la mer

De zee. Vorige week was ik in Fecamp, een plaatsje in Normandië in de buurt van Le Havre. Ik was er eerder geweest. Twee keer. In de 90er jaren met mijn oudste broer. In 2000 met mijn partner. Beide keren regende het en waaide het zoals het alleen aan de kust in Normandië kan waaien en regenen. Ook deze keer was de lucht loodgrijs en viel de regen met bakken uit de hemel toen vriendin en ik omhoog reden naar Fecamp.

Op de camping, dezelfde waar ik ooit met mijn broer stond, werd ik helemaal blij toen ik uit het raam keek bij La Reception. Voor mij strekte zij zich uit. La mer. De zee. Diepgroen. Bijna zwart. Ik slaakte een kreetje. Watmooi. De kleumende campinggast in de receptie keek me verbaasd aan? Ook met dit rot weer? vertaalde ik haar gebrekkige Engels. Jazeker. Ook met deze harde wind, ook met deze ongenadige regen is de zee mooi. Misschien is indrukwekkend, imponerend beter uitgedrukt. Ik realiseerde me hoe ik van de zee hou, hoe de zee mij diep kan ontroeren. De wijdte, de uitgestrektheid, de verten. De jagende wolken, de steeds wisselende luchten. De zilte geur, de frisse lucht. Het bulderen van de golven. Wat is het precies. Probeer het maar eens in woorden uit te drukken. De zee maakt me blij. Intens gelukkig. De zee maakt me klein en nietig. Bescheiden. Bescheiden tegenover de grootsheid van de natuur.

Twee dagen later als de wind is gaan liggen ligt de zee als een glanzende spiegel in het ochtendlicht. Ruisend vallen  de golven op het strand. Bij het terugtrekken van de golven maken de kiezelstenen een zacht rollend geluid. 

De zee. Het is alsof zij roept. Heimwee, verlangen, stil geluk. Thuiskomen.



Foto: Jannie Bruggeman

meisjesvoetbal

 Vanmorgen toen ik de kalender omsloeg naar juni, zag ik dat ik mijn oude schooldirecteur nog even moest feliciteren met  zijn verjaardag. Ik had vorige week wel een paar keer aan hem gedacht. Hij had mij trainer van het eerste meisjesvoetbalteam van de school gemaakt. Als juf en meester had je naast je werk voor de klas ook nog wat andere klusjes te klaren. Ieder kreeg iets wat bij haar of hem paste. Je kon je vinger opsteken als er iets langs kwam wat je leuk vond. Zo waren de leukste klussen al vaak vergeven. In dat meisjesvoetbal had waarschijnlijk niemand veel zin, want waarom het hoofd aan mij gedacht had begreep ik niet goed. Al was ik een liefhebber van voetbal en sportief, twee zonen bij de voetbal, ik had beslist geen verstand van voetbal. Wat buitenspel was? Tactiek? Geen idee. Maar waarom niet, ik werd voetbaltrainer. 

Woensdagmiddag was de training op het Hazeveldje vlak achter mijn huis. Eerst ruimde ik daar de hondedrollen op en de takjes zodat het hobbelige veld enigszins op een voetbalveld leek. Er hadden zich een heel stel meiden opgegeven geheel tot mijn verbazing en ze waren er allemaal. Ik had wat rondgevraagd bij de trainers van mijn zoons en begon met basisoefeningen. Je zag direct dat er een paar bij waren die wel eens een bal getrapt hadden, misschien met hun broertjes op straat. En er waren er die het wel “leuk” leek. Aan het eind van de training deden we een partijtje. Toen werd duidelijk wat het niveau was. De Fjes van de plaatselijke voetbalclub SVVN. Die voor het eerst gingen voetballen. Waar de bal was waren alle meiden. Hard naar de goal rennen en dan toch de bal niet in de lege goal krijgen. Huilend op de grond als iemand tegen je aanloopt. 

En toch. En toch werd het als maar leuker. En beter. En fanatieker. We wonnen. We werden zelfs kampioen. En vanaf toen, het was 1987, was ik echt de voetbaltrainer van de meisjes. Vele van de dametjes zijn blijven voetballen. Voetbalmeiden. Frisse stoere meiden. Ik hou van ze. Volgende week ben ik erbij. In Le Havre. Nieuw Zeeland – Nederland.

Foto van meisjesteam SV Budel dat kampioen werd in hun klasse van voetballers  onder de 13 jaar (een competitie met verder alleen maar jongensteams) 

Zie ook Wiske van 17/7/17 jongen of meisje

is dat zo?


Voor mij ligt de verkiezingsuitslag van de gemeente Hellendoorn. Gisteravond om vijf over elf verzonden. Boven het grafiekje een tekst die de cijfers duidt. Wie de grootste is geworden, tweede, derde en vierde. Niet wie er verloren heeft of hebben. Dat kun je wel zien aan de kleurtjes in de laatste kolom. De cijfers worden vergeleken met de cijfers van de Europese verkiezingen van vier jaar geleden. Ik vind het altijd weer fascinerend te lezen wat die cijfertjes zeggen. Een hogere opkomst. Wat kan ik daar uit opmaken? Dat de burgers, de inwoners in onze gemeente alle mediabombarie aan de laars lappen en toch gewoon gaan stemmen? Het belang van Europa wel inzien? Het CDA is weer de grootste. Zijn CDAstemmers de trouwste  stemmers in Hellendoorn? PvdA tweede. Lokaal geminimaliseerd, maar onder de indruk van  Frans Timmermans? Naar wie gaan de stemmen van de grootste partij de Lokalen als het om Europa gaat? We kunnen er van op aan dat iedere partij wel een elegante draai zal weten te vinden de cijfertjes te duiden. Goochelen met de cijfertjes. De cijfertjes naar jouw opinie toepraten. Cijfers liegen niet. De duiding ervan wel. 

Uit een onderzoek van Radar, een consumentenprogramma van de NPO kwam naar voren hoe er met cijfers en statistieken gegoocheld wordt door de farmaceutische industrie. Het ging over cholestorolverlagers. Een medicijn dat massaal geslikt wordt door mensen met hartproblemen met name ouderen. Een medicijn met nogal wat bijwerkingen. In het program werd gesproken met artsen en wetenschappers. Het blijkt dat mensen jaren de medicijnen slikken en bijwerkingen van medicijnen op de koop toe nemen zonder dat er maar in de verste verte bewezen of zeker is dat het medicijn werkelijk noodzakelijk is. Een professor vertelde dat het zelfs nog maar de vraag is of cholestorol en hartfalen met elkaar te maken hebben. 

Op de school van journalistiek leren de studenten bij ieder berichtje zich af te vragen: Is dat zo? Lijkt me een goede vraag ook voor de ontvangers van berichten. En er achter aan: het zal wel. Als je de krant leest, tv kijkt, de media volgt, alle conclusies uit onderzoeken, “wetenschappelijk bewezen”. De vraag stellen. Is dat zo? Je eigen gevoel volgen, plan trekken.  Het zal wel. Net als de kiezers afgelopen donderdag. 

volgers


Lang is gedacht dat dieren geen emoties zouden hebben. De etholoog Frans de Waal betoogt in zijn boek “Mama’s laatste omhelzing” dat dieren wel degelijk emoties hebben. Emoties zijn niet voorbehouden aan de mens. Apendeskundige de Waal heeft veel onderzoek gedaan naar de emoties van dieren. Mens en dier verschillen niet zo veel aldus de Waal. Hoewel je aan een dier niet kunt vragen hoe voelt het nou. Je kunt het wel zien aan de lichaamstaal. Net als mensen, zijn apen jaloers, trots, bang en blij. Zelfs gevoelens als schuldgevoel en schaamte zouden bij dieren voorkomen.* 
Mijn tante had een hondje dat ze als een kind behandelde. Zo sprak ze ook over hem. Wij moesten daar altijd erg om lachen. Het is wel een hond hoor! Het is maar een dier. Menselijke taal voor het gedrag van dieren. Dat is toch invulkunde? Je weet toch niet wat een dier denkt? Of voelt?  Toen tante overleed dook het hondje onder haar bed en jankte dagen achtereen. De broer van tante, mijn oom huilde slechts één maal in zijn lange leven. Dat was toen zijn lievelingskoe dood ging.

Dierenactivisten braken in op boerderijen. Ze wilden daarmee de aandacht vestigen op het welzijn van het dier. Dat ze daarmee de boer, hun medemens op niet zo fraaie manier, je zou het beestachtig kunnen noemen, behandelden namen ze op de koop toe. Beestachtig, menswaardig. Soms loopt het helemaal door elkaar. De mens. Het dier. De natuur. Schepselen. Het andere. De ander. We lijken op elkaar. Een spiegel. Wie ben je. Wil je mij behandelen zoals je zelf behandeld zou willen worden? 

Frans de Waal : Mama’s laatste omhelzing

Paul de Vries: Trouw, Niets menselijks is dieren vreemd 

great to be back 

Dubbele Regenboog op de vroege avond woensdag 8 mei. Toch blijft het voorgevoel. ” Ben er niet gerust op”, zei de man die ik tegenkwam op het station onderweg naar Amsterdam. Dezelfde reacties aan tafel: “Als het maar niet gaat als met Barcelona gisteravond.” Op de app: “Kweenie hoor, raar voorgevoel.” Het klopte. Ruim drie kwartier mochten we geloven dat we toch. Maar helaas. Voorgevoel.  

Het was Jan Vertonghen. Toen Jan Vertonghen zijn neusbrilletje afzette was het gedaan met de pret voor Ajax. De Belg die in 2010 Ajax aan de titel hielp met fenomenaal spel. Vorig jaar voor België een geweldig WK speelde. In de wedstrijd tegen Japan het langste kopbaldoelpunt ooit op een WK maakte. (18,6! meter van de goal). Sterspeler van Tottenham Hotspur. Het leek er even op dat Jan niet mee zou doen nadat hij in de eerste wedstrijd van de halve finale groggy van het veld verdween. Een gebroken neus? Hersenschudding? Tot het laatst bleef het spannend. Maar de onverzettelijke verdediger met de tomeloze inzet stond er. Toch. In de eerste helft nauwelijks zichtbaar. Tot na de pauze. Het brilletje was af. Een kopbal op de lat. En even later staan er gelijke cijfers op het scorebord. In de allerlaatste minuut van de wedstrijd komt uit de voorzet van Jan Vertonghen het beslissende doelpunt. De Vlaamse Amsterdammer noemde de Ajaxfans hem liefdevol. Om zijn inzet, zijn tomeloze energie. Een held. 

Onopvallend verliet hij woensdagavond de arena. Op krukken. Een beschermende laars rond de rechtervoet. Liverpool zal zich niet het zand in de ogen laten strooien. Jan speelt de finale en hij neemt de cup mee naar huis. Zeker en vast.

het gezicht van het kwaad

Een week lang heb ik gekeken naar documentaires over de Tweede Wereldoorlog. Dat was geen straf. De ene documentaire was nog indrukwekkender dan de andere. Schoonheid. Oude kwetsbare mannen. Vrouwen. Wat mij opviel was dat er veel genuanceerder gesproken werd over goed en fout. Verzetsheld Johannes Post mag voor de buitenwereld een verzetsheld geweest zijn, voor zijn kinderen lag dat anders. Een van zijn dochters vond dat hij zijn gezin in de steek had gelaten, opgeofferd. De Duiters fout? Maar wat dacht je van de Nederlanders? Voor een tiental guldens per persoon leverden zij een Joods kind over aan de bezetters. Het zogenaamde kopgeld innend.

Kun je aan iemands gezicht zien of hij of zij deugt? Iemands ogen? Zijn we allemaal een beetje goed of fout, of zijn er mensen die gewoon door en door fout zijn? Als ik naar de foto van Westerbork-commandant Gemmeker kijk, zie ik een vriendelijk gezicht, een knappe vent. Niet het gezicht van het kwaad zou ik zeggen. En of hij echt niet wist waar hij de Joden naar toe stuurde, zoals hij altijd beweerd heeft? Ik durf het niet te zeggen. Wie kun je vertrouwen? Kun je vertrouwen op je gevoel? Je eerste indruk? Je instinct? Kun je ooit nog iemand vertrouwen na de oorlog? 

Kun je je menselijkheid bewaren na een oorlog? Het antwoord is ja. Kijk naar de overlevers. Luister naar hun verhalen. Sterker nog. Het lijkt of juist hun vreselijke ervaringen en hun worsteling daarmee hele mooie mensen van ze gemaakt heeft. Blijft de vraag hoe te leven. Iedereen bij voorbaat vertrouwen of juist wantrouwen? Onbevangen of altijd op je hoede? Bijzonder dat juist de overlevers ons voorhouden nooit ophouden te hopen, te geloven in het goede. Carla Josephus Jitta deed het zo: ik kneep mijn ogen dicht en met mijn ogen een kiertje open keek ik het prikkeldraad weg en zag ik de zon, het bloeiende gras, kleurige bloemen  


Documentaire De erfenis van een verzetsheld. ( Johannes Post) (NPO 1)

Documentaire Albert Gemmeker commandant van Westerbork (NPO 1)

Het Vermoeden: Hella van der Wijst praat met Carla Josephus Jitta (NPO2)

halfstok

Je hebt er nooit iets over verteld. Ik weet dus niet of je je dapper was of juist niet. Of je het aankon. Je veel geleden hebt. Vaak  bang was. Eenzaam. Ik weet het niet. Wel weet ik dat je af en toe om onverklaarbare reden helemaal “los” ging. Dat was niet mooi. Het kost me moeite het op te schrijven. Dus hou ik het maar op: het was niet mooi. Ook weet ik dat het het leven van ons gezin bepaald heeft. Weet ik waarom ik zo vreselijk bang kan zijn. Waarom ik ingehouden agressie op een kilometer afstand kan ruiken. Waarom ik zo goed ben in aanvoelen, weten wat je moet doen om de de vrede te bewaren, het onheil te weren. En ik weet ook dat je ondanks dat allemaal de vader was waar ik hartstochtelijk van hield. Belachelijk eigenlijk. Houden van je vijand. Van degene die je slaat. Van degene voor wie je bang bent. 

Het spijt me. Ik kon het niet. Je haten. Ik kon er alleen maar om huilen. Hartstochtelijk om huilen. Omdat. Omdat ik altijd heb gevoeld, geweten heb dat het iets in je was dat groter was dan jezelf. Gestolde onmacht, samengebald verdriet. Het moest eruit. Omdat je ook maar een mens was, een jongen nog maar. 

Oorlog: een vernietigende ervaring in het leven van een mens. Een ervaring die doorwerkt generaties lang. De bevrijding laat helaas vaak lang op zich wachten. Komt soms helemaal nooit. 

het paradijs

Ze lezen geen boeken. Kijken niet naar tv, geen internet. Ze worden niet toegesproken. Niet opgevoed, geen school.  Toch weten ze precies wat hen te doen staat. Welke taak voor hen is weggelegd. Bijen. “Zij hebben mij niet nodig. Ik heb hen nodig”. Deze opmerking van de imker blijft hangen als ik het zaaltje verlaat waar hij zijn verhaal over de bijen gehouden heeft. Zijn enthousiasme kende geen grenzen. Hij had anderhalf uur, maar hij eindigde zijn lezing met de opmerking dat hij nog wel een paar uur door zou kunnen gaan en dat had van mij best gemogen. Gefascineerd heb ik geluisterd. Het leven van de bijen is een sprookje. De dierenwereld zit prachtig in elkaar. Daar kun je alleen maar diep voor buigen. Daar gaat het zo als het zou moeten zijn. Mooi. En. Wreed. Ze eten elkaar ook op. Laten we daar maar niet romantisch over doen.

Na afloop vraag ik de imker wat er zou gebeuren als er geen imkers zouden zijn. Wel dan zouden die bijen gewoon lekker leven en in een boom of een struik hun nesten maken. “Weet je de grootste bedreiging van de dieren is de mens. De bijen zouden niet uitsterven als er geen mensen zouden zijn, dat zou het paradijs zijn.”  Ik moet er aan denken als ik een documentaire zie over het leven van varkens in een megastal. Daar zie ik hoe een jong varkentje opgroeit tussen betonnen muren op ijzeren roosters, zonder daglicht. Op zijn reis naar het slachthuis ziet hij voor het eerst daglicht, groene weiden, blauwe lucht. Voelt hij de wind. Every living being has the right to feel the sun and the rain on his/her skin, schrijft de maakster Eline Schellekens. Dat dieren gedood worden en opgegeten daar kan ik mee leven, maar gun ze een goed leven.

Het paradijs. De nieuwsgierige mens. Alles willen weten, onderzoeken. Blijf er af. Kijk er naar. Geniet er van. Leer er van. Ken je plaats. Denk niet dat de aarde van jou is. Dat je die kunt beheersen. De natuur is oneindig. Grenzeloos. 

Lezing Douwe Slot : Wat doet een imker

Documentaire M6nths van Eline Schellekens  

  

de tranen van de juffen

Twee sterke vrouwen. Wijze vrouwen. Intelligente vrouwen. Hardwerkende vrouwen. Leuke vrouwen.  Juf Ank. Juf Helma. 

Ze braken. Allebei. Er kwamen tranen.

Kracht en kwetsbaarheid verenigd in een persoon, in dit geval in twee juffen heb ik zelden zo mooi zien uitgebeeld. Sterk zijn in de buitenwereld omdat je dat als je plicht voelt, of omdat je nu eenmaal zo in elkaar zit, wil niet zeggen dat er van binnen niet een klein kwetsbaar mensje kan zitten. 

Dat je je heel verdrietig en eenzaam kunt voelen. Omdat het allemaal zo veel is. Of omdat je het ook niet kan helpen. Of omdat je je zo onmachtig voelt. Omdat je zo verdrietig bent over al die vreselijke dingen in het leven, je werk, de wereld. En dat je er niets aan veranderen kunt. Dat je dan maar achter je muurtje verschuilt van daadkracht en professionaliteit. Of je goeie verstand. Je sociale vaardigheden, je relativering. En je humor niet te vergeten. Zo sla je je er doorheen. Moedig voorwaarts. Maar af en toe breek je. Zomaar. Omdat die kleine etterbakjes zo heel lief voor je zingen. Omdat je collega je aankijkt met een bepaalde blik. Omdat iemand je heeft aangeraakt. Letterlijk. Of figuurlijk. Je heeft gezien in je diepste wezen.

 

thriller

Zaterdag stond ik op de rommelmarkt. Een rommelmarkt voor een goed doel. Er werd van alles aangeboden: baksels, bloemstukjes, handwerkjes, ceedees en boeken. Ik had me opgegeven als vrijwilliger bij een boekenkraam. Daar heb ik enigszins verstand van. De boeken waren ingedeeld in verschillende categorieën. Geschiedenis, kunst, romans, streekromans, kinderboeken, theologische werken, kookboeken, literatuur en thrillers. Tot mijn verbazing was ik ingedeeld bij de thrillers. Niet bij de literatuur en daar heb ik echt wel enig verstand van. Maar niet van thrillers. Een andere vrijwilliger kwam naar me toe en vroeg of ik bij de kookboeken wilde gaan staan. Daar was zij ingedeeld, en daar had ze helemaal niks mee. Ze wist wel alles van thrillers. Ik weet ook helemaal niks van koken dus ik zei haar niet te voelen voor die ruil, maar misschien wilde zij mij wel assisteren bij de thrillers en was er misschien wel iemand anders die naar de kookboeken wilde. Die was er en sinds zaterdag weet ik nu heel veel over “moord- en doodslagboeken”. De vriendelijke jonge vrouw vertelde mij dat ze iedere dag leest en altijd wel één of meerdere boeken op haar nachtkastje heeft liggen. Soms leest ze er een paar tegelijk. “Mijn hele huis staat vol met thrillers”. Ze wist ook precies welke schrijvers de moeite waard waren en welke niet. Op haar advies heb ik een paar boeken meegenomen. Ze wees me er op dat er een groot verschil is tussen die snelle misdaaddingen en de literaire thrillers. Die literaire thrillers worden massaal gelezen. Aan onze kraam was het het drukst. Stapels werden er voor een zacht prijsje verkocht. De namen van voor mij onbekende schrijvers waren voor de kopers gesneden koek. Wat me opviel was dat het vaak hele dikke boeken waren. Als je dan niet slapen kunt, lijkt me dat een heel gedoe met zo’n pil in je bed. Want dat hoorde ik, dat mensen ’s nachts lezen. Ik lees vaak voor het slapen gaan. Gisteravond heb ik een boek uit de stapel thrillers meegenomen naar bed. Ik ben begonnen met een pocket. Die kun je in één hand vast houden. Een boek van Renate Dorrestein. Na een aantal bladzijden heb ik het boek op het nachtkastje gelegd. Te wreed, te mysterieus, geen inslaper, geen “sleep calm”. Wat maakt dat we thrillers lezen, detectives kijken. Een vriendelijke sympathieke mevrouw, waar ik een heel gezellige dag mee heb beleefd. Iedere dag in een boek met “moord en doodslag”. En met haar een heleboel anderen. Ik snap er niks van. Wat is dat in ons?