mooie stukje aarde. Gemaakt uit stof. Geschapen naar Gods beeld. 

Gedachten bij de Winnende cartoon van Peter Van Straaten Inktspotprijs 2016

 

pleur op

  
Om te huilen. Een regering die uren lang discussieert over een uitlating van Rutte. Pleur op. Plat Haags.  Tot de orde geroepen zelfs door voormalig Green Peace-activist Samson. Uren over een, in mijn ogen althans, vrij onschuldige manier om je ongenoegen kenbaar te maken. Straattaal. Plat Haags. 

Ik ben er overigens van overtuigd dat daar voor de uitzending van Zomergasten door Rutte en zijn VVD omgeving goed over nagedacht is: Rot op? Nee die had Aboutaleb al toch? Duvel op? Hmm. Lazer op? Triggy. Zeg es, wat zouden ze in Den Haag zeggen? Ja op de hockeyclub is het gewoon lazer op man. En dan de rrr hoog achter in je mond, zo’n KinderenvoorKinderen R. Maar in de straat, bij de voetbal, in de Schilderswijk bijvoorbeeld? Uhhh, pleur op? Ja! Dat is hem pleur op! Die wordt t! De taal van het volk! 

En ja hoor. Heel Nederland valt er over heen. Lachende derde Het campagneteam van de VVD. Wat een PR. 

Wat om te huilen is, is dat het in die tijd niet gaat waar over het zou moeten gaan. Alsof er geen belangrijker zaken te bespreken zijn. Het normen- en waardendebat  toegespitst op het taalgebruik. De vorm. Niet de inhoud. Ik moest denken aan een tekening van Peter van Straaten van heel lang geleden die ik nooit vergeten ben. De gehavende zoon die bij zijn welgestelde, in drie delig grijs geklede vader komt. In tranen: Pa ik voel me zo verdomde klote. Waarop de vader reageert: Hè jongen waarom kun je dat nou niet anders zeggen. 

19 september 1992

 

het is vroeg in de morgen

de zon kruipt omhoog achter de horizon

flarden mist

jij in het natte gras

een sjekkie

er wordt geroepen, geschreeuwd, gelachen, gestoeid

het wordt stil

langzaam daal je af in het water

verder, verder, steeds verder, tot je verdwijnt in de mist

wij willen nog wat zeggen, nog wat roepen

maar dat doen wij niet

wij huilen

stille zilte tranen

de zon komt op, het kabbelende water, een vogel die roept

wij huilen 

stille zoete tranen 

Maar, zo was het niet, nee zo is het niet gegaan. Het was rauwer, ontluisterender, lelijker. Vandaag 19/09/2022, is het dertig jaar geleden dat jij uit het leven stapte. Eigenlijk was je al veel langer bij ons weggegaan. De cirkel was bijna gesloten. Niemand kon meer dicht bij je komen. En juist toen we dachten dat het iets beter ging; dat het deurtje weer wat open ging, toen deed je het toch. Wat al zo lang in de lucht hing, wat je al zo vaak had aangekondigd, waar we geen rekening meer mee hielden, gebeurde toch.

Ik kreeg van iemand een kaartje met de woorden: Je maakte je laatste boeien los om vrij te zijn. Ik vond dat mooi verwoord. En ik dacht er achteraan: en je ‘bevrijdde’ ook ons: je familie, je vrienden, je omgeving. We konden je niet helpen, we waren machteloos, het leven was te zwaar voor je, je kon het niet, je wilde maar één ding, verlost te worden van… . Het gaf rust en ruimte dat aan je lijdensweg een einde was gekomen.

Vandaag is het 30 jaar geleden. Ik kan je zeggen dat ik nog vaak denk, of en hoe het anders had gemoeten. Dat het nog steeds pijnlijk is, nog altijd verdrietig. Ook vandaag nu de zon schijnt, net zo als toen. Maar ik kan je ook zeggen dat jouw, onze jongens, fijne, bijzondere mensen zijn geworden. Mooie mensen, zoals jij er ooit een was. En dat die jongens fijne kinderen hebben, fijne gezinnen vol warmte. En dat jouw naam nog lang niet vergeten is. Dat je misschien nu wel dichterbij bent dan toen.

Gister vierden we mijn verjaardag met de familie. Het was gezellig en we hebben enorm gelachen. Jij zou er goed tussen gepast hebben in je goeie jaren. Humor en zelfspot: het zit in de genen. Voor jou was het een wapen om je staande te houden, je te beschermen. Overwonnen droefheid noemde Bomans het. Ik hoop dat je daar waar je nu bent, gelukkig bent, zoals je dat ooit was, kon zijn: vrij.

*Finland 1980

vallen

  

  
Het  enige wat de vis hoeft te doen is zich verliezen in het water (Nina Weijers) 

Ik val ik val ik val, tot ik een grond vind (Nietzsche)

Op het terras aan het water in de zon zit een vrouw. Haar gezicht is helemaal blauw. Bijna zwart. Zij is gevallen. Haar dochter die naast haar zit vertelt dat zij erbij  stond toen het gebeurde en dat zij er niets aan kon doen. De vrouw was zich aan het aankleden en raakte in de war met haar kleren. Ze viel. Omdat zij dement is schermde  zij zichzelf niet af, ze kromp niet in elkaar, ze deed niets, ze viel gewoon plat op haar gezicht. Keihard.

De vis die zich laat vallen in het water is vrij. Vogels die zich laten meevoeren op luchtstromen zijn vrij. 

Mensen zouden als vogels willen vliegen. Als vissen willen zwemmen. Vrij zijn. Maar als. Als de wereld om je heen geen water is waarin je je kunt verliezen. Geen mooie blauwe lucht waarin je kunt zwieren. Je spartelt. Je fladdert onrustig in het rond. Je valt. Als een steen. Keihard. Bont en blauw. Mensen zijn geen vogels. Mensen zijn geen vissen. Mensen hebben voeten. 

Over het water vaart een boot met vrouwen en kinderen. Ook de vrouw van het terras en haar dochter zijn aan boord. Stemmen klinken tot ver in het Friese landschap.  Er wordt gelachen. Er wordt gezongen. Kinderliedjes. Iedereen zingt mee. 

Mark

  

De laatste aflevering van Zomergasten was de meest bekeken uitzending. Bijna een miljoen. Niet de meest indrukwekkende. Niet één keer werd ik geraakt, verrast door de fragmenten die onze premier Mark Rutte koos. Hij gaf weinig prijs van zichzelf en had de leiding in het gesprek. Je herkende de vrolijke, niet chagrijnig te krijgen politicus die everything under control heeft. Op alle vragen een antwoord. Af en toe de oogjes even dichtknijpend, achteroverleunend als de vraag te dichtbij komt. 

De meeste dingen worden gezegd in datgene wat niet wordt gezegd. In het gezin Rutte werd niet gepraat over de oorlogstijd, een homofiele broer, de vrijgezellenstatus van Mark. ” Niemand had er moeite mee, maar er werd niet over gesproken.” Opmerkelijk. Zelfs niet onderling?, vroeg ik mij af. Het Haagse jongetje, het  geliefde nakomertje in een keurig gezin. Zonder zorgen. Geen trauma’s. Hoe kan dat? In de andere uitzendingen van Zomergasten werd met name door de vrouwen gesproken over hun jeugd, hoe dat hun leven bepaald had. Met Mark kwamen we daar niet. 

Dat had gekund bij het fragment met zwemmer Phelps dat eindigt met de tekst:”It’s what you do in the dark, that puts you in the light.”  

Erbrink is geen Ischa Meijer of Theo Maassen. Die hadden doorgevraagd. “Wat gebeurt er daar in het donker, achter je glanzende pantser Mark?  En hoe is het Mark, in het licht?” 

Of is daar gewoon niets. Is er alleen maar een zondagskind dat heel gelukkig is in het werk dat hij doet. Trouw en zorgzaam voor zijn familie en vrienden. Zijn werk als enige passie. En moeten we met ons allen blij zijn dat het lot van ons land in de handen ligt van een serieuze, energieke, kundige, behendige, onbezorgde, aardige vent? Monnik Mark?

niet meer naar de Uitmarkt

  
Zaterdag bezochten een half miljoen bezoekers de Uitmarkt in Amsterdam op het Museumplein. Ik was er één van. En hoe het kan, ik snap het niet, in de korte tijd dat ik er was ontmoette ik tussen die 500.000 mensen 2 dames uit mijn woonplaats en een hele goede bekende die in Amsterdam woont. Ik vind het een wonder. Ik ken bijna niemand in Amsterdam en uitgerekend hem kom ik tegen.

 Na een paar uur had ik de Uitmarkt wel gezien. Te warm, te vol, te veel. Op de terugweg dacht ik aan de tijd dat ik ieder jaar met mijn vriendin Wanda, Wanniepannie noemden mijn zonen en ik haar liefdevol, naar de Uitmarkt ging. Na de vakantie was dat ons vaste ritueel. We hebben op die manier heel wat theaters en theatertjes van binnen gezien en artiesten leren kennen waar we nog nooit van hadden gehoord. Weet nog dat we voor het eerst Brigitte Kaandorp zagen optreden en dat we op straat Mary Dresselhuys aanspraken. Wannie was goed in het ritselen van goeie plaatsen en ze had een neus voor voorstellingen die de moeite waard waren. Tijdens het theaterseizoen gingen we dan naar die voorstellingen in de buurt.

Wannie was op een dag zomaar dood. Ze stond nog op mijn antwoordapparaat. Juichend vertelde ze dat haar dochter geslaagd was voor haar examen. Toen ik het bericht afluisterde was ze al dood. Iets in haar hoofd was gesprongen. Ontploft. Ze was 45 jaar. Ze lakte iedere vrijdag haar nagels. En ze had altijd lippenstift op. Dat zag er perfect uit. Ze rookte er op los. En ze dronk sherry of wijn. Ze was maatschappelijk werkster. Ze leidde een jongerencentrum. Ze was voor niemand bang. Ze reed rustig in haar eentje midden in de nacht naar cliënten om orde op zaken te stellen. Dan gingen de handen in de zij en sprak ze de ruziënde huisgenoten streng toe: “Wat er nou eigenlijk helemaal aan de hand was”. Toen ik tijdens een vakantie achter haar aan reed in Lyon en haar vroeg of ze niet wat rustiger kon rijden, omdat ik  het doodeng vond in die stad kreeg ik te horen dat ik me niet zo moest aanstellen en gewoon de pedalen in moest drukken. 

Ik denk dat zij het met me eens zou zijn dat we niet meer zo nodig naar de Uitmarkt zouden hoeven. Maar ik weet ook zeker dat ze nog steeds iedere vrijdag haar nagels feilloos zou lakken. Felrood. En als ik aan haar zou vragen bij Jansen en Jansen in Enschede: “Help effe ik kan niet op het woord komen, hoe heet die ook weer, die borrel”, zou ze diep zuchten en zeggen: “Jaegermeister juffrouw”.

 

coexist in freedom

  

  

Ze kneep haar ogen samen. Bewoog haar neus. Met de wijsvinger van haar linker hand onder haar neus door. Hand om de  kin. Wijsvinger tegen de neus. Gefronst hoofd. Starende blik. Heen en weer schuiven.

Het kwam binnen, dat zag ik. De dominee over mensen die zo makkelijk scheiden. Over een vrouw die zo dapper in haar moeizame huwelijk stand hield terwijl om haar heen de een na de ander ging scheiden. Over doorzettingsvermogen en standvastigheid. Over liefde en trouw.

Ik ken haar uit een commissie waar we samen in zaten. Een leuk mens, anders dan alle anderen bij ons in de kerk. Ze was een goeie voorzitter. Streng, humor, bevlogen, origineel. Anders. Ze kan vrolijk en uitbundig zijn, maar ook kwetsbaar en moe. Dat kun je goed aan haar zien. Ik zit vaak tegenover haar in de kerk. Dan knipoogt ze naar me als begroeting. En soms steekt ze haar duim op als ze net zo zit te genieten van het orgelspel als ik. Maar ze is twee keer getrouwd geweest en het schijnt dat ze iets heeft met een vrouw. Laatst zag ik haar echter met haar ex op een terras. Ze zaten heel geanimeerd met elkaar te praten. Het zag er eerder uit als een verliefd stelletje dan als twee boze exen. En je ziet haar heel vaak met een vrouw, maar dat is iedere keer een andere en dat lijken me meer gewoon vriendinnen. 

Maar dit kwam binnen. Toen we de kerk uitliepen had ik haar iets willen zeggen. Ze ontweek me. Buiten stond ze te praten met een man, ze maakte een grapje en ondertussen pakte ze haar fiets. En toen zag ik het pas. Op de revers van haar jasje een regenboogspeldje. Een piepklein speldje. Ja Amsterdam is ver weg.