Zaterdag stond ik op de rommelmarkt. Een rommelmarkt voor een goed doel. Er werd van alles aangeboden: baksels, bloemstukjes, handwerkjes, ceedees en boeken. Ik had me opgegeven als vrijwilliger bij een boekenkraam. Daar heb ik enigszins verstand van. De boeken waren ingedeeld in verschillende categorieën. Geschiedenis, kunst, romans, streekromans, kinderboeken, theologische werken, kookboeken, literatuur en thrillers. Tot mijn verbazing was ik ingedeeld bij de thrillers. Niet bij de literatuur en daar heb ik echt wel enig verstand van. Maar niet van thrillers. Een andere vrijwilliger kwam naar me toe en vroeg of ik bij de kookboeken wilde gaan staan. Daar was zij ingedeeld, en daar had ze helemaal niks mee. Ze wist wel alles van thrillers. Ik weet ook helemaal niks van koken dus ik zei haar niet te voelen voor die ruil, maar misschien wilde zij mij wel assisteren bij de thrillers en was er misschien wel iemand anders die naar de kookboeken wilde. Die was er en sinds zaterdag weet ik nu heel veel over “moord- en doodslagboeken”. De vriendelijke jonge vrouw vertelde mij dat ze iedere dag leest en altijd wel één of meerdere boeken op haar nachtkastje heeft liggen. Soms leest ze er een paar tegelijk. “Mijn hele huis staat vol met thrillers”. Ze wist ook precies welke schrijvers de moeite waard waren en welke niet. Op haar advies heb ik een paar boeken meegenomen. Ze wees me er op dat er een groot verschil is tussen die snelle misdaaddingen en de literaire thrillers. Die literaire thrillers worden massaal gelezen. Aan onze kraam was het het drukst. Stapels werden er voor een zacht prijsje verkocht. De namen van voor mij onbekende schrijvers waren voor de kopers gesneden koek. Wat me opviel was dat het vaak hele dikke boeken waren. Als je dan niet slapen kunt, lijkt me dat een heel gedoe met zo’n pil in je bed. Want dat hoorde ik, dat mensen ’s nachts lezen. Ik lees vaak voor het slapen gaan. Gisteravond heb ik een boek uit de stapel thrillers meegenomen naar bed. Ik ben begonnen met een pocket. Die kun je in één hand vast houden. Een boek van Renate Dorrestein. Na een aantal bladzijden heb ik het boek op het nachtkastje gelegd. Te wreed, te mysterieus, geen inslaper, geen “sleep calm”. Wat maakt dat we thrillers lezen, detectives kijken. Een vriendelijke sympathieke mevrouw, waar ik een heel gezellige dag mee heb beleefd. Iedere dag in een boek met “moord en doodslag”. En met haar een heleboel anderen. Ik snap er niks van. Wat is dat in ons?
goeie spullen
De portier is een invalide. Zo begint “Nooit meer slapen”, van Willem Frederik Hermans. De toon is gezet. Het imperfecte. Het boek uit 1966 gaat over een wetenschappelijke expeditie naar Lapland, waar de geoloog Alfred meteorieten hoopt te vinden. Finmark, een onherbergzaam gebied waar de zon in de zomer niet ondergaat. Er wordt nauwelijks geslapen. De reizigers raken volkomen uitgeput. Reisgenoot Arne is een bron van ergernis. Bepakking niet in orde. Tentje niet waterdicht. Muskietennet kapot. Verouderde kaarten. Een kompas dat kwijtraakt. Een horloge dat het niet meer doet. Een reis vol hindernissen en misverstanden die uiteindelijk in een drama eindigt. En geen meteorieten. Na onenigheid over de te volgen weg, verongelukt Arne en Alfred keert na een angstige zoektocht terug met lege handen. De zuinige Arne met zijn versleten schoenen is uitgegleden en met zijn hoofd op een steen gevallen. Hermans beschrijft meesterlijk de ontberingen in het moerassige gebied en de menselijke ergernissen tussen de twee wetenschappers die zo verschillend van karakter zijn.
Als je op reis gaat moet je bagage in orde zijn. En als je gaat wandelen in de bergen moet je goeie schoenen hebben. Geen gladde zolen. Toen ik mijn eerste wandelschoenen kocht verzekerde de verkoper mij dat ik daar jaren mee vooruit kon en er zeker 30.000 km mee zou kunnen lopen. Dat was te optimistisch. Inmiddels heb ik mijn vijfde paar. Altijd hetzelfde merk, steeds een ander kleurtje. Altijd op dezelfde plaats versleten. En gek genoeg steeds andere maat.
Onvoorbereid de toekomst tegemoet, het kan. Avontuurlijk. Supervoorbereid en alles tot in de puntjes uitgestippeld. Dat kan ook. Maar ook dan kan je de weg kwijtraken. Maar. Zorg voor goede schoenen. En een goede reisgenoot.
ik vind

In de veertigdagentijd vast ik. Ik leef niet op water en brood, maar ieder jaar neem ik me iets voor. Geen alcohol bijvoorbeeld maar ook niet roddelen, of minder tvkijken was wel eens een doel. Meestal kwam er niet veel van terecht. Minder eten of drinken, of zelfs een hele week leven op groenten en sap dat lukte nog wel. Maar niet roddelen of het nieuws niet volgen is een zware opgave. Dit jaar heb ik me voorgenomen wat minder mening te hebben. Nou dat valt niet mee, a hell of a job. Niet oordelen wil nog wel, maar geen mening? Als je er bij stilstaat ontdek je hoe vaak je iets vindt. Ik tenminste wel. Een mening.
Wikipedia omschrijft een mening als een subjectieve opvatting, houding, ten opzichte van een onderwerp, gebeuren, ontstaan op basis van ervaring en sociale omgeving. De oude Grieken plaatsen de mening tegenover het weten. Het weten is gebaseerd op feiten. En daar wringt het. Het is twaalf uur. Daar zijn we het wel over eens. Vooral omdat we met ons allen iets hebben afgesproken over tijd en getallen. Met de uitspraak: Racisme is geen mening, ligt het al veel ingewikkelder. Jouw mening, standpunt, dat racisme geen mening is bijvoorbeeld, als een voldongen feit, een zeker weten presenteren? Weten we met ons allen wat we onder racisme verstaan? Wordt vaak door elkaar gehaald: ik vind en het is. Het was gezellig, je bedoelt ik vond het gezellig.
Vorige week werd de partij van Thierry Baudet de grootste politieke partij in Nederland. Dat is een feit. Van alle kanten buitelen de reacties over ons heen. De verklaringen zijn niet van de lucht. Ik constateer dat meningen en weten flink door elkaar worden gehaald. Jouw mening als de de waarheid. Ik leef in een land waar je een mening mag hebben, ook een verfoeilijke, ook als die ingaat tegen alles waar ik voor sta. Dat is geen mening maar het hart van de democratie. En die hebben we met ons allen afgesproken.
Foto uit Dagblad Trouw van de antiracismedemonstratie in Amsterdam, zaterdag 23 maart 2019 waar vooral Forum voor Democratie het mikpunt was. Onderschrift Trouw
de moeder de vrouw
Ik wilde liever niet op je lijken. Een vaders kind. Ik hield van pa. Ondanks alles. Zijn woedeuitbarstingen, zijn geweld, zijn onrust, zijn onberekenbaarheid. Ik hield van hem. Zijn levenslust, zijn vrolijkheid, zijn optimisme, zijn warmte, zijn energie. Een vaderskind. Jij was de tegenhouder, jij was van het fatsoen, van wat zeggen de buren ervan, van klein zijn, nederig, bescheiden, geen poeha, niet overdrijven.
Ik heb je tekort gedaan. Al jaren geleden wees iemand er op dat we precies dezelfde rimpels in het gezicht hebben. Daar was ik toen niet blij mee. Hetzelfde akelige haar, alsof dat al niet genoeg was. Maar het is waar. Ik lijk op je. Sprekend. Niet alleen uiterlijk. Steeds vaker denk ik aan je. Wat zou jij hebben gedaan, gezegd, gevraagd.
De moeder, de vrouw. De vrouw die je het leven gegeven heeft, de veilige moederschoot. Veilig was het bij ons niet, ook niet voor jou. Maar. Je maakte er wat van. Onverstoorbaar, doen wat er gedaan moest worden. Verdragen, verduren ja en ook tegenhouden, klein houden. Vooral niks verbeelden. Niks kon je met uitgelatenheid. En warme armen had je niet. Aanraken kon je niet. Maar. Je was er. Altijd. Moedig voorwaarts.
Ester Naomi Perquin eindigt haar boekenweekgedicht “Moeder” met de zin: “Je kijkt naar haar. Je weet niet wie ze is.” Over die zin denk ik nu al sinds ik het zaterdag in de krant las. Zo dichtbij en niet weten: wie ben je.
Boekenweek 2019 met als thema ” de moeder, de vrouw” Ester Naomi Perquin schreef het Boekenweekgedicht. Het is het laatste gedicht in de serie “De moeder de vrouw” , die in dagblad Trouw verscheen. ” De moeder manifesteert zich in je blik, in je oordeel, in hoe je naar jezelf kijkt.”
Foto: dierentuin Emmen, jaren 90
mijn boom
” En wat voor boompje of struik wil je voor?” Mijn tuinman zat met een kladblok aan tafel en vroeg door. “Wat is je favoriete boom?”. Ik was wel een beetje uitgedacht over tegels, plantjes en struiken. Het duizelde me na een paar uur boven de ontwerpschets van de tuin achter mijn nieuw te bouwen huis. Waar alles moest komen te staan en wat dat allemaal moest gaan kosten. Als hij iets voorstelde zei ik steeds vaker: “doe maar lijkt me prima”, Maar toen hij over de boom begon was ik er weer. Helemaal wakker. Mijn favoriete boom is de krent. Een krent om precies te zijn. Hij staat op de Noetseler heide en ik fotografeer hem ieder jaar wel een paar keer. In de winter in de mist, in de lente in bloei, in de zomer met de blauwe bessen, in de herfst met de rood en geel verkleurde bladeren. Ik heb er een gedicht over geschreven. En als ik een wandeling ga maken loop ik er langs. Ik volg hem al 45 jaar minstens. Dat weet ik zo precies omdat ik een foto heb van de boom waar je mij ziet met mijn oudste zoon van een half jaar op de arm. Ik weet ook wanneer hij in bloei staat. Half april, rond de verjaardag van mijn jongste zoon.
Er staat dus een Amelanchier lamarckii in mijn tuin. Sterker nog: er staan er drie. Een voor en twee achter. Die twee achter zijn cadeaus van attente vrienden die mij wilden verrassen met mijn geliefde boom. Aan de boom voor hangt het kaartje nog: herfstkleur: geel, oranje, hoogte: 3-5 m, licht: zon halfschaduw, bloeiperiode: april, mei. Van dat laatste trekt de Amelanchier lamarcki zich niets aan. Het is vandaag 11 maart en de knoppen staan op springen. Op de verjaardag van zoon gaan ze niet wachten. De natuur trekt haar eigen plan. Na een paar warme bijna zomerse dagen maakte de natuur drie passen vooruit. Vandaag jaagt de wind weer door de straten, regent het met bakken uit de hemel. Is het guur en koud. De krent wappert mee met de maartse buien. Alles willen we beheersen, regelen, corrigeren. Niet doen. Kijk naar mijn krent. Aanpassen, meebewegen, je voegen naar de omstandigheden en ondertussen rustig doorgaan. That’s the way.
Foto 2 mei 2012 Bouke Meindersma
75 miljoen

We gunden het haar best. Tenminste dat zeiden we. En dat meenden we ook wel. Echt wel. We waren zelfs wel trots op haar. Echt wel. Maar. Ergens onderhuids. Diep van binnen. Was ook dat andere gevoel. Zij wel. Waarom ik niet? Waarom wij niet? We zeiden het niet hardop, eerst niet. Maar toen we naar huis fietsten maakte iemand een grapje, dat net niet echt grappig was, nee een beetje gemeen zelfs. En toen we een biertje op hadden gingen we al luider helemaal los. Roddel, jaloezie, achterklap. Het deugde niet, dat wisten we wel. Maar ja. De ketting was gebroken. Ons clubje kapot. Het duurde even voor we onze kinderachtige jaloezie achter ons konden laten. En jaren later zeggen we allemaal: raad eens met wie ik in de klas heb gezeten?
Voor de winterstop speelde Ajax de sterren van de hemel. Heerlijk om te zien. Een team dat de bal vloeiend over het veld jaagt. Tik tak, ping ping, boem. Voetbal om van te genieten. Ja. En toen. De transfer van Frenkie de Jong, het supertalent dat door Ajax voor 1 euro van Willem Twee werd gekocht voor 75 miljoen naar Barcelona. Arme Erik ten Hag. Ga er maar aan staan als één van je jongens zo een mooie mantel krijgt omgehangen. Hoe houd je de boel bij elkaar? Ja ze gunnen het hem van harte, ze zijn trots op hem. Maar. De ketting is gebroken. Het clubje kapot. Geen team meer. Afgelopen zaterdagavond op het kunstgras van Heracles in Almelo. 1-0. Stuurloos. Uit elkaar gedreven.
gedicht
vriendinnetjes

Twee Amsterdamse joodse vriendinnetjes beiden 5 jaar oud. Kort nadat de foto is gemaakt wordt Barabara Aal (links) gedeporteerd naar Westerbork. Op 25 oktober 1944, vijf dagen na haar zesde verjaardag wordt ze in Auschwitz vermoord. De ouders van Mirjam Kauffmann (rechts) laten hun dochter onderduiken. Zij overleeft. Haar ouders Walter en Eva worden respectievelijk in Bergen-Belsen en Auschwitz omgebracht.
Foto Annemie Wolf (@ Monica Kaltenschnee), 13 augustus 1943 Fototentoonstelling Holocaustmuseum Amsterdam januari 2019
Dit weekend werd de Holocuast herdacht. Met een stille tocht en een plechtigheid bij het Auschwitzmonument in Amsterdam. In de stromende regen. Femke Halsema de burgemeester van Amsterdam stelde dat het heel belangrijk is ” om steeds weer te vertellen en door te vertellen, opdat het nooit weer kan gebeuren”. Gerdi Verbeet, voorzitter van het Nationaal Comite 4 en 5 mei, wees op het belang van een namenmonument.
Ik kijk naar de foto. Lees het onderschrift. Namen. Plaatsen. Data. Een verhaal. “Opdat het nooit weer kan gebeuren”. Was het maar waar. Was het maar waar. Konden we dat maar.
on line
Vanmorgen kreeg ik om half zeven een appje toegestuurd van mijn zoon met een afbeelding van de maan. De bloedmaan. Toen die zoon 14 jaar geleden voor een half jaar in Afghanistan zat liet ik zijn zoontje zwaaien naar de maan. Hij riep dan luid papa, papa, maan, maan! Ik had dat idee van mijn zus. Zij vertelde dat zij tijdens de oorlog naar de maan moesten zwaaien van mijn moeder. De maan was de verbinding tussen hen en papa, aan de andere kant van de aarde. Als papa naar de maan zou kijken zou hij ook zwaaien.
Vanmorgen keken mijn zoon en ik allebei naar de hemel en zagen we de maan. De bloedmaan. Een mooi idee van mijn moeder. 7 Jaar lang, behalve een paar telegrammen van het Rode Kruis, taal noch teken. Maar voor het slapen gaan zwaaien naar de maan.
In 2005 schreef ik iedere week een brief, kon je bellen en via de webcam communiceren. En af en toe zwaaien naar de maan. 14 Jaar later is verbinding maken nog makkelijker geworden. App, twitter, facebook, instagram, messenger.
Op je app kun je zien of iemand je bericht heeft ontvangen en gelezen. Dat kun je niet zien als je zwaait naar de maan. Of die vader naar jou gezwaaid heeft toen hij de maan zag in dat verre land aan de andere kant van de aarde of in Afghanistan. Dat kun je hopen. Verlangen. Vertrouwen. Zeker weten.
Foto: Jo Polak
een brief
Vandaag kreeg ik een brief. Een handgeschreven brief. Ik herkende je handschrift niet meteen. Het lijkt op het handschrift van zo velen van jouw generatie. Een bepaalde schrijfmethode denk ik. Maar aan de strakke streep onder het adres wist ik dat het jouw handschrift moest zijn. Verbaasd en nieuwsgierig na zo een lange tijd iets van je te horen. Ik was je nooit vergeten. Eigenlijk ging er geen dag voorbij dat ik niet even aan je dacht. Soms werd ik wakker met jou in gedachten. Of droomde ik van je. Mooie dromen waren het. Altijd. Toen je bij me was droomde ik altijd dat ik je kwijt was. Dat ik je niet kon vinden. Toen je weg was droomde ik alleen maar dat je bij me was. Dichtbij. Veilig. Warm.
Ik leg de brief op tafel. Voorzichtig vouw ik haar open. Een heel kantje beschreven. Geen aanhef. Geen naam eronder. Ik zie dat het een gedicht is. Mooi. Het raakt. Een ingewikkeld gedicht. Onbegrijpelijke woorden. Ik leg het papier neer. Geen, hoe is het met je, ik denk aan je. Of: ik mis je. Ik staar uit het raam en bedenk dat ik dat wel doe. Missen. Een mooi gedicht dat je niet kunt uitleggen. Een gedicht dat vragen oproept. Waar je nooit een antwoord op vindt. Of krijgt. Zoeken, raden. Wat bedoel je. Waar ben je. Wie ben je.






