6 vrienden

“Wat moet ik met zes vrienden? Ik heb niet eens zes vrienden!”, grapte een “vriendin”. Ze reageerde op het advies van premier Rutte na het opleven van het coronavirus om niet meer dan zes vrienden uit te nodigen op je verjaardag bijvoorbeeld. Ik dacht wat langer na over het woord “vriendin” toen ik het opschreef. Wanneer is iemand je vriendin? Je vriend? Spreek je dat samen af? Zet je dat in je profiel van facebook? Je gaat er niet voor naar het gemeentehuis of naar de kerk om het in te laten zegenen, te bevestigen. Je hebt een poos met elkaar opgetrokken heel intensief, heel intiem, je kon het heel goed met elkaar vinden, je deelde van alles met elkaar, je lachte samen, huilde samen, kun je elkaar dan vriendin noemen? Kun je ook eenzijdig van jouw kant iemand je vriendin noemen? Of voor een poosje? Het is wel een speciaal gevoel van binnen dat je weet: jij en ik wij verstaan elkaar. Ik weet precies wie ik een vriend, of in mijn geval meestal, een vriendin zal noemen. Tijd speelt een rol. Je kan uit elkaars gezichtsveld raken. Je verhuist, krijgt een andere baan, de ander is in een andere wereld terecht gekomen, met andere zaken bezig. Je was even heel dicht bij elkaar. Maar op een gegeven moment niet meer. Maak je het dan uit? Of laat je het zachtjes uitdoven? Tijd kan ook vriendschap verdiepen, iemand die meeliep in je leven, niet echt een vriend was, maar wel altijd mee is blijven lopen kan van onschatbare waarde worden. 

Bij het zoeken van een foto bij dit stukje over vriendschap vond ik de foto met de 6 paraplu’s. Ik wilde ingaan op het onderhouden van vriendschap. Want net als in een liefdesrelatie is het van belang zorgvuldig om te gaan met vriendschap. Daarom kun je ook geen tientallen vriendinnen hebben. Als je zes vrienden hebt en je wilt het goed houden en hebben met elkaar zul je daar tijd in moeten steken. Zo versta ik ook de uitroep:” Wat moet ik met zes vrienden!”. En het is zeker niet altijd een goed idee om ze bij elkaar te zetten op je verjaardag. Want één op één daar vindt het echte contact, de echte ontmoeting, de echte aandacht voor elkaar plaats. Neemt niet weg dat de gezelligheid, de vrolijkheid, de verbondenheid van een vriendenclubje van zeven niet te versmaden is. De foto hierboven is van zo een clubje. De Golden Girls, al meer dan 25 jaar door wind en regen. Een foto van 15 jaar geleden. Toen ik de foto omdraaide las ik een handgeschreven nieuwjaarswens: Dat we het beste in onszelf niet kwijtraken, maar mogen behouden en ervan delen naar elkaar toe. En zo is het lieve vriendin. Dat is vriendschap. Ik koester het, voel me er rijk mee. Ik wil je niet kwijtraken. Nog lang niet.


Foto: Golden Girl Gien Klaver 

 

de geur van dille


Niet meer kunnen ruiken. Coronapatiënten hebben er na hun genezing nog langdurig last van. Geurverlies. Het belang van de geur als zintuig wordt vaak onderschat. Tot je het mist. Dan ervaar je pas hoe belangrijk geur is. Bij het eten. Je welbevinden. Maar ook bij de keuze van je partner bijvoorbeeld. Ziet er mooi uit, heeft een goede stem maar ruikt verkeerd? Gaat niet goedkomen.

Bij het maken van een zogenaamd Levensboek, een verhaal over het leven van een mens, zijn de zintuigen het uitgangspunt bij het ophalen van herinneringen. Met vragen als: Bekijk de foto van jullie tuin goed, wat zie je, welke herinnering komt boven? Je hoort de stem van G.B.J Hilterman waar ben je, wat doe je? Je voelt de wol van een vest, wat gebeurt er met je? Het gezicht, het gehoor, de tastzin. En dan volgt het hoofstuk ruiken. Nummer 4 van de belangrijkste zintuigen. Wonderbaarlijk wat er te voorschijn komt uit je brein als je langs een ligusterhaag loopt, of je neus boven een doos boenwas houdt. Groene zeep, het wasmiddel dat je moeder gebruikte, pas gemaaid gras, kippensoep, de tuin na een regenbui. De verhalen komen vanzelf. Vaak heel gedetailleerd. Verdrietige herinneringen. Mooie herinneringen. 

Na het onweer van gisteravond had ik gehoopt dat de natuur fris, schoongewassen zou ruiken. Dat is niet het geval. Het heeft nauwelijks geregend na het vuurwerk van lichtflitsen. De deuren staan wagenwijd open vanmorgen. Af en toe valt er een druppel. Ook geen geur dus van een tuin na een regenbui. Maar wel een sterke geur in de kamer: Twee takjes dille. Zojuist opgehaald bij de bloemenwinkel om de hoek. € 1,40. Een regen van herinneringen van heel lang geleden. Zon, zomer. Een leeg huis met ruime kamers. Witte lakens. Het lijf vol verlangen. Een open raam. Een koerende duif. Raadselachtige schilderijen aan de wand. En uit de zwarte boxen Maria Callas: J’ai perdu mon Eurydice. 

Alles gaat voorbij, verloren, maar ergens ligt de herinnering opgeslagen. Voor altijd. Wat ben je rijk, als je niet doof bent, of blind, je huid nog kan voelen, je nog kunt ruiken.  

naar Parijs met Gilles


Met de warmte komt het verlangen naar Frankrijk. De stranden van Normandië en Bretagne, de geur van de Provence. Het tentje, korenvelden, de zee. Een café au lait met tarte aux pommes van de boulanger aan de overkant op het plein. En Parijs. 
Parijs in de zomer. In 1997 maakte ik samen met mijn oudste broer een soort van speurtocht door Parijs. We waren allebei alleen en eigenlijk kenden we elkaar niet zo goed. Hij 14 jaar ouder dan ik. Ik het kleine zusje van na de oorlog, die al jong tante werd van zijn dochters. Hij de steun en toeverlaat van mijn moeder in de oorlog en daarna. Mijn grote broer. Nu gingen we samen naar Parijs. We zouden een wandeling maken over het kunstwerk van Jan Dibbets voor Frans Arago.* Een wandelroute van ongeveer 12 kilometer, gemarkeerd door 135 bronzen plaatjes. Ronde bronzen plaatjes dwars door Parijs, in straten, parken, pleinen van noord naar zuid over de nulmeridiaan, de denkbeeldige lijn die over Parijs loopt. Philip Freriks schreef er een boekje over “Het spoor van de monumentale meridiaan, een heerlijke lange wandeling door de joyeuse Lichtstad en de Franse (cultuur)historie.”


We hadden er drie dagen voor uit getrokken. De caravan op de camping in Champigny sur Marne. Met de RER, naar Parijs om daar over te stappen in de metro. Gilles met de camera, ik met het gidsje van Philip Freriks en de platte grond. We begonnen in het zuiden, vlak bij de rondweg. In de Cite, een park van veertig hectare staat het Pavillon du Cambodge. Aan de achterkant van het gebouw in het stoepje op de rechterhoek ligt het eerste plaatje: Arago, N, S. Nord, Sud. We juichen als schoolkinderen die de eerste vos hebben gevonden.

Twee dagen lang zoeken we bronzen plaatjes. Onder een tafel, een stoel. In het Louvre. In parken, midden op het trottoir, bij een hek, naast een standbeeld. Soms zag je het “medaillon” direct, maar vaak was het zoeken. Alle 135 hebben we ze niet gezien. Een enkele keer wees iemand al: voila!, maar de meeste Parijzenaars kijken je aan of je wel in orde bent. “Wat?” bronzen plaatjes? Arago? Dibbets? Quoi? Het kunstwerk is nauwelijks of niet bekend. Als we op 3 augustus 1997 om tien over half drie het laatste plaatje vinden in de Avenue de la Montmartre bij de toegangsdeur van de openbare bibliotheek, slaken we een zucht van verlichting. Onze missie is volbracht. Honderden foto’s en een beeld van Parijs om nooit te vergeten. Nooit heb ik zo genoten van een stadsbezoek als in de zomer van 1997. Met mijn broer. Met Gilles. 

*
Francois Arago ( 1786-1853) was een avontuurlijke wetenschapper, die het in 1848 nog een korte tijd tot staatshoofd bracht en  in die kwaliteit de slavernij in de Franse koloniën heeft afgeschaft. Hij was humanist, uitvinder, kamerlid, ingenieur, docent sterrenkunde, directeur van Bureau des Longitudes alwaar hij zich bezig hield met de lengtecirkels of wel meredianen. Meredianen zijn lange lijnen  die in halve cirkels over de aardbol zijn getrokken van Noordpool naar Zuidpool, alles nauwkeurig gemeten en allemaal loodrecht op de evenaar. Arago woonde een groot deel van zijn leven in de sterrenwacht in Parijs, die precies op de meridiaan was gebouwd. Hij had een heilig geloof in het belang van wetenschappelijk onderzoek voor de vooruitgang en de stimulerende rol daarin van de staat. Een Franse held in zijn tijd. ( Philip Freriks) 

Dibbets is een Nederlandse kunstenaar die van de stad Parijs de opdracht kreeg een standbeeld te ontwerpen voor Arago, de astronoom, grensverleggend wetenschapper, humanist, politicus en staatshoofd. Het “standbeeld” werd een monument. De 135 bronzen medaillons over de nulmeridiaan.

* Gilles overleed dinsdag 4 juli 2023 op 87-jarige leeftijd na een lange periode van dementie waarvan de laatste jaren in de Amaniet in Ermelo.

trots


Volgens Van Dale is het overgewaaid uit Amerika. Uit de sportcultuur. Het veelvuldig gebruik van het woord trots. Trots op de winst. De prestatie. Trots zijn op elkaar. Trots zijn op wat je hebt gedaan, doet. Trots zijn op jezelf. Altijd. Ook als je verliest. Nooit je kop laten hangen. Wees trots op jezelf, je team, je club, je land. Zelfs als je er zelf niets aan bijgedragen hebt. 

In het woordenboek wordt trots omschreven als een gevoel. Een eergevoel. Zelfbewust. Vervolgens verschijnen de woorden, ijdelheid, hoogmoed. Want er hing een negatief luchtje aan het woord trots. Trots, hoogmoed, ijdelheid, verwaand, woorden uit het zelfde clubje: denken dat je meer bent dan een ander, beter dan de rest. Trots op je kinderen kon nog net.

Nu smijten we er mee. Trots zijn mag. Trots zijn moet. We zeggen het zonder ophouden. Over wat we gedaan hebben, gepresteerd, over onze kinderen, over elkaar. Zelfs over mensen die we helemaal niet kennen, zoals ‘Trots op de mensen in de Zorg’. Over onszelf zeggen we het nog steeds met enige aarzeling. Maar ook. Je hoort het in Proud to be gay, Pride. Niks je schamen voor je geaardheid. Laat maar zien, laat maar horen! Je mag er zijn! Niks om je voor te schamen. Ik denk dat schaamte de tegenpool is van trots. 

Soms zeg ik het tegen mijn kinderen: ik ben trots op je. Ik geloof dat ik dat vooral zeg om te laten weten dat hun mooie en fijne dingen mij gelukkig maken, ook op mij afstralen, ik blij voor hen ben. Maar trots zijn is iets totaal anders dan houden van. Houden van is een gevoel dat lager, dieper zit in het lijf. Ik denk dat we heel vaak ‘ik ben trots op je’ zeggen als we eigenlijk willen zeggen: ik hou van je. Trots zijn heeft met het ego te maken, met zelfvertrouwen, met eergevoel. Houden van is een diep gevoel van binnen. Dat heeft niets te maken met wat je gepresteerd hebt, hoe je het doet in de buitenwereld. Houden van is onvoorwaardelijk. Ook al doe je dingen waar je je voor zou moeten schamen, waar ik niet trots op ben: ik hou van je. 

groeten uit


“Ja we blijven dit jaar in Nederland, hier in de buurt een huisje gehuurd”. “Op het laatst toch maar een camping geboekt”. “We zitten in de Achterhoek, best mooi hier”. “We maken fietstochtjes vanuit huis, goh wat wonen we hier toch fantastisch”. 

Er was een tijd dat het woord vakantie niet zo’n lading had. Vakantie betekende dat je dan niet naar school hoefde. De eerste keer dat we weggingen was een huizenruil. Het hoofd der school in Ermelo kwam in ons huis in Katwijk en wij gingen naar Ermelo. We gingen er naar toe in de gehuurde auto, waarmee het gezin uit Ermelo in Katwijk was gekomen. Ik denk dat het ook de eerste keer was dat ik in een auto zat. Het huis in Ermelo stond naast de school en ik weet dat ik zielsgelukkig was dat je vanuit het huis in de school kon en ik schooltje kon spelen in een echte school. Ik weet niet of we daarna nog wel eens op vakantie zijn geweest. Ik kan me er in ieder geval niets van herinneren. In een doos met foto’s vond ik een paar ansichtkaarten die niet verstuurd waren, zelfs nog één uit Nijverdal. Ansichtkaarten versturen hoorde erbij. Aan de buren, aan de familie, vrienden, kennissen, collega’s. En die stuurden dan een kaartje terug. Die hing je dan ergens op in huis. Je was er trots op als er veel kaarten in je huis hingen na de vakantie.

Op de zwartwit ansichtkaarten die ik vond in de doos staat zonder uitzondering een kerk. Een van de kaarten was beschreven. Door mijn vader. Een kaart voor onze buren. Het is grappig om te lezen. Mijn vader richt zich tot de familie Stuiver, en ondertekent met de de Heer en Mevrouw de Bruijne. Niks Johan en Sien. Niks de hartelijke groeten. En opvallend nog de Bruijne met een ij. Ook helpt mijn vader nog even de postbode: op nummer 11A, dat is naast 11B. Iemand heeft de kaart later gebruikt om iets op te tellen. Niet het handschrift van mijn vader, ook niet van mijn moeder. Postcodes bestonden nog niet. Wat de reden was dat de kaart niet verstuurd is zal ik nooit weten. Waren de postzegels op? Toch maar niet een kaart naar de buren, waar we niet zo intensief mee op trokken? Of omdat de fam Stuiver nooit naar de kerk ging en de kaart van de kerk in Epe misschien niet gepast was? Het zou me niet verbazen. 

drie keer Rob

Zomer 1991. Een bergetappe van de Tour de France. De zon schijnt over het golvende landschap. Alle bergen bezaaid met supporters. Zelf meegebrachte stoeltjes en tafeltjes en niet te vergeten een koelbox met fris, met koud bier, met wijn. Een parasol. Petjes en kleurrijke kleding. Op de weg de namen van favorieten. Trek er maar een dag voor uit. Je auto ergens kwijt kunnen is al een tour op zich. Maar als je dan eenmaal geïnstalleerd bent, wordt het een feest. Eerst de reclamekaravaan al toeterend. Wat er door de luidsprekers gezegd wordt kun je niet verstaan ook al spreek je Frans. Als de motoren verschijnen weet je dat de wielrenners er aan komen. Voor je het weet is het gebeurd. Zoef daar gaan een paar koplopers, hun namen worden gescandeerd. De stoeltjes zijn in één keer leeg. Iedereen wil er zo dicht bij mogelijk bij zijn. Applaus, aanmoedigen, zwaaien. Daar gaat het peloton, kleine plukjes wielrenners volgen. Het wordt stiller, rustiger. Er komt nog een enkel groepje voorbij. Hier en daar worden stoeltjes en koelboxen opgepakt, parasols ingeklapt. Daar is de bezemwagen al. En ach kijk er voor een wielrenner die compleet stuk zit. Een trage trap, slingerend, de bezemwagen rijdt op de laagste versnelling. Naast ons wordt zijn naam genoemd. Rob Harmeling. Uit Nijverdal. 

Hij zal als laatste binnenkomen, net binnen de tijd over de finish waar hij in de armen valt van Mart Smeets, volkomen uitgeput. Hij rijdt de tour uit en eindigt als laatste. Nummer 158.

Mei 2013. Zinintheater in Nijverdal. De zaal vol wielrenners en sportliefhebbers. Ze zijn samengekomen om afscheid te nemen van Arend Scheppink, oud-ploegleider en grondlegger van de eerste profwielerploeg in Nederland. Een indrukwekkende bijeenkomst. De wielrennerij kwam vaak naar voren in de woorden die werden gesproken. Één van de sprekers vergeleek het afscheid van Arend met het demarreren van een wielrenner uit het peloton. Niet gelost uit het peloton, nee weggesprongen, naar voren, voor de anderen uit. De zaal zat op het puntje van de stoel bij het verhaal van de begenadigde spreker. Rob Harmeling.  

Juli 2020. Geen tour in juli. Geen avondetappes, waar bevlogen oud-wielrenners hun licht laten schijnen over de rit van vandaag. In de studio van de lokale omroep zit er wel één. Een fietsgek die vol bezieling praat over de mooie wielersport en nog veel meer. Het is alsof je onder een waterval staat. In de regen na een periode van droogte. Passie: Rob Harmeling

Foto: Rob Harmeling in studio van lokale omroep HOi.
Uitzending te zien op http://www.hoimedia.com uitzending gemist

Of

Amsterdam Amsterdam

Het was heel lang geleden. De laatste keer was in februari toen ik terugkwam van een verre reis. Maar toen had ik je alleen maar gezien door het raampje van de trein. De laatste keer dat ik over het Java-eiland liep. Door de straten, over de grachten, door je parken. Dat was lang geleden. En nu was ik er weer. En je bent me weer goed bevallen. Wat ben je mooi. En wat is er veel aan je te zien, te bekijken, te ontdekken. Ik weet nu wat een Swapfiets is en een “Geintegreerd Voorzieningen Centrum”. Ik heb gezien dat de trams bijna leeg zijn en dat niet iedereen een mondkapje draagt. Dat in het restaurant je wordt bediend door iemand die geen Nederlands spreekt. Dat in het Centrum van Amsterdam meer fietsen rijden dan auto’s. Dat er meer jongeren rondlopen dan ouderen. Dat honderden jaren oude gebouwen er beter uitzien dan sommige gebouwen van tien jaar oud. Ik heb gezien dat graffity in Amsterdam niet verwijderd wordt, zoals ik dat gewend ben in het dorp waar ik woon. Dat overal langs het water kleine strandjes zijn waar mensen picknicken en zonnebaden. Ik heb jongelui van de brug af zien springen het water in. Ik heb mensen in het park gezien op stoeltjes en kleedjes, aan het zingen, eten, feesten. Bij ons in het dorp doet men dat achter het huis in de tuin.

Ik hou van mijn dorp in de provincie. De mensen bij wie ik hoor, de prachtige natuur, de vriendelijke mensen. Maar eens in de zoveel maanden moet ik even naar Amsterdam. Om te proeven, te beleven de dynamiek, de vrijheid, de ruimte, de wijdte van de stad, de grote stad. Amsterdam. 

licht en leeg

de stad gods in de stad van de mens Het is de ondertitel van het boekje Heilig Licht van de Zutphense fotograaf Jan Griffioen. Een boekje uitgegeven in 2014. In het boekje staan foto’s van interieurs van kloosters en kerken. Kerken en kloosters in Frankrijk, maar ook foto’s van abdij Sion in Diepenveen. Oude kerken, oude kloosters. Met gebrandschilderde ramen. Met gewelven, pilaren, houten banken. Op de foto’s komt ergens het licht naar binnen in de lege ruimte en dat moment heeft de fotograaf vastgelegd. Dat verklaart de titel van het boekje: Heilig Licht.

De ondertitel lees ik eigenlijk nu pas: de stad gods in de stad van de mens. Geen hoofdletters, kleine letters. Heilig Licht wel met hoofdletters. De naam van de fotograaf ook zonder hoofdletters.

Lege kerken, lege gangen, lege banken. Lege steden, lege straten, lege terrassen. Dat was. Dat is geweest. Het zonlicht schijnt weer over volle terrassen. Het is weer druk in de stad. Er staat weer een file in de straat. Mensen maken er weer steden van en kerken en straten.

De schoonheid van de stilte, de leegte, de heilige ruimte blijft. Maar niet anders dan als een oase in het bruisende en levendige van de stad van de mens.

Clairy

Had haar lang niet gezien. Gister was ze er. Sinds een paar weken presenteert ze Het Filosofisch Kwintet op NPO 1. Als in de zomer Buitenhof vakantie heeft, wordt Het Filosofisch Kwintet uitgezonden. Onder leiding van Clairy Polak. Vier gasten praten dit seizoen over Macht, Media en Manipulatie. In het programma is: “ luisteren even belangrijk als spreken, is doorgronden het motto, en niet het twistgesprek”.

Heerlijke teevee. Teevee die je aan het denken zet: In hoeverre word je beïnvloed door wat je leest en hoort? Gemanipuleerd? Ben ik me bewust dat er geen moment is dat ik niet op één of andere manier beïnvloed wordt? Luister ik naar wat ik wil horen, lees ik waar ik het mee eens ben? Durf, kan ik horen wat me niet bevalt? Echt luisteren?

Jaren geleden schreef ik een ingezonden brief aan Trouw. Over Clairy Polak. Die moest toen het veld ruimen als presentator omdat ze te oud werd. Paul Witteman mocht blijven, maar de beste interviewer van Nederland, dat vond ik, moest weg. Oude mannen wel, oude vrouwen niet op de buis. Clairy mocht radioprogramma’s gaan presenteren.

Inmiddels is ze er weer gelukkig. En hoe. Nog altijd onnavolgbaar. Luisterend, met milde spot in de ogen, goeie stem, levendige handen. Goed voorbereid en ingelezen. De leiding strak in handen. De beste interviewer van Nederland. Nog steeds. Vind ik.

1/09/2023 Vandaag werd bekend dat 31 augustus 2023 Clairy Ruth Polak is overleden. Ze werd 67 jaar. Ze was al enige tijd ernstig ziek.

89 plus

“Deze dame was er ook heel blij mee”, lees ik op mijn mobiel. Ik had al een paar foto’s gekregen van haar. Een wijkverpleegkundige die ik regelmatig vrolijk zwaaiend voorbij zie fietsen in haar witte jasje onderweg naar een cliënt. Ze stuurde me foto’s van boeketten en briefjes die ze zondag had gezien bij haar cliënten.

Zaterdagmorgen was ik haar tegengekomen op zoek naar het adres van een dame van 89 plus bij wie ik een bloemetje van de kerk ging brengen. Een initiatief van de kerk waar ik deel van uit maak. Gemeenteleden brachten bloemen en bloemstukjes naar Het Centrum, de kerk in ons dorp. Daar werden de boeketten van een kaartje voorzien, gesorteerd en verspreid. De plaatselijke bloemenwinkels beleefden een topdag. In de winkels stonden de mensen in de rij om bloemen op te halen om ze weg te brengen naar Het Centrum.

Ik had de taak 7 boeketten rond te brengen bij gemeenteleden aan de Grote Straat. Gelukkig kon ik meestal de appartementencomplexen binnenwippen dankzij toevallige bewoners. Ouderen van 89 plus zijn vaak doof heb ik geconstateerd. Maar ook, en vooral: vief, vrolijk, opgewekt, vitaal en dankbaar. Als de deur openging, zag ik lieve oude mensen die blij verrast waren. Of ik niet binnen wou komen. “Kopje koffie?” “ Nee het gaat goed hoor.” “Ja wel stilletjes.” “Ja ik mis de kerk wel.” “Ik ging al niet meer naar de kerk, ik kijk naar de tv op zondag.” “Mijn dochter komt 1 keer in de twee weken.” “Ik heb fijne buren.” “De hulp komt iedere week.” “De zorg komt iedere dag 2 keer.” “Wilt u echt niet binnenkomen?”

Toen ik naar huis fietste was ik blij dat ik dit klusje had mogen klaren. Iemand blij maken maakt blij.

Goed dat er een kerk is, appte ik naar de wijkverpleegkundige als antwoord op de foto’s van de dankbare cliënten. “Goed gezegd! Voor deze oudjes heel belangrijk!”, kreeg ik terug.

“Voor mij persoonlijk… is het ingewikkeld.”, appte ze er achteraan. Dat herken ik wel. Die kerk: wat is er veel op aan te merken. Wat schaam je je er vaak voor. Wil je er wel bij horen. Deel van uit maken. Toch. Hoe beschadigd, hoe onhandig, hoe beschamend ook. Het belang van een gemeenschap waar je bij wilt horen, waar je hoe dan ook deel van uit maakt, waar je niet vergeten wordt, waar je in de kaartenbak staat is weer aangetoond. Zaterdagmorgen in Nijverdal. Honderdzestien 89 plussers in de bloemetjes gezet. Blij gemaakt. Dankbaar.